Om elk onderdeel in het hele constructieplan te kunnen identificeren werd gebruik gemaakt van telmerken. Omdat de constructie-elementen op atelier en niet op de bouwwerf zelf gemaakt werden en omdat de positie van elk onderdeel in de constructie uniek is, moest men een systeem vinden waarmee elk onderdeel in het gehele constructieschema kon worden geïdentificeerd. Na het vervaardigen van de constructie in het atelier en na het vervoer van de gedemonteerde onderdelen naar de bouwwerf kon men dan de onderdelen van de constructie makkelijk terugplaatsen in het constructiegeheel om ze definitief met elkaar te vergaren.
Men kende verschillende systemen van telmerken. Ze verschillen in tijd en ruimte en worden volgens verschillende denkpatronen op de constructie aangebracht. Het ‘Vlaamse systeem’ identificeert elk onderdeel volgens een numeriek systeem dat gelijkt op Romeinse cijfers. Zo werd één aangegeven met een verticaal streepje I, twee met twee streepjes naast elkaar II, drie met drie streepjes III, vier met vier streepjes IIII. Het vijfde element werd voorgesteld als een hoofdletter V of de omgekeerde vorm ervan. Zes werd dan het teken V met één streepje daarnaast VI. Tien werd voorgesteld als één streepje dwars over een schuin balkje, net als de letter X. Elf werd dan dit teken voor tien met daaraan toegevoegd de I van één namelijk X I. Voor vijftien werd binnen het teken voor tien een omgekeerde letter V ingebouwd. Twintig is dan weer twee schuine strepen over het schuin balkje van de tientallen. Men identificeerde hogere getallen door telkens rond de symbolen voor de tien- en vijftientallen streepjes toe te voegen volgens een optellingsysteem. Voor 50 en 100 zijn bijzondere symbolen gebruikelijk. Soms gebruikt men in de plaats van streepjes, cirkeltjes of andere tekens. Het systeem blijft echter hetzelfde. Voor het onderscheid tussen de linkse en rechtse positie van eenzelfde soort van onderdelen in een gebint werd aan één van beide kanten, consequent in heel het telmerkensysteem, een beentje toegevoegd aan het telmerk.
Drie dingen zijn nog belangrijk: de techniek waarmee de telmerken werden aangebracht, het identificeren van de linkse en de rechtse positie van eenzelfde soort balken in eenzelfde gebint en de plaats waar de tekens werden aangebracht.
De oudste tekens werden met een haalmes in de balk geritst. Later (16de eeuw) hakt men ze met een beitel of slaat men ze in met het blad van een timmermansbijl. Soms worden ze met een zaag over de ganse balkbreedte aangebracht. In de 19de eeuw worden ze dikwijls met rood krijt aangeduid.
De telmerken werden op de constructiezijde van het gebint of van de wand aangebracht, m.a.w. de kant waar de timmerman de vergaringen maakte. Je kunt het de voorkant noemen. Deze ‘voorkanten’ of constructiezijden van de gebinten zijn niet allemaal in dezelfde richting in één gebouw opgericht: zo kunnen bijvoorbeeld in een dwarse schuur twee constructiezijden of twee ‘voorkanten’ tegenover elkaar, aan weerszijden van de dorsvloer opgesteld staan. Dit zegt een en ander over de manier waarop de gebinten opgericht werden.
Men bracht de telmerken aan volgens verschillende denkpatronen. Voor gebinten van huis – en dakstoel zal men doorgaans elk van de onderdelen nummeren met aanduiding voor links en rechts (waar het onderscheid nodig is). Het eerste gebint draagt op al zijn componenten het teken I, het tweede het teken II , het derde III en zo door tot het laatste gebint in de reeks. In wanden werd soms elk vak en in elk vak elke wandregel genummerd. Soms ontmoet men op elke wandregel een richtingsteken: twee elkaar kruisende benen van twee omgekeerde letters V. Soms werd binnen de omgekeerde V de verschillende wandregels genummerd. In wanden werden doorgaans de windschoren en windbanden doorlopend genummerd, al dan niet voorzien van het beentje voor de aanduiding van de linker of rechter gevel. Kepers in de dakspanten van de 12de eeuw tot de vroege 16de eeuw werden doorlopend genummerd.
Het komt erop aan alle tekens in een houten constructie op te tekenen. Zo wordt het ganse constructieplan duidelijk. Onderbrekingen of inconsequenties in de reeks maken duidelijk welke onderdelen in een latere fase in het gebouw werden ingevoegd. Hier wordt de consequentie van de telmerken en de toepassing van verbindingstechnieken een hulpmiddel om de geschiedenis van het gebouw te helpen ontdekken. Men kan immers geen nieuwe pen- en gatverbindingen in een bestaande constructie maken zonder het gebouw gedeeltelijk uit elkaar te nemen. Nieuwe constructies werden doorgaans met een lip op de bestaande constructies genageld.
(Tekst en foto's overgenomen uit cursusmateriaal van Marc Laenen, schema's van telmerken uit Merk op hout van Dr. ing. H.Janse))