De Oude Talen onderzocht
De naam “rederijker” komt van het Middelnederlandse woord “rhetorike,” wat “retorica” of “welsprekendheid” betekent. Rederijkers waren dus beoefenaars van de kunst van de retorica, oftewel de kunst van het spreken en schrijven op een overtuigende en kunstzinnige manier. De Renaissance en opkomst van het Humanisme schiepen een hernieuwde interesse naar de klassieke oudheid en een ontworsteling uit de Middeleeuwse anonimiteit. De rederijkers waren amateurdichters en voordrachtkunstenaars die zich vanaf de late middeleeuwen organiseerden in verenigingen, bekend als de "Rederijkerskamers". Deze kamers ontstonden in Vlaanderen en Brabant en speelden een belangrijke rol in het literaire leven van de steden. De rederijkers beoefenden zowel lyrische als godsdienstig-dramatische poëzie en organiseerden regelmatig dichtwedstrijden en toneelopvoeringen. Wat betreft de dichtvormen, waren de rederijkers gespecialiseerd in verschillende soorten gedichten, waaronder: rondeel: gedicht met herhalende regels; ketendicht: gedicht waarbij de laatste regel van een strofe de eerste regel van de volgende strofe is; en acrostichon: gedicht waarbij de eerste letters van elke regel of strofe een woord of zin vormen. Tijdens de zogenaamde ‘landjuwelen’ kwamen verschillende rederijkerskamers bijeen om met elkaar te concurreren in dicht- en toneelwedstrijden. De Protestanten vonden bij hun eigen rederijkerskamers, overwegend in herbergen, een redelijk toegankelijke manier om te protesteren in veelal opruiende proteststrofen, gericht tegen de katholieke onderdrukking.
© 2016 F.N. Heinsius