Men zal bij het onderzoek naar de omstandigheden die de ontwikkeling van het gemeenschapsgevoel in de kindertijd beïnvloeden steeds op dezelfde problemen stoten, die de ontplooiing ervan bemoeilijken en heel dikwijls verhinderen. Deze zijn: verwenning, aangeboren orgaanminderwaardigheid en verwaarlozing of achteruitzetting. De werkzaamheid van deze factoren is niet alleen door hun intensiteit of graad, evenmin door hun duur of het tijdstip van hun begin of einde verschillend, maar is vooral afhankelijk van de nagenoeg geheel onberekenbare reactie, die zij bij het kind teweegbrengen. Welke houding het kind tegenover deze feiten aanneemt hangt niet uitsluitend van zijn “trial and error” af, maar veel meer, zoals bewezen kan worden, van de groei-energie van het kind, van zijn scheppende kracht, welke een deel is van het levensproces. De ontplooiing van dit scheppend vermogen zelf is weer in onze, het kind nu eens gunstig dan weer ongunstig beïnvloedende, cultuur nagenoeg onberekenbaar en slechts uit de resultaten te herkennen. Wil men hier gissenderwijs verder komen, dan dient men een groot aantal factoren in aanmerking te nemen: familiaire eigenschappen, licht, lucht, jaargetijde, temperatuur, geluiden, contact met geschikte of ongeschikte personen, klimaat, bodemgesteldheid, voeding, het endocriene systeem, eigenschappen van het spierstelsel, tempo van de lichamelijke ontwikkeling, ook het leven voor de geboorte, de aard van de hulp en verzorging door de familie gegeven en nog veel meer.
In deze verwarrende veelheid van feiten zal men geneigd zijn nu eens gunstige, dan weer ongunstige factoren te herkennen. Wij zullen er ons voorlopig mee vergenoegen zeer voorzichtig een statistische waarschijnlijkheid te veronderstellen, zonder de mogelijkheid van afwijkende resultaten te ontkennen. Op veel vaster bodem staan wij, wanneer wij niet de zo-even genoemde factoren zelf, maar het resultaat van hun werkzaamheid in het oog vatten, want het zijn deze resultaten, die voor beïnvloeding en verandering in ruime mate vatbaar zijn. Het erin aan den dag tredende scheppende vermogen kan in alle belangrijke zowel als onbelangrijke werkzaamheden van lichaam en geest met voldoende zekerheid worden vastgesteld.
Wij mogen echter niet voorbijzien, dat reeds de eerste levensdag van het kind op zijn neiging tot coöperatie een beroep wordt gedaan, waarbij de grote betekenis van de moeder sterk op de voorgrond treedt. Zij staat aan de drempel van de ontwikkeling van het gemeenschapsgevoel, dat als biologische erfenis op haar verzorging wacht. Door kleine handreikingen, bij het baden, bij allerlei hulp, die het hulpeloze kind nodig heeft, kan zij haar contact met het kind bevorderen of tegengaan. Haar houding tegenover hem, haar begrip en handigheid zijn daarbij belangrijke factoren. Ook op dit gebied is het wel zeker, dat de hoogte van de evolutie, van de beschaving, door traditie en gewoonte een juist evenwicht kan begunstigen, terwijl het kind zelf, aanwezige hindernissen ten spijt, het contact door schreien en weerspannigheid kan afdwingen.
In de moeder leeft echter de biologisch verworven moederliefde als een onverwoestbaar deel van het gemeenschapsgevoel. Deze liefde kan wel door bepaalde omstandigheden, door drukkende zorgen of teleurstellingen, door ziekte of leed, ook door een groot gebrek aan gemeenschapsgevoel, braak komen te liggen, maar gewoonlijk is bij mens en dier de moederliefde zo sterk, dat zij de voedings- en seksuele driften te boven gaat. Men mag wel aannemen, dat het moederlijk contact voor de ontwikkeling van het gemeenschapsgevoel van de grootste betekenis is. Wanneer wij van deze machtige hefboom voor de ontwikkeling van het individu afstand deden, zouden wij er moeilijk een ook maar ten dele gelijkwaardig surrogaat voor kunnen terugvinden, nog afgezien van het feit, dat het moederlijk gevoel, als onuitwisbaar resultaat van de evolutie, zich tegen deze vernietiging verbitterd zou teweerstellen.
