De Oude Talen onderzocht
Gebruikelijke benaming voor de periode van de West-Europese geschiedenis tussen 500 en 1500. Term werd voor het eerst gebruikt door de humanisten van de Italiaanse Renaissance. Zij beschouwden de Middeleeuwen als een tijdperk van oorlog en cultureel verval, dat inzette met de val van het Romeinse Rijk in 567 n. Chr. en eindigde met de herwaardering van de klassieke beschaving bij de Renaissance. Over het algemeen worden de Middeleeuwen ingedeeld in drie perioden: Vroege Middeleeuwen van 500- 1100, Hoge Middeleeuwen van 1100-1300 en Late Middeleeuwen van 1300-1500. De Vroege Middeleeuwen worden ook wel Duistere Middeleeuwen genoemd, daar men van mening is dat de Europese beschaving in deze tijd een cultureel dieptepunt doormaakte. Na het Romeinse Rijk werd de klassieke beschaving niet overgenomen, zodat deze in het Westen voor een groot deel verloren ging. Er werd in de Lage Landen voornamelijk een Germaanse taal gesproken, die later evolueerde tot wat we nu kennen als het Nederlands. Echter, Latijn speelde ook een belangrijke rol, vooral in de kerk, wetenschap en administratie. Grieks was minder gebruikelijk en werd voornamelijk doorgeleerd in academische kringen. De Lage Landen waren een smeltkroes van verschillende culturen en invloeden. Terwijl de lokale bevolking hun eigen Germaanse dialecten sprak, werd het Latijn gebruikt voor officiële en religieuze doeleinden. Tijdens de Hoge Middeleeuwen kwam de West-Europese cultuur voor de eerste maal tot grote bloei. Aan de oorsprong hiervan lag een sterke groei van de bevolking, die zich kon voortzetten doordat aan de vraag naar meer voedsel kon worden voldaan. De hoeveelheid landbouwgrond werd door ontginning en inpoldering aanzienlijk uitgebreid en ook door verbeterde verbouwingsmethoden steeg de opbrengst. In de Vroege Middeleeuwen werd het geproduceerde ter plaatse geconsumeerd, maar nu werd het overschot van de oogst aangeboden op regionale markten. Het wegenstelsel werd verbeterd en rondom de marktplaatsen ontwikkelden zich nieuwe steden, waarbinnen ook de nijverheid werd geconcentreerd. In het verlengde van de regionale handel leefde ook de internationale handel op. Deze economische bloei had zijn weerslag ook op cultureel terrein: oprichting van universiteiten, herleving van het Romeinse recht, de bouw van kathedralen, en de opkomst van literatuur. Na de Middeleeuwen heeft men vanaf de Renaissance de Nieuwe Tijd.
© 2016 F.N. Heinsius