Molenbeersel

Molenbeersel wordt in de volksmond ook wel Biƫsel genoemd. Het haast unieke kenmerk van dit zeer uitgestrekte dorp zijn de twee stenen windmolens : de Keijersmolen en de Zorgvlietmolen en vlak over de landsgrens een watermolen (de Broekmolen).

De plaatsnaam Molenbeersel is op te splitsen in drie delen :

  1. Molen: op de Aa-beek lag vroeger de boerderij Meulder met een watermolen. De Aa-beek noemt men ook de Molenbeek of de Neer.
  2. beer: beerst of moerasland.
  3. sel: een toevoeging die aanduidt dat het om een bewoonbare plaats of woning gaat.

De lotgevallen van dit landbouw- en woondorp, gelegen tussen Maas en Kempen, zijn niet zo gemakkelijk te schetsen. Zijn geschiedenis is sterk verweven met die van het vrijdorp Neeritter, maar ook met die van het vorstendom Thorn en met het land van Kessenich.

In het gehucht Manestraat bestond de schuttersgilde Sint Hubertus Manestraat reeds van voor 1545.

Twee vermeldenswaardige feiten zijn dat de grensbepalingen in de jaren 1839 tussen Nederland en Belgiƫ en in 1845, de vorming van een nieuwe Belgische gemeente uit allerlei overgebleven brokstukken : Kessenicher, Beersel, de Manestraat, Groot-Beersel en Winkel.

In Molenbeersel is de natuur het best bewaard gebleven. Zo treft men er niet alleen het grootste deel van het Urlobroek aan, maar ook een uitgebreid stuk van het Stramproyerbroek met daarin het bekende Wautershof. Eeuwenlang lagen alle bewoonde gebieden kilometersver uit elkaar. Sinds anderhalve eeuw zijn de Molenbeerselaren, mede door de gedwongen en in Londen uitgemaakte grens, naar elkaar toegegroeid. De fusie in 1971 heeft daarin niet veel wijzigingen gebracht. De historische merkwaardigheden van Molenbeersel zijn vooral te vinden in de kleine geschiedenis van de molens, kruisen, schuren, kapelletjes en oude boerderijen in dit grensland.

In Molenbeersel waren er twee schansen:

De Makkenschans

De Giezenschans