Waarschijnlijk danken wij aan het moederlijk contactgevoel het grootste deel van het menselijk gemeenschapsgevoel en daarmede tevens van het wezenlijke van ons cultuurbezit. Ook al is het tegenwoordige effect van de moederliefde nog ontoereikend voor de nood, waarin de gemeenschap verkeert. In een verre toekomst zal dit bezit nog in veel groter mate aan het gemeenschapsideaal dienstbaar moeten worden gemaakt. Want niet zelden is het contact tussen moeder en kind te zwak, nog vaker te sterk. In het eerste geval kan het kind van de aanvang af een vijandige indruk van het leven verkrijgen en door het verzamelen van gelijksoortige ervaringen deze mening tot richtsnoer van zijn leven maken.
Zoals ik dikwijls heb opgemerkt, kan ook een goed contact met de vader of de grootouders zo’n gebrek niet goedmaken. In het algemeen kan men zeggen, dat het betere contact van een kind met zijn vader een tekortkoming van de moeder bewijst en bijna altijd een tweede fase in het leven van het kind betekent, dat zich - terecht of ten onrechte - in zijn moeder teleurgesteld heeft gezien. Dat men dikwijls bij meisjes een sterker contact met de vader vindt en bij jongens met de moeder, heeft niets met seksualiteit te maken, maar moet op het bovengenoemde feit onderzocht worden. Daarbij zal tweeërlei aan het licht komen: dat vaders dikwijls tegenover meisjes veel vriendelijker zijn, zoals zij tegenover het vrouwelijk geslacht nu eenmaal gewoon zijn, en dat meisjes zogoed als jongens in speelse voorbereiding van de toekomst, evenals bij elk ander spel (S. Groos. “Spiele van de Kinder”), deze voorbereiding ook in hun verhouding tot het ouderdeel van het andere geslacht aan de dag leggen.
Dat de geslachtsdrift soms daarbij betrokken wordt (hoewel zelden in die mate, als Freud het doet voorkomen), heb ik alleen waargenomen bij zeer verwende kinderen, die hun gehele ontwikkeling binnen het gezin, of zelfs in uitsluitend contact met een enkele verwennende persoon, willen doormaken. De sociale taak van de moeder bestaat daarin, dat zij het kind zo vroeg mogelijk tot een medewerker, een medemens maakt, die graag helpt, maar zich ook graag, wanneer zijn eigen krachten onvoldoende zijn, laat helpen. Men zou over het goed “afgestemde” kind boekdelen kunnen vullen. Hier beperken wij er ons toe, er op te wijzen, dat het kind zich als een gelijkgerechtigd deelgenoot van het gezin moet leren beschouwen en een groeiende belangstelling voor ouders. broers en zusters, spoedig ook voor andere personen uit zijn omgeving. aan de dag behoort te leggen. Dan zal het al vroegtijdig voor de anderen geen last, maar een medespeler zijn. Zo’n kind zal zich spoedig “thuis” voelen en uit het goede contact met zijn omgeving moed en vertrouwen putten. Storingen, die het aanvankelijk nog veroorzaakt door een al of niet bedoelde verkeerde functie van zijn organen, zoals bedwateren of moeilijkheden met de voeding, zullen voor hem, evenals voor zijn omgeving, een oplosbare taak zijn en dan ook, wanneer de neiging tot coöperatie voldoende is, binnen de normale tijd verdwenen zijn. Hetzelfde geldt voor duimzuigen, nagelbijten, in de neus peuteren en slechte tafelmanieren. Al deze verschijnselen treden alleen op, indien het kind weigert om mee te werken en de cultuur in -zich op te nemen. Meestal zijn het verwende kinderen, die door dit alles hun omgeving tot een verhoogde inspanning, tot groter vlijt willen dwingen. Dit gaat steeds met een open of geheime weerspannigheid gepaard en verraadt dus een duidelijk gebrek aan gemeenschapsgevoel.
Sinds vele jaren heb ik op deze fouten gewezen. Indien Freud in de laatste tijd de grondslag van zijn leer, het panseksualisme, heeft trachten te verzachten, dan hebben onze ervaringen het grootste aandeel aan deze correctie gehad. De veel latere opvatting van Charlotte Bühler betreffende een normaal stadium van weerspannigheid bij het kind, dient eveneens gecorrigeerd te worden, want uit de hierboven door ons ge- schilderde structuur volgt vanzelf, dat alle kinderfouten samenhangen met bepaalde karakterfouten als weerspannigheid, naijver, eigenliefde, zelfzucht, eerzucht, wraakzucht enz. en deze samenhang ook zullen tonen. Het bevestigt ook onze opvatting van het karakter als een richtlijn naar het doel van de superioriteit als een afspiegeling van de levensstijl en als een vorm van de sociale betrekkingen. Het is niet aangeboren, maar wordt in aansluiting aan de door het kind geschapen bewegingswet gevormd. Aan het feit, dat sommige kleine kinderen aan de waarschijnlijk aangename sensaties vasthouden, die met het kinderlijk spel met de geslachtsdelen, met het ophouden van de ontlasting, het duimzuigen verbonden zijn - wat misschien soms door een meer of minder sterk en voor verdwijning bestemd prikkelend gevoel wordt ingeleid - herkennen wij het verwende kind, dat zich geen enkele wens of geen genot kan ontzeggen.
