Quiz de apotheek
woordenschat
ga naar Bewegen/Sportief zijn
Grammatica
Bekijk de volgende Werkwoorden
ga naar Nederland in Beweging en gebruik het voor jouw niews discussie. (in plaats van VRT niews)
3-4
Bekijk de fotos en antwoord de volgende vragen
Wat zie je op de foto's?
Vinden ze het leuk?
Doe jij ook aan sport? Welke sport doe je?
Doen jouw kinderen aan sport?
Vind je het belangrijk om te bewegen? Waarom?
Wie zijn die mensen?
Waar zijn ze? Wat zijn ze aan het doen?
Hoe lang zijn ze aan het sporten?
Schrijf het werkwoord naast de foto. Schrijf er ook de gevraagde persoonsvorm naast.
__________________ ik _________________
__________________ hij _________________
__________________ julie _________________
__________________ jij _________________
__________________ _________________ jij ?
Luister naar het telefoongesprek Bewegen is Gezond. Je hoort Marcel en Josh. Antwoord de volgende vragen.
Gaat Josh mee naar de sportschool?
Wat is er aan de hand met Josh?
Doet het pijn?
Luister naar het telefoongesprek Bewegen is Gezond. Je hoort Dilek en Suzanne.
Hoeveel minuten moet je per dag bewegen?
Waarom wil Suzanne niet gaan wandelen?
Wat doet Suzanne elke dag?
Zij ____________
Zij ____________
Zij ____________
Zij ____________
Wat besluiten ze samen?
Vul de volgende tafel aan.
Lopen
Fietsen
Sporten
Huis en Tuin
Voetballen
Totaal
M
D
W
D
V
Z
Z
Gebruik je tafel om een student naast jou vragen te stellen. Vul aan met volledige zinnen.
Wie heb je gevraagd?
Hoeveel uren per week sport hij/zij?
Welke sport doet hij/zij het liefst?
Welke sport doet hij/zij niet?
Schrijf een dialoog
Lees het volgende dialoog.
Ga je mee naar de sportschool?
Nee, ik kan niet.
Ik heb mijn arm gebroken.
Wat is er gebeurt?
Ik ben gevallen op mijn arm.
Wat vervelened! Sterkte ermee!
Er ontbreekt heel wat informatie! Herschrijf het dialoog met meer vragen en antwoorden. Het gesprek is tussen twee studenten (Josh en Mikel) in dezelfde klas.
Schrijf een dialoog.
Je moeder spreekt met jouw leerkracht L.O. (lichamelijke opvoeding) en laat haar weten dat je niet mee kunt doen want je hebt pijn in je schouder. Schrijf het gesprek tussen jouw moeder en leerkracht.
Je zus vraagt of je mee gaat zwemmen. Je kunt niet zwemmen, want je hebt je hand gebroken. Schrijf het gesprek met je zus.
Het is maandag. Bilal gaat met de fiets naar school. Hij krijgt een ongeluk. Bilala valt van zijn fiets. Hij valt op zijn schouder. Hij heeft veel pijn. Zijn moeder brengt hem naar de dokter. De schouder van Bilal is gebroken. Schrijf het gesprek tussen Bilal en de dokter tijdens het onderzoek.
Naar buiten!
Bel je huisarts in het weekend. Luister naar het antwoord apparaat. Welk nummer moet je bellen?
Ga naar een drogist (kruidvat bvb). Welke medicijnen kun je kopen bij een drogist?
Je hebt koorts. Ga naar een apotheek en vraag welke medicijnen je je kind kunt geegen.
Wanneer kun je je huisarts bellen? Vraag een folder met indormatie bij de assistente.
Welke sporten kun je spelen in jouw gemeentelijke sportzaal? Ga op visite en zie welke posters met informatie er omhoog hangen.
Schrijven (oefen totdat je mij kunt tonen dat je 50 % gehaald hebt)
Werkwoorden
Bronnen:
https://www.hetbegintmettaal.nl/wp-content/uploads/2021/08/Spreektaal-1_11-Gezondheid.pdf