1-2:
Woordenschat
neem de volgende Quiz over lichaamsdelen
Leer de niewe Woordenschat: Ziek Zijn
Maak een kopie van oefeningen en deel het met mij.
werk alle oefeningen af tot Bij de Huisarts
Zinsbouw
lees wat een Een bijzin is.
lees wat voegwoorden zijn
Open jouw kopie van Oefeningen van de vorige les.
werk alle oefeningen af.
Geel: bijzin
Groen: hoofdzin
Blauw: voegwoord
Gisteren voelde ik me niet goed omdat ik hoofdpijn had.
Mijn arm doet pijn omdat ik per ongeluk tegen de deur stootte.
Ik hou ervan om 's ochtends te strekken om mijn spieren wakker te maken.
Na het sporten voel ik vaak spierpijn, maar het is een goed teken dat mijn lichaam heeft gewerkt.
Mijn buurman heeft zijn enkel verstuikt tijdens het hardlopen in het park.
Tijdens de griep heb ik altijd last van keelpijn en een verstopte neus.
Het is belangrijk om regelmatig je tanden te poetsen voor een goede mondgezondheid.
Mijn zus draagt een bril omdat ze bijziend is en moeite heeft met zien op afstand.
In de winter draag ik altijd een sjaal om mijn nek warm te houden.
Ik vind het leuk om mijn voeten te laten weken in warm water na een lange dag werken.
Mijn zus, __________ in Amsterdam woont, is architect.
die
dat
waar
De man __________ naast mij zit, is mijn vader.
die
dat
waar
De jongen __________ een blauwe trui draagt, is mijn broer.
die
dat
waar
Mijn moeder, __________ heel goed kan koken, maakt vanavond het diner.
die
dat
waar
Het meisje __________ lang haar heeft, is mijn nicht.
die
dat
Waar
Gebruik de gegeven zin en voeg een bijzin toe.
Zin: Mijn vader heeft een hond.
Bijzin: __________.
Zin: Mijn broer speelt gitaar.
Bijzin: __________.
Zin: Mijn tante heeft een kat.
Bijzin: __________.
Zin: Mijn zus draagt een rode jurk.
Bijzin: __________.
Zin: Mijn opa is heel oud.
Bijzin: __________.
Vul de lege ruimte in met het juiste woord.
De vrouw __________ ik ken, is mijn moeder.
die
dat
waar
Het huis __________ mijn ouders wonen, is groot.
die
dat
waar
De jongen __________ naast me zit, is mijn neef.
die
dat
waar
Mijn oma, __________ van koken houdt, maakt heerlijke taarten.
die
dat
waar
De auto __________ mijn vader heeft, is rood.
die
dat
waar
Ik heb een hond __________ altijd blij is als ik thuiskom.
Hij heeft zijn jas verloren __________ hij naar de bioscoop ging.
Mijn zus eet geen vlees __________ ze vegetariër is.
We moeten haasten __________ we de trein missen.
De baby huilt __________ hij honger heeft.
Gebruik een voegwoord om een zin te maken.
We moeten wachten __________ we het restaurant kunnen binnengaan.
Ik neem altijd een paraplu mee __________ ik niet nat word als het regent.
Hij miste de bus __________ hij te laat opstond.
Ik hou van wandelen __________ het goed is voor mijn gezondheid.
Ik heb een vriend __________ altijd vriendelijk is tegen iedereen.
De man __________ naast mij zit, is mijn buurman.
Ik weet niet __________ je gisteren niet naar school kwam.
Het boek __________ ik aan het lezen ben, is heel interessant.
Ik begrijp niet __________ de leraar zo boos is.
Gebruik het gegeven vraagwoord om een zin te maken.
We zullen op restaurant gaan __________ je jarig bent
Ik weet niet __________ ik dit moet doen.
Vertel me __________ je verdrietig bent.
Bekijk de foto. Praat met je leerkracht.
Ben jij vaak ziek?
Wat heb je dan?
Wie zorgt er voor je als je ziek bent?
1. Ik heb drie handen.
2. Ik heb twee benen.
3. Een voet heeft acht tenen.
4. Ik heb één neus.
5. Ik heb drie knieën.
6. Mijn linkerhand heeft vijf vingers.
Ben je ziek?
Ja, ik heb hoofdpijn.
Wat vervelend!
En ik heb buikpijn.
Beterschap.
Bedenk zoveel mogelijk antwoorden. Waar heb je pijn? Ik heb pijn in m’n …… . Hoe voel je je? Ik voel mij ...... .
Paula: Hé Mirka, ben je ziek?
Mirka: Ja, ik heb pijn in mijn oor.
Paula: Heb je ook koorts?
Mirka: Nee, ik heb geen koorts.
Paula: Zal ik een paracetamol voor je pakken?
Mirka: Ja, graag.
Angelo: Hoi ……!
Ik: ……………………
Angelo: Hoe gaat het?
Ik: ……………………
Angelo: Wat heb je dan?
Ik: ……………………
Angelo: Heb je ook koorts?
Ik: ……………………
Angelo: Beterschap!
een ____ is wanneer je plotseling lucht uitblaast vanuit je keel als je ziek bent. Het klinkt alsof je keel schraapt en kan soms slijm bevatten.
_________ is wanneer je lichaam warmer wordt dan normaal omdat je ziek bent. Je voelt je heel warm en je kunt gaan zweten.
_________ is wanneer je pijn voelt in je lagere torso, alsof er iets binnenin niet goed voelt na het eten. Het kan zeer doen of een ongemakkelijk gevoel geven.
_____is wanneer de huid wordt gekwetst, waardoor er soms bloed uit komt. Het is een opening in de huid die pijn kan doen en kan bloeden.
________ is wanneer je eten of vloeistof uit je maag plotseling naar buiten komt via je mond. Het kan gebeuren als je lichaam iets niet prettig vindt of als je ziek bent.
Je kind is ziek.
Zij kan niet naar school.
Je belt de school.
Je vertelt dat je kind ziek is.
Voer het gesprek met de school.