Een ander struikelblok voor de ontwikkeling van het gemeenschapsgevoel is de persoonlijkheid van de vader. De moeder mag hem niet beletten om zijn contact met het kind zo sterk mogelijk te maken, wat gemakkelijk kan plaats vinden, wanneer zij het kind te sterk verwent of indien zij zelf met de vader weinig contact heeft of een afkeer van hem heeft.
Zij mag hem ook niet als boeman gebruiken of als strafrechter laten optreden. Zijnerzijds moet hij genoeg warmte en tijd aan het kind geven, opdat de moeder hem niet door zijn eigen schuld op de achtergrond dringt. Het is verkeerd van een vader, als hij de moeder door overgrote tederheid de loef tracht af te steken, ook als hij ter correctie van de door haar gepleegde verwenning zijnerzijds een streng régime invoert, waardoor hij het kind juist nog sterker aan de moeder bindt, of wanneer hij het kind zijn autoriteit en principes tracht op te dringen. Door dit laatste kan hij het kind misschien aan zich onderwerpen, maar het nooit tot een medewerker maken. In onze haastige tijd hebben vooral de maaltijden een grote betekenis voor de opvoeding. Een prettige stemming is daarbij een eerste vereiste. Aanmerkingen over tafelmanieren moeten dus zo schaars mogelijk worden uitgedeeld en standjes, drift, buien of mokkende stemmingen moeten gedurende de maaltijden uitgeschakeld worden. Bovendien moet men zich van andere bezigheden, zoals lectuur of gepeins onthouden. Op deze manier zal de maaltijd een van de beste middelen zijn om een goede verstandhouding en de groei van het gemeenschapsgevoel te bevorderen. Het etensuur is daarom wel de meest ongeschikte tijd voor standjes over slechte rapportcijfers of andere fouten. Dat de maaltijden zoveel mogelijk gemeenschappelijk moeten worden genomen, spreekt uit het voorafgaande vanzelf, ook dat het ontbijt daarop geen uitzondering behoort te maken. Dat de kinderen het spreken en vragen steeds toe- gestaan moet worden, is een belangrijke voorwaarde. Het schaadt natuurlijk de goede stemming en het gevoel van saamhorigheid indien men het kind bespot of uitlacht, over zijn fouten zeurt of hem andere kinderen als voorbeeld voor ogen houdt. Men kan daardoor geslotenheid, verlegenheid en andere minderwaardigheidsgevoelens veroorzaken.
Het is trouwens altijd verkeerd om kinderen hun kleinheid, hun gebrek aan weten en kennen voor te houden. Liever zal men hun de weg naar de moedige training trachten te openen. Wanneer zij belangstelling in iets tonen, zal men hen zo mogelijk stil laten begaan, hun niet alles uit de hand nemen, maar hen er steeds op wijzen, dat alle begin moeilijk is. Men mag ook geen overdreven angst voor gevaren laten merken, maar alleen kalm en vanzelfsprekend de juiste voorzichtigheid en veiligheid in acht nemen. Zenuwachtigheid van de ouders, echtelijke onenigheid, meningsverschillen over de opvoeding, kunnen de ontwikkeling van het gemeenschapsgevoel schaden. Een al te categorische uitsluiting van het kind van het gezelschap van de volwassenen dient men zoveel mogelijk te vermijden. Lof en afkeuring mogen uitsluitend de gelukte of mislukte training gelden en niet de persoonlijkheid van het kind betreffen.
