Om de “mening” van een bepaald persoon en hoe hij zich tegenover de levensvragen stelt, op het spoor te komen, en eerst recht om de zin van het leven zelf te ontdekken, zal men geen middel onbeproefd willen laten. De opvatting van een bepaald persoon over de zin van het leven is van groot belang, want zij is het richtsnoer voor zijn denken, voelen en handelen. De ware zin van het leven komt tot uiting in de weerstand, die de werkelijkheid aan het onjuiste handelen biedt. Tussen deze twee gegevens: de privé-intelligentie van het individu en de ware zin van het leven, speelt zich de taak af van verbetering, opvoeding en genezing.
De kennis betreffende de individuele mens is zo oud als de wereld. De geschied- en persoonsbeschrijving bij oude volken, in de Bijbel, bij Homerus, Plutarchus, Griekse en Romeinse dichters, in sagen, fabels en mythen, leggen getuigenis af van een diepgaande kennis over personen. Tot voor kort waren het vooral dichters, wie het gelukte de levensstijl van een mens op het spoor te komen. Wat wij het meest in hen bewonderen is hun vermogen de mens als een ondeelbaar geheel te laten leven, handelen en sterven, in volstrekte overeenstemming met de eisen van zijn levenssfeer. Zonder twijfel zullen er ook mensen uit het volk zijn geweest, die de anderen in mensenkennis vooruit waren en hun ondervinding aan het nageslacht overleverden. Wat hen allen zo deed uitblinken was het diepe inzicht in de samenhang van de menselijke drijfveren, een vermogen dat alleen uit hun belangstelling in de mensheid kon ontstaan. Deze grotere ervaring, dit diepere inzicht dankten zij aan hun gemeenschapsgevoel. Om de onberekenbare en oneindig verschillende uitdrukkingsvormen zo te kunnen beschrijven, dat anderen, zonder de hulp van meten en wegen, in staat waren ze te begrijpen, konden zij de gave van het raden en vermoeden niet ontberen. Alleen daardoor was het hun mogelijk te ontdekken wat achter en tussen de uitdrukkingsvormen verborgen is: de bewegingswet van het individu. Sommigen noemen deze gave intuïtie’’ en menen, dat deze alleen aan grote geesten gegeven is. In werkelijkheid is zij echter algemeen menselijk en gebruikt een ieder haar onafgebroken, zowel in de chaos van het heden als in het ondoorgrondelijke van de toekomst.
Daar elke taak, die ons wordt opgelegd, het zij groot of klein, steeds nieuw en telkens anders is, zouden wij telkens in nieuwe fouten verwikkeld worden, wanneer wij ze volgens een vast schema, bijvoorbeeld volgens “voorwaardelijke reflexen” zouden moeten oplossen. De onophoudelijke verandering van de situatie stelt de mens echter de eis zijn vroeger aangenomen gedragslijn telkens aan nieuwe omstandigheden te toetsen. Zelfs bij het kaartspelen zou men met voorwaardelijke reflexen niet veel uitrichten. Alleen het “raden” stelt ons in staat nieuwe problemen op te lossen. Dit vermogen heeft echter vooral degene, die een medespeler, een medemens is, die belangstelling heeft voor de juiste oplossing van de problemen, welke de mensheid betreffen. Het is hem tot een tweede natuur geworden om bij de beoordeling van het menselijke gebeuren steeds het oog op de toekomst te richten, onverschillig of hij de geschiedenis van de mensheid of het lot van de enkeling onderzoekt.
De psychologie bleef een vrij onschuldig vermaak totdat de filosofie zich over haar ontfermde, want in de filosofie en in de antropologie van de filosofen zijn de wortels van de wetenschappelijke mensenkennis te vinden. In de velerlei pogingen om al het psychische gebeuren in een alles omvattende wetmatigheid samen te brengen, kon men op de duur het “individu” niet over het hoofd zien. De opvatting, dat alle uitdrukkingsvormen van het individu in één, alles samenvattend verband behoorden, werd tot een onomstotelijke waarheid. De toepassing van algemene natuurwetten ook op de menselijke natuur deed verschillende standpunten rijpen en de ondoorgrondelijke onbekende, besturende kracht werd door Kant, Schelling, Hegel. Schopenhauer, Hartman, Nietzsche en anderen in een onbewuste aandrang gezocht, die nu eens “zedelijkhefdswet”, dan eens, “wil”, “streven naar macht” of het “onbewuste” genoemd werd. Naast de toepassing van de natuurwetten op het menselijke gedrag, kwam ook de introspectie in ere. Deze methode geraakte echter spoedig en terecht, weer in diskrediet, omdat van de mens niet mocht worden verwacht, dat hij over deze introspectie objectief getuigenis zou kunnen afleggen.
