Voorzetsels worden ook wel preposities genoemd en de afkorting van voorzetsels is VZ.
a Preposition
In de volgende zinnen zijn de voorzetsels (VZ) gemarkeerd:
Op de kast
Onder de kast
In de kast
Voor de kast
Achter de kast
Naast de kast
Tijdens de vergadering
Na de vergadering
Voor de vergadering
Halverwege de vergadering
Soms hoort een voorzetsel bij een werkwoord. Dit noem je dan een vast voorzetsel. Aan de hand van voorbeelden is het meestal wat makkelijker te begrijpen. Zie de volgende voorbeelden, de vaste voorzetsels zijn gemarkeerd:
Akkoord gaan met
Baat hebben bij
Betrekking hebben op
Confronteren met
Soms kan het zijn dat je een voorzetsel vindt in een zin, maar dat dit eigenlijk geen voorzetsel is. Dit is het geval bij scheidbare werkwoorden. Het voorzetsel hoort namelijk bij het werkwoord zelf.
Let op: het is in dit geval dus GEEN voorzetsel!
Zie ook het voorbeeld:
Nakijken – Ik kijk vanavond de toetsen na.
Het woordje ‘na‘ is in dit geval geen voorzetsel (VZ).
Nog meer voorbeelden:
Opnoemen – Noem eens de antwoorden op.
Opgeven – Ik geef het op.