Ziekte kan eveneens een gevaarlijke klip voor de ontwikkeling van het gemeenschapsgevoel zijn, vooral wanneer ze binnen de eerste vijf levensjaren valt. Wij hebben al over de betekenis van de aangeboren orgaanminderwaardigheid gesproken en aangetoond, dat deze statistisch als een verleidend kwaad en als een hindernis voor het gemeenschapsgevoel te beschouwen is. Hetzelfde geldt voor vroegtijdig optredende ziekten als rachitis, die wel de lichamelijke, maar niet de geestelijke ontwikkeling bemoeilijken en soms aanleiding tot misvormingen kunnen geven. Onder de andere ziekten van de vroege kindertijd belemmeren vooral die het gemeenschapsgevoel, waarbij de zorg en angst van de omgeving het kind een grote dunk van zijn eigen waarde geven, zonder dat van een werkelijke bijdrage van zijn kant sprake is. Daartoe behoren ziekten als kinkhoest, roodvonk, encefalitis, cholera. Na de volkomen genezing van dergelijke ziekten kan men soms moeilijkheden in de opvoeding waarnemen, omdat het kind voor de vroegere verwenning blijft vechten. Ook in gevallen waarin lichamelijke veranderingen zijn blijven bestaan, doet men goed de achteruitgang in het gedrag van het kind niet zonder meer als een uitvloeisel van deze letsels te beschouwen en de handen in de schoot te leggen. Ik heb gevallen gezien, waarbij ten onrechte een hart- of nierlijden was gediagnosticeerd en na de correctie van deze fout en het vaststellen van een volkomen gezondheid de moeilijkheden niet verdwenen, maar de eigenliefde met al haar gevolgen onveranderd bleef bestaan.
Angst, bezorgdheid en tranen van de ouders helpen het kind niet, maar verleiden hem slechts om in de ziekte een voordeel te zien. Dat lichamelijke afwijkingen, die voor verbetering vatbaar zijn, zo spoedig mogelijk behandeld moeten worden en men zich er nooit op verlaten mag, dat het kind er wel “overheen zal groeien” spreekt vanzelf. Ook is het onze taak om, voor zover dit mogelijk is, ziekten te voorkomen, echter zonder het kind angstig te maken en zonder het onnodig van de anderen af te zonderen.
Wanneer men aan het kind lichamelijk of geestelijk al te hoge eisen stelt, kan dit gemakkelijk, door het optreden van oververmoeidheid en lusteloosheid, tot een ontstemming leiden, die de aanvaarding van het leven in de weg staat. De aan het kind gestelde eisen op het gebied van kunst of wetenschap moeten met het begripsvermogen van het kind overeenstemmen. (Dr. Deutsch “Klavierunterricht auf individualpsychologischer Grundlage”).Aan het seksuele voorlichtingsfanatisme van sommige pedagogen moet om die reden een einde worden gemaakt. Men behoort het kind te antwoorden, indien het vraagt of schijnt te vragen, maar men mag daarbij niet verder gaan, dan men verwachten mag dat het kind kan verwerken. Steeds moet het kind echter vroegtijdig over zijn eigen geslachtsrol en de gelijkwaardigheid van de geslachten op de hoogte worden gebracht, omdat het anders, zoals Freud nu ook toegeeft, uit onze achterlijke cultuur de mening putten kan, dat de vrouw op een lagere trap staat. Dit kan bij jongens licht tot hoogmoed, met al zijn schadelijke gevolgen, bij meisjes tot het door mij in 1912 beschreven “manlijk protest” (zie Adler “Ueber den nervösen Charakter”) voeren en ook door twijfel aan het eigen geslacht tot een gebrekkige voorbereiding van de geslachtsrol, met al haar ongunstige nasleep, leiden.
Andere moeilijkheden spruiten voort uit de rangorde van de kinderen in het gezin. De openlijke, maar ook de bedekte voorrang van een van de kinderen wordt dikwijls tot een schade voor de anderen. Buitengewoon vaak vindt men fouten van het ene kind, die in tegenstelling met de deugden van het andere staan. Grote activiteit van het ene kan aanleiding tot passiviteit van het andere kind geven, succes van het ene tot mislukking van het andere. En welk een grote betekenis vroegtijdige mislukkingen voor de toekomst hebben, is herhaaldelijk waar te nemen. De niet altijd gemakkelijk te vermijden voorkeur voor een bepaald kind kan de andere schaden, doordat er een sterk minderwaardigheidscomplex door ontstaat. Ook de kracht en schoonheid van de een zal zijn schaduw op de ander werpen. Bij dit alles mogen de door mij aan het licht gebrachte bijzonderheden, die uit de positie van een kind in de kinderrij voortkomen, niet over het hoofd worden gezien.