In het ontwikkelingstijdperk van de techniek kwam de experimentele methode in zwang. Met behulp van toestellen en zorgvuldig opgestelde vragen werden onderzoekingen ingesteld die ons over de werking van de zintuigen, over intelligentie, karakter en persoonlijkheid moesten inlichten. Daarbij ging echter het inzicht in de samenhang van de persoonlijkheid verloren of kon slechts door een aanvullend raden en vermoeden verkregen worden. De later op het toneel verschijnende erfelijkheidsleer maakte het zichzelf gemakkelijk en vond voldoening in de veronderstelling, dat het op het bezitten of niet bezitten van eigenschappen zou aankomen en niet op het gebruik. Op hetzelfde kwam ook de leer van de invloed van de endocriene klieren neer, die echter alleen in zeer speciale gevallen, waarbij gevoelens van minderwaardigheid en hun compensatie bij personen met minderwaardige endocriene organen in het spel waren, toepasselijk was.
Een ware opbloei beleefde de psychologie in de psychoanalyse, die in de seksuele libido weer een almachtige beker over het mensenlot deed opstaan en de mensen de verschrikkingen van de hel in het”onbewuste” en van de erfzonde in het “schuldgevoel” zorgvuldig afschilderde.
De veronachtzaming van de hemel werd later, in navolging van het “ideale doel van de volkomenheid” van de Individualpsychologie, door de invoering van het “ik-ideaal” weer goed gemaakt Niettemin betekende de psychoanalyse een hoogst belangrijke poging om tussen de regels van het bewustzijn te lezen en was ze een stap voorwaarts op de weg, die tot de wederontdekking van de levensstijl, van de bewegingslijn, van de zin van het leven, zou voeren; zonder dat deze eindpaal echter door haar, in seksuele metaforen zwelgende, schepper werd opgemerkt. Bovendien was de psychoanalyse bijna geheel in de sfeer van het verwende kind bevangen, zodat de psychische structuur haar steeds als een spiegelbeeld van dit mensentype voor de geest zweefde en de met de menselijke evolutie samenhangende diepere structuren haar geheel ontgingen. Haar voorbijgaand succes had zij aan de ontvankelijkheid van de grote massa verwende mensen te danken, die gewillig de psychoanalytische opvattingen als algemeen geldend accepteerden en hun eigen levensstijl door haar bevestigd zagen. De techniek van de psychoanalyse was er van het begin af op gericht om met taai geduld de betrekking tussen uitdrukkingsbewegingen en ziekteverschijnselen tot de seksuele libido op te sporen en het gedrag afhankelijk van een inherente sadistische aandrift te doen schijnen. Dat dergelijke sadistische verschijnselen slechts uitvloeisels van een kunstmatig gekweekt ressentiment bij verwende kinderen zijn, kwam eerst met behulp van de individualpsychologische inzichten aan het licht. Toch wordt er ook in de psychoanalyse wel met het evolutionaire moment rekening gehouden, maar slechts vaag en onvoldoende en op een verkeerde en pessimistische manier. Daarbij wordt de dood als het doel van de vervulling voorgesteld en niet de actieve aanpassing, maar een wegsterven nagestreefd. Hierbij wordt verwezen naar de, hoewel betwistbare, tweede grondwet van de fysica.
