1-2
Quiz: Bij de Huisarts
Niewe Woordenschat: De Apotheek
Open jouw kopie van Oefeningen van de vorige les.
Grammatica
ga naar jou kopie van de Oefeningen en werk de oefeningen af onder inversie en vragen.
3-4
Schrijf DRIE zinnen. Zet steeds een ander zinsdeel aan het begin van de zin.
We hebben een heerlijke soup in de kantine gegeten.
Gisteren hebben we een heerlijke soup in de kantine gegeten
Heerlijke soup hebben we gisteren in de kantine gegeten.
In de kantine hebben we gisteren een heerlijke soup gegeten.
Ik heb vorige week een goed boek op de boekenmarkt gekocht
De studenten hebben vanmorgen hun tentamen in de bibliotheek gemaakt
Ik heb de afspraak vanmorgen in mijn agenda gezet.
Henny is gisteren op de fiets naar de tandarts gegaan.
Ze heeft vanmiddag de kleren bij de stomerij opgehaald
Marja heeft voor ze wegging de computer op haar werk uitgezet
De student heeft na de les zijn studieboeken in zijn tas gedaan.
We nemen na het eten een toetje in de ijssalon.
Ik heb gisteren mijn sleutels in de stad verloren.
Maak een zin die begint met het woord/de woorden uit kolom A
Morgen
Morgen ga ik naar de kapper
In de bibliotheek
Om 10 uur
vanmorgen
Op de fiets
In het park
Volgend jaar
Met mijn zus
Om 2 uur
gisteren
Maak de volgende zinnen een vraagzin.
Marten heeft gisteren de sleutel aan Kees gegeven
Heeft Marten gisteren de sleutel aan Kees gegeven?
De man feeft de hele middag op de bank gezeten
Jullie hebben vanmorgen de koelkast schoongemaakt
Ilse heeft gisteren de bestelde boeken gekregen
We maken vandaag een tochtje naar Friesland
De gasten zitten rond de tafel te praten.
Je hebt de laatste boek van Baantjer gelezen
Die auto's staan al de hele dag voor de deur geparkeerd
De kersenbomen staan weer in bloei
Je hebt de tomaten in de koelkast gelegd
Reageer op de zin met een vraagzin met vraagwoorden.
Er ligt iets op tafel.
Wat ligt er op de tafel?
Martha is er niet.
Er komt vanmiddag een meneer langs.
Ik kom straks naar je toe.
Ik vind allebei de broeken leuk.
Dit is mijn vriendin.
Vul aan. Kijk hier voor de vraagwoorden
Uit ____________ land kom jij? Ik kom uit Spanje.
______________ woon je? Ik woon in Leuven.
________________ woon jij in Belgie? ?Ik woon al twee jaar in Belgie
_____________spreek je Nederlands? Ik spreek Nederlands in de klas.
_____________ hebben wij les? Jullie hebben les op vrijdag.
_____________ heet zij? Zij heet Yamina.
_____________ is dat? Dat is een vuilnisbak.
_____________ is dat? Dat is Lucy.
Bekijk de foto en schrijf een uitleg van wat je ziet (5 zinnen)
Wie zijn deze mensen?
Waar zijn ze?
Waar praten ze over?
Hoe gaat het met de vrouw rechts op de foto? Is ze blij?
Luister naar het gesprek In de Apotheek. Je hoort een medewerker van de apotheek en meneer Bakir.
Welke medicijn krijgt meneer Bakir?
Hoe moet hij die gebruiken?
Maak een lijst van all medicijnen in het nederlands die je kent.
Welke medicijnen kun je zonder een voorschrift kopen in de apotheek?
Welke medicijnen zijn vervelend om te gebruiken?
Welke medicijnen gebruik je zelf?
Luister naar het gesprek In de Apotheek. Je hoort een medewerker van de apotheek en Lana.
Voor wie is Lana aan het kopen?
Wat koopt Lana?
Wat waren de symptomen.
Welk woord hoort er niet bij?
de druppels – de pillen – het drankje – de buikpijn
beterschap – sterkte ermee – gefeliciteerd – het beste
de zalf – de rug – het been – de schouder
ziek – verkouden – misselijk - goedemorgen
Lees de volgende gespreken voor. Wat is er miss? Verbeter waar nodig.
Gesprek 1
Hallo, kan ik u helpen?
Heeft u voor mij een hoestdrankje?
Het is voor mijn dochter.
Hoe oud is ze?
Ze is zeven jaar.
Ze heeft griep.
Het beste met uw dochter.
Gesprek 2
Medewerker: Dag meneer.
Klant: Goedemorgen.
Medewerker: Zegt u het maar.
Meneer Bakir: Ik kom mijn oordruppels halen.
Medewerker: Wat is uw naam?
Meneer Bakir: Bakir.
Medewerker: Kunt u dat even spellen?
Meneer Bakir: B-A-K-I-R.
Medewerker: Een ogenblikje.
Maak het gesprek compleet.
Je bent in de apotheek. Je komt je medicijnen halen. Voer het gesprek met de medewerker van de apotheek.
Medewerker: Kan ik u helpen?
Ik: ………………………
Medewerker: Wat is uw naam?
Ik: ………………………
Medewerker: Kunt u dat even spellen?
Ik: ………………………
Medewerker:
Alstublieft, uw medicijnen.
Ik: ………………………
Medewerker: Heeft u nog vragen?
Ik: ………………………
Medewerker: Tot ziens.
Ik: ………………………
Je bent in de apotheek. Je hebt neusdruppels nodig voor je moeder. Voer het gesprek met de medewerker van de apotheek.
Medewerker: Goedemorgen.
Ik: ………………………
Medewerker: Zegt u het maar.
Ik: ………………………
Medewerker: Is het voor uzelf?
Ik: ………………………
Medewerker: Alstublieft.
Ik: ………………………
Medewerker: Ze mag de druppels maximaal drie keer per dag gebruiken. Ik: ………………………
Medewerker: Goedemiddag! Ik: ………………………
. Je bent ziek. Je hebt koorts, je bent misselijk en je moet steeds overgeven. De dokter heeft je een recept voorgeschreven voor maagtabletten. Ga naar de apotheek en haal je medicijn. Voer het gesprek met de medewerker van de apotheek.
Vul aan:
Een ___________ verstrekt medicijnen en advies
De ________ laat me weten hoeveel van een medicijn ik moet nemen.
In de apotheek vragen ze meestal voor een _________ van de dokter voor ze de medicijnen geven.
Een _________ smeer ik op mijn arm
Als mijn been gebroken is word er een gips __________