Het oude bijgeloof, dat de situatie van alle kinderen van hetzelfde gezin dezelfde zou zijn, dient men voorgoed te verlaten. Wij weten al, dat, indien er voor alle kinderen een gelijke omgeving en een gelijke opvoeding bestaanbaar was, dit alles voor het kind toch slechts materiaal zou zijn, dat het zo zou gebruiken, als met zijn scheppende kracht overeenstemt. Maar wij zullen zien hoe verschillend de omgeving van ieder kind is. Dat ook kinderen uit hetzelfde gezin noch dezelfde genen, noch dezelfde fenotypen vertonen, schijnt eveneens te zijn vastgesteld. Zelfs betreffende de eeneiige tweelingen neemt de twijfel aan de gelijkheid hunner fysische en psychische constitutie meer en meer toe. (Zie Holub Intern. Zeitschr. für Ips. 1933). De Individualpsychologie staat van de aanvang af op het standpunt van de aangeboren lichamelijke constitutie, maar heeft vastgesteld, dat de “psychische” constitutie pas gedurende de eerste drie tot vijf levensjaren wordt gevormd door de schepping van een psychisch prototype, dat reeds de blijvende bewegingswet van het individu in zich heeft. Dit- prototype dankt zijn vorm aan de scheppende kracht van het kind, dat van de erfelijke gegevens en de milieu-invloeden als van bouwstenen gebruik maakt. Alleen dank zij deze opvatting was het mij mogelijk bepaalde, bijna typische, verschillen in de karakters van kinderen uit hetzelfde gezin aan te tonen. Ik meen er in geslaagd te zijn om te bewijzen, dat in de levensvorm van ieder kind zich zijn plaats in de kinderrij weerspiegelt.
Deze samenhang tussen levensvorm en kindersituatie werpt een scherp licht op de vraag van de karakterontwikkeling. Want indien het juist is, dat bepaalde karaktertrekken met de plaats in de kinderrij overeenstemmen, blijft er weinig ruimte over voor de discussie over de erfelijkheid van het karakter of over de afstamming van bepaalde karaktertrekken uit de anaalstreek of uit een andere lichaamszóne.
Men kan heel goed begrijpen, hoe een kind door zijn plaats in het gezin bepaalde eigenaardigheden verkrijgt. Bijna algemeen bekend zijn de moeilijkheden van het enige kind. Altijd in het gezelschap van volwassenen, meestal door overdreven zorgen omringt en onder een aanhoudende angst van de ouders opgroeiend, leert het zich heel spoedig als het middelpunt te beschouwen en te gedragen.
Dikwijls vormt zwakte of ziekte van een van de ouders een belemmering, vaker komen huwelijksmoeilijkheden of echtscheidingen in aanmerking, die een atmosfeer scheppen, waarin het gemeenschapsgevoel slecht kan gedijen. Heel dikwijls vindt men, zoals ik heb aangetoond een, meestal neurotisch getint, protest van de moeder tegen “nog-een-kind”, een protest, dat doorgaans verbonden is met een overdreven zorg voor het ene kind, dat zodoende tot een volkomen slaaf gemaakt wordt. Men vindt in het latere leven van zulke kinderen, individueel natuurlijk verschillend, een of ander schakering tussen een heimelijk protesterende onderwerping en een overdreven zucht naar de alleenheerschappij. Dit zijn dan wonde plekken in het karakter, die bij aanraking door een exogeen moment beginnen te bloeden en zich daardoor kenbaar aan ons maken. Een sterke gebondenheid aan het gezin, die aansluiting met de buitenwereld verhindert, betekent in vele gevallen een nadeel.
Wanneer er meer dan één kind is, bevindt de eerstgeborene zich in een uitzonderingspositie, zoals geen van de andere kinderen. Hij is een tijd lang het enige kind en ontvangt de daarmede overeenstemmende indrukken. Later wordt hij echter “onttroond”. Deze door mij gekozen uitdrukking geeft de verandering van de situatie zó juist weer, dat ook latere schrijvers, zoals Freud, wanneer zij dit probleem aanroeren, deze term wel moeten gebruiken. De tijdsduur die vóór deze onttroning verstrijkt, is voor de aard van de indruk, die zij verwekt, en hoe deze verwerkt wordt, niet onverschillig. Is het kind drie of meer jaar, dan valt de gebeurtenis in een tijd, dat de levenstijl reeds gestabiliseerd is en wordt ze ook overeenkomstig deze levensstijl beantwoord. In de regel verdragen verwende kinderen deze verandering in hun positie even slecht als bijv. het spenen. Ik kon echter vaststellen, dat zelfs een interval van een jaar voldoende is om de sporen van de onttroning gedurende het gehele leven zichtbaar te doen zijn.
Daarbij moet natuurlijk de door het eerstgeboren kind reeds verworven levensruimte in aanmerking worden genomen en tevens de mate van beperking, die deze door het tweede kind ondergaat. Er moet dus, om een inzicht te verkrijgen, met tal van factoren rekening worden gehouden. Vooral van belang is echter, dat het gehele proces, indien het tijdsinterval niet te groot is, zich “sprakeloos”, zonder begrippen, voltrekt en daardoor ontoegankelijk is voor een latere correctie door toenemende ervaring. Daarom is deze correctie gewoonlijk alleen moge lijk door een individualpsychologisch inzicht in de samenhang.