De Individualpsychologie staat geheel op de bodem van de evolutie (“Studie über Minderwertigkeit der Organe”. 2e druk. Bergmann. München) en ziet in het licht daarvan elk menselijk streven als een streven naar volkomenheid. Zowel lichamelijk als geestelijk is de levensdrang onwrikbaar aan dit streven gekoppeld. Voor ons kenvermogen doet dus iedere uitdrukkingsvorm zich als een beweging voor, die van een minus naar een plussituatie voert. De richting, de bewegingswet, die ieder individu in het begin van zijn leven zelf kiest, betekent het in een betrekkelijke vrijheid gebruik maken van aangeboren eigenschappen en mogelijkheden, ook van de eerste indrukken uit zijn omgeving en is voor ieder individu verschillend in tempo, ritme en richting. Steeds met zijn onbereikbaar volkomenheidsideaal voor ogen, wordt het individu voortdurend door een gevoel van minderwaardigheid vervuld en daardoor voortgedreven. Wij mogen aannemen, dat iedere menselijke bewegingswet, “sub specie aeternitatis” en van het fictieve standpunt van een volstrekte juistheid gezien, een fout bevat.
In iedere cultuurperiode vormt zich dit ideaal binnen de draagwijdte van haar gevoel- en gedachtewereld. Wat voor het heden geldt, geldt ook voor het verleden; steeds kunnen wij het tijdelijke, vergankelijke niveau van het menselijke bevattingsvermogen aan de aard van dit ideaal meten en wij moeten dit vermogen wel diep bewonderen, omdat het telkens voor onafzienbaar lange tijden bruikbare idealen voor de samenleving verschaft heeft. Een “Gij zult niet doden” of “Hebt uw naaste lief” kan uit de opperste instantie van ons weten en voelen wel nimmer meer verdwijnen. Deze en andere normen van de menselijke samenleving zijn allen producten van de evolutie en in de menselijke natuur zo vast verankerd als het ademen en de opgerichte gang. Men zou ze in hun voortschrijdende opeenvolging kort kunnen samenvatten in de idee van een ideale menselijke gemeenschap. Deze idee kunnen wij zuiver wetenschappelijk zien als een evolutionaire drang of als een evolutionair doel. Zij geeft aan de Individualpsychologie het richtsnoer in handen, waaraan alle andere doelstellingen en bewegingsvormen op hun juistheid of onjuistheid kunnen worden getoetst. Op dit punt wordt de Individualpsychologie “waardepsychologie”, evenals de medische wetenschap (die eveneens de evolutie bevordert) bij haar onderzoekingen en conclusies een normatieve wetenschap is.
“Minderwaardigheidsgevoel”, “streven naar overwinning van hinderpalen” en “gemeenschapsgevoel”, deze grondpeilers van het Individualpsychologisch onderzoek, zijn bij de beschouwing van het individu of van de massa niet weg te denken. Men kan de erkenning van hun bestaan trachten te ontlopen of te verdoezelen; men kan beproeven ze door haarkloverij weg te praten, maar men kan ze niet uitwissen. Iedere passende beschouwing van de persoonlijkheid moet op de een of andere wijze met deze feiten rekening houden, zal moeten aangeven hoe het met het minderwaardigheidsgevoel, met het streven naar overwinning van moeilijkheden en met het gemeenschapsgevoel gesteld is. Maar evenals verschillende culturen uit de drang naar evolutie verschillende idealen en onjuiste wegen abstraheerden, zo doet ook ieder individu op zijn beurt hetzelfde.
Het in de stroom van de algemene ontwikkeling door denken en voelen opbouwen van een levensstijl, is de taak van het kind. Als maatstaf van zijn krachten dient hem daarbij zijn tastend beproefd en bij benadering geschat prestatievermogen in een, oorspronkelijk eng begrensd en alles behalve neutraal milieu, dat daarom slechts een zeer gebrekkige voorschool voor het leven kan zijn. Bouwend op een subjectieve indruk, dikwijls geleid door onbeduidende successen of tegenslagen, zoekt het kind zich een weg, een doel en een uitbeeldingvorm voor een in de toekomst gelegen verheffing uit zijn minderwaardigheid. Alle middelen van de Individualpsychologie, die tot het juiste begrip van een persoonlijkheid moeten leiden, houden dan ook rekening met de “mening” van het individu over het einddoel van meerwaardigheid, met de sterkte van zijn minderwaardigheidsgevoel en met de graad van zijn gemeenschapsgevoel. Bij nader inzicht in de onderlinge verhouding van deze factoren blijkt, dat zij allen op de aard en de graad van het gemeenschapsgevoel zijn terug te brengen. De toetsing van het gemeenschapsgevoel heeft op dezelfde wijze plaats als in de experimentele psychologie of bij het functionele onderzoek in de gewone geneeskunde. Het grote verschil is echter, dat hier het leven zelf het onderzoek instelt, wat de innige verbondenheid van het individu met de levensvragen bewijst. De totaliteit van het individu kan namelijk onmogelijk uit de samenhang van het leven - beter uitgedrukt van de samenleving - worden gelicht. Hoe hij zich echter tegenover deze samenleving heeft ingesteld wordt verraden door zijn levensstijl. Hierom kan het experimentele onderzoek, dat in het gunstigste geval toch slechts op onderdelen van deze verhouding betrekking heeft, niets over het karakter en evenmin iets over toekomstige prestaties in de samenleving constateren. En ook de “Gestaltpsychologie” heeft, om over de houding van het individu tegenover het levensproces tot een uitspraak te komen, een aanvulling door de Individualpsychologie nodig.
De techniek van de Individualpsychologie tot opsporing van de levensstijl, veronderstelt daarom in de eerste plaats de kennis van de problemen en van de eisen welke aan het individu gesteld worden en wij zullen bemerken, dat de oplossing van deze vragen een zekere mate van gemeenschapsgevoel vooropstelt. Een aangesloten-zijn aan de volheid van het leven, een geschiktheid tot samenwerking en medemenselijkheid. Ontbreekt deze geschiktheid, dan zal men het versterkte minderwaardigheidsgevoel en zijn gevolgen in talloze variaties (grof getekend als talmende houding en poging tot ontwijken) kunnen waarnemen. De daarmede samenhangende geestelijke en lichamelijke verschijnselen heb ik als “minderwaardigheidscomplex” aangeduid. Het nooit rustende streven naar macht en overwicht tracht dit complex door een “meerwaardigheidscomplex” te bemantelen, dat steeds buiten het gemeenschapsgevoel om de schijn van een persoonlijke meerderheid najaagt. Is men nu over alle verschijnselen, die bij een mislukking optreden, in het reine, dan behoort het onderzoek zich op de oorzaken te richten, die in de vroegste jeugd de juiste voorbereiding voor het leven in de weg stonden. Zo te werk gaande gelukt het om een getrouw beeld van de gehele, samenhangende levensstijl van een individu en in geval van mislukking terzelfder tijd een indruk van de graad van de afwijking te verkrijgen. Deze doet zich steeds als een tekort in het aanpassingsvermogen aan de samenleving aan ons voor
De taak van de opvoeder, de onderwijzer, de geneesheer, de zielzorger is hiermede tevens gegeven. Het doel moet zijn het gemeenschapsgevoel, en daardoor de moed, te vergroten door de werkelijke oorzaken van de mislukking bloot te leggen. Door het juiste inzicht te wekken omtrent de verkeerde betekenis, die het individu aan het leven heeft toegekend, wordt hij in staat gesteld om zich een beter oordeel te vormen over de zin die aan het leven van de mens in werkelijkheid toekomt.
Deze taak is alleen te volbrengen door hen, die over een gedegen kennis van de levensproblemen beschikken en de te geringe inslag van het gemeenschapsgevoel in minder- en meerwaardigheidscomplex en in alle andere vormen van menselijk falen weten te herkennen. Daarenboven is een grote mate van ervaring nodig om de omstandigheden en situaties op te sporen, welke de ontplooiing van het gemeenschapsgevoel in de jeugd hebben verhinderd. De volgens mijn ervaring meest doeltreffende toegangswegen, worden ons verschaft door een juist inzicht in de betekenis van de eerste jeugdherinneringen, van de positie van het kind tussen de andere leden van het gezin, van eventuele kinderfouten, van dag- en nachtdromen en van de aard van de exogene, ziekteverwekkende factor.
Alle uitkomsten van zo’n onderzoek, dat zich ook tot de houding van de onderzochte ten opzichte van de arts uitstrekt, moeten met grote voorzichtigheid beoordeeld en gewogen worden en de richting van hun beweging dient steeds op gelijkvormigheid met die van andere bevindingen te worden getoetst
Lees verder: De levensvragen