Een normale zin verloopt as volgs:
ONDERWERP + PERSOONSVORM + TIJD + LIJDEND VOORWERP + PLAATS + TWEEDE WERKWOORD
O + PV + T+ Lijd. VW + P + 2de WW
Inversie wilt zeggen dat ofwel het onderwerp en de persoonsvorm van plaats veranderen, ofwel de persoonsvorm en het voorwerp.
In Zürich vertrekt de trein om 17u ’s avonds.
Elke dag loopt Amina 10 kilometer.
tijdens ontbijt
tijd
heb
Persoonsvorm
Ik
Onderwerp
mijn boterham
Lijdend VW.
thuis
plaats
opgegeten
2de WW
thuis
plaats
heb
Persoonsvorm
Ik
Onderwerp
tijdens ontbijt
tijd
mijn boterham
Lijdend VW.
opgegeten
2de WW
mijn boterham
Lijdend VW.
heb
Persoonsvorm
Ik
Onderwerp
thuis
plaats
tijdens ontbijt
tijd
opgegeten
2de WW
Hij wilt naar huis -> Wilt hij naar huis?
LET OP!
Met een vraag veranderen de persoonsvorm en het onderwerp van plaats. Er is één uitzondering in verband met vervoegingen.
Ik wil naar huis gaan -> Wil ik naar huis gaan?
Jij wilt naar huis gaan -> WIL jij naar huis gaan?
U wilt naar huis gaan -> Wilt U naar huis gaan?
Hij/Zij wil naar huis gaan -> Wil hij/zij naar huis gaan?
Wij willen naar huis gaan -> Willen wij naar huis gaan?
Jullie willen naar huis gaan -> Willen jullie naar huis gaan?
Zij willen naar huis gaan -> Willen zij naar huis gaan?
Hoofdzin (normale zin) + Bijzin ( Inversie)
Zij moet nu naar huis + dus EET ze haar boterham terwijl ze loopt.
LET OP; een samengestelde zin van twee hoofdzinnen heeft GEEN inversie
Zij houd van zwemmen en hij speelt graag tennis.
Ik wandel graag door het bos
Jij vind aardrijkskunde niet zo leuk
Zijn maag doet pijn
Zijn lievelingsmaaltijd is chips
Zij schrijft hem een brief elke dag
Het is ontzettend warm vandaag
Wij willen graag een dag zonder huiswerk
Jullie mogen straks mee naar huis
Zij gaan allemaal voetbal spelen.