Deze, niet in woorden gevatte indrukken, zoals er in de kindertijd talloze ontstaan, zouden door Freud en Jung, voor het geval zij er mee in aanraking kwamen, geheel anders verklaard worden; niet als belevingen, maar als uitwerking van onbewuste driften of als materiaal uit het atavistisch collectief onbewuste. Haatimpulsen en doodswensen, die men af en toe aantreft, zijn de ons welbekende kunstproducten van een onjuiste opvoeding, die alleen bij verwende kinderen te vinden en dikwijls tegen het tweede kind gericht zijn. Dergelijke stemmingen en ontstemmingen vindt men ook wel bij latere kinderen, vooral wanneer zij verwend zijn, maar de eerstgeborene heeft gewoonlijk op de anderen iets voor en voelt daarom de onttroning over het algemeen sterker. Dat dergelijke gevolgen van de onttroning ook bij latere kinderen kunnen voorkomen, bewijst voldoende, dat het sterkere geboortetrauma bij eerstgeborenen als oorzaak van het optreden van hun latere karakterfouten naar het rijk van de fabelen moet worden verwezen. Het is een vage veronderstelling, die alleen mogelijk is door onbekendheid met de individualpsychologische ervaring.
Het is ook begrijpelijk, dat het protest van de eerstgeborene tegen zijn onttroning dikwijls tot uiting komt in de neiging om het bestaande gezag te erkennen en te ondersteunen. Deze neiging geeft aan de oudste soms een duidelijk conservatieve karaktertrek, die zich niet op politiek, maar op zakelijk terrein doet gelden. Een sprekend voorbeeld daarvan heb ik in de biografie van Theodor Fontane gevonden en, zonder in haarkloverijen te vervallen, zal men ook in de persoonlijkheid van Robespierre, niettegenstaande zijn actieve deelname aan de revolutie, de autoritaire trek niet licht miskennen. Gelet op de dikwijls voorkomende vijandige houding tegenover de Individualpsychologie, wil ik er nog op wijzen, dat niet het geboortenummer maar de situatie het beslissende moment is, zodat het geestelijke portret van de eerstgeborene ook op een andere plaats in de kinderrij kan opduiken. Dit zal bijvoorbeeld geschieden, indien een kind vooral op het hem volgende is aangewezen en reageert. Ook kan een tweede kind de rol van het eerste overnemen, bijv. wanneer dit zwakzinnig is. Een goed voorbeeld vindt men daarvan in de persoonlijkheid van Paul Heyse, die een bijna vaderlijke positie tegenover zijn oudere broer innam en op school de rechterhand van de onderwijzer was. Men zal echter steeds de juiste weg naar het onderzoek vinden, wanneer men de speciale levensvorm van de eerstgeborene voor ogen houdt en bedenkt hoe de tweede hem steeds in de rug bedreigt. Dat de oudste af en toe de uitweg vindt, de tweede vaderlijk of moederlijk te behandelen, is slechts een variant van zijn streven naar overwicht.
Een speciaal probleem schijnt dikwijls voor die eerstgeborenen te ontstaan, die op niet te grote afstand door een zuster worden gevolgd. Hun gemeenschapsgevoel is dan niet zelden aan sterke aanvallen blootgesteld, vooral omdat meisjes van nature in haar eerste 17 levensjaren een sterker lichamelijke en geestelijke groei vertonen en daarom de voorman sterker bedreigen. Dikwijls wordt dit alles nog geaccentueerd, doordat de oudere knaap zich niet alleen in zijn voorrang, maar ook in zijn ingebeelde manlijke voorkeurspositie tracht te handhaven, terwijl het meisje dikwijls door de nog steeds bestaande culturele achteruitzetting van de vrouw er toe gebracht wordt om de oudere concurrent te bestrijden en daarbij een zeer intensieve training aan de dag legt, die haar dikwijls een grote energie verleent. Deze achteruitzetting is ook voor tal van andere meisjes aanleiding tot het “manlijk protest”, dat talrijke goede en slechte gevolgen voor hun ontwikkeling kan hebben en zelfs tot een volkomen afwijzen van de liefde of tot homoseksualiteit kan leiden. Freud heeft later van dit individualpsychologische inzicht gebruik gemaakt en het onder de naam van “castratiecomplex” in zijn seksuele schema geperst, bewerend, dat alleen het gemis van het manlijke geslachtsdeel het vrouwelijke minderwaardigheidsgevoel zou verwekken. Sinds korte tijd laat hij echter zwak doorschemeren, dat hij ook van de sociale kant van het vraagstuk iets bemerkt heeft. Dat de eerstgeborene van oudsher algemeen als de steunpilaar van de familie en haar conservatieve traditie werd beschouwd, bewijst wederom dat achter de kunst van het raden de ervaring verborgen is.
Wat de indrukken aangaat, waaronder zo dikwijls het tweede kind in scheppend élan zijn bewegingswet vormt, deze bestaan hoofdzakelijk daarin, dat er voortdurend een ander kind voor hem uit loopt, dat niet alleen verder in zijn ontwikkeling is, maar ook uit alle macht aan zijn voorsprong vasthoudt en hem het passeren tracht te beletten. Deze indrukken vervallen wanneer de afstand in jaren heel groot is en zijn van het te sterker naarmate deze afstand geringer is. Zij werken deprimerend, wanneer de eerste volgens het gevoelen van de tweede niet te verslaan is. Zij verdwijnen bijna geheel, als de tweede van den beginne af zegeviert, zij het wegens de minderwaardigheid of door het onbemind zijn van de eerste.
Bijna steeds zal men echter het heftige omhoog streven van de tweede kunnen waarnemen, dat nu eens in een verhoogde energie, soms in een heftig temperament, soms aan de kant van het gemeenschapsgevoel, dan weer als een misslag aan de dag treedt. Men zal er op bedacht moeten zijn, dat hij waarschijnlijk zoiets als een voortdurende wedloop houdt, waaraan ook de eerste soms deelneemt, en dat hij zich als het ware voortdurend onder “volle stoom” bevindt. Bij verschillend geslacht kan de rivaliteit zich nog verscherpen, soms zonder dat het gemeenschapsgevoel merkbaar belemmerd wordt. Daarbij zijn allerlei bijkomstige factoren van belang, zoals opvallende schoonheid van een van beide of wanneer de een verwend wordt, de ander niet. Daarbij hoeft voor de buitenstaander het verschil niet sterk in het oog te vallenterwijl het toch in de mening van het kind heel groot kan zijn. Is een van de twee een uitgesproken mislukking, dan vindt men bij de ander soms een zekere mate van zelfgenoegzaamheid, die dan bij de intrede in de school of bij het aanvaarden van een betrekking ongerechtvaardigd kan blijken te zijn. Wordt de oudste als bijzonder geslaagd beschouwd, dan kan dit de ander soms alle moed ontnemen en zijn mislukking tengevolge hebben. Herhaaldelijk vindt men ook, zelfs bij eeneiige tweelingen, als schijnbare overeenkomst, dat beide hetzelfde doen, zowel waar het verkeerde als goede dingen betreft. Daarbij mag men echter niet voorbij zien, dat de een zich daarbij door de ander op sleeptouw laat nemen. Ook wat de psychologie van het tweede kind betreft kunnen wij bij vele schrijvers de blijkbaar door de evolutie verkregen gave van het raden bewonderen, die aan het begrijpen voorafgaat.
In de bijbel is bijv. het verschijnsel van de hemelbestormende tweede in de geschiedenis van Esau en Jacob op indrukwekkende wijze geschetst, zonder dat wij een duidelijk begrip ervan behoeven te veronderstellen. Jacobs verlangen naar het eerstgeboorterecht, zijn worstelen met de engel (“ik laat niet af van U, tenzij gij mij zegent”), zijn droom van de hemelsladder, verkondigen duidelijk de wedloop van de tweede. Ook wie ongeneigd is mijn gedachtegang te volgen, zal zich toch eigenaardig getroffen voelen, als hij in de gehele levensloop van Jacob telkens weer de geringschatting voor de oudste ontmoet. Bijvoorbeeld in zijn hardnekkige dingen naar de hand van de tweede dochter van Laban, in het geringe vertrouwen, dat hij in zijn eerstgeborene stelt en in de manier waarop hij zijn grootste zegen, terwijl hij de armen kruist, met de rechterhand aan de tweede zoon van Jozef verleent.
Van de twee oudste dochters van een familie, ontwikkelde de eerste zich na de geboorte van haar drie jaar jongere zuster tot een heftig weerspannig kind. De tweede “raadde” haar voordeel door een volgzaam kind te worden en wist zich daardoor buitengewoon bemind te maken. Hoe meer de tweede in de smaak viel, des te sterker kwam de oudere in opstand, die tot op hogere leeftijd haar stormachtig protesterende houding behield. De tweede, gewoon om steeds succes te hebben, leed haar eerste shock toen zij op school niet goed meekwam. De school en later de drie levensproblemen dwongen haar de terugtocht op die punten, welke haar eerzucht in gevaar brachten, te stabiliseren en tevens, door de voortdurende vrees voor een nederlaag, haar minderwaardigheidscomplex de vorm van de zogenaamde “treuzelende attitude” te geven. Zo was zij enigermate voor nederlagen beschermd. Herhaalde dromen van te laat komen voor de trein toonden de kracht van haar levensstijl, welke haar in de droom voor het “verzuimen van gelegenheden” deed trainen. Niemand kan echter voorgoed in een minderwaardigheidsgevoel berusten. Het evolutionair in het leven vastgelegde streven naar een ideaal doel van de volkomenheid kent geen rust en vindt zijn weg omhoog, òf in de richting van het gemeenschapsgevoel òf daar tegen in, in duizend variaties. De variant, die onze tweede in handen viel, en die zij na enkele tastende proefnemingen als bruikbaar leerde kennen, was een “wasdwangneurose”, die, omdat deze haar dwong zichzelf, haar kleding en gebruiksvoorwerpen voortdurend te wassen, de weg naar de vervulling van haar plichten afsloot en ook als geknipt was om die grote vijand van de neuroselijder, de tijd, die gevuld moest worden, te doden. Daarbij “raadde” zij, zonder dit zelf te weten, dat zij door de overdreven uitoefening van een culturele functie, waardoor zij zich vroeger bemind had gemaakt, allen de loef afstak. Alleen zij was rein, alle anderen en al het andere onrein. Over het gebrek aan gemeenschapsgevoel bij dit schijnbaar zo beminnelijke en volgzame, maar verwende kind, hoef ik niets te zeggen. Evenmin is het nodig te betogen dat haar genezing alleen door een versterking van dit gemeenschapsgevoel denkbaar was.
Over de jongste van het gezin valt veel te zeggen. Ook hij bevindt zich in een geheel andere situatie dan de andere kinderen. De jongste is nooit alleen, zoals de oudste het een tijd lang was. Hij heeft echter niemand achter zich, terwijl alle anderen dit wel hebben. Bovendien heeft hij niet een enkele, maar meerdere voorlopers. Hij wordt meestal door de verouderende ouders verwend en bevindt zich in de onprettige situatie steeds als de kleinste en zwakste, die dikwijls niet voor vol wordt aangezien, beschouwd te worden. Zijn positie is meestal niet ongunstig, want zijn streven naar compensatie wordt aanhoudend aangevuurd. In vele opzichten lijkt zijn positie op die van de tweede, trouwens een situatie, waarin ook kinderen met een ander geboortecijfer geraken kunnen, wanneer toevallig soortgelijke rivaliteiten met een ouder kind ontstaan zijn. De jongste put zijn kracht uit zijn verlangen alle andere kinderen over het hoofd te groeien, waarbij hij echter de meest verschillende graden van gemeenschapsgevoel kan ontwikkelen. Zijn zwakheid toont hij echter dikwijls daarin, dat hij de directe strijd ontwijkt - wat door sterke verwenning bevorderd wordt - en daarom zijn levensdoel op ander gebied, in een ander beroep en in een andere levensvorm nastreeft, dan de overige gezinsleden. Is men gewoon om de werkplaats van het zielenleven met een door de Individualpsychologie geoefend oog te beschouwen, dan wordt men er telkens weer door getroffen hoe dikwijls de jongste zo’n bijzondere weg kiest. Wanneer de familie uit kooplieden bestaat, dan wordt de jongste bijv. dichter of musicus. Hebben de broers en zusters een intellectueel beroep, dan wordt de jongste industrieel of handelsman. Daarbij moet men natuurlijk in aanmerking nemen, dat voor meisjes de mogelijkheden beperkt zijn.
Mijn aanhaling van de bijbelse Jozef in betrekking tot de karaktertypering van de jongste heeft de algemene aandacht getrokken. Ik weet natuurlijk, dat Benjamin eigenlijk de jongste zoon van Jacob is geweest, maar hij kwam 17 jaar na Jozef en zijn bestaan bleef de laatste lange tijd onbekend, zodat hij voor de ontwikkeling van Jozef niet mee telt. Men kent natuurlijk de feiten, hoe deze knaap, dromend van zijn toekomstige grootheid, onder zijn hardwerkende broeders leefde en hen ergerde zowel door zijn fantasieën over zijn god-gelijkheid en zijn latere heerschappij over hen en over de wereld, als door het feit, dat de vader hem boven de anderen voortrok. Maar door dit alles werd hij tevens later de steunpilaar van zijn familie, van zijn stam en zelfs een van de redders van de cultuur. In al zijn handelingen en in al zijn werken toont zich de grootheid van zijn gemeenschapsgevoel.
De “radende” volksziel heeft vele van zulke inzichten getoond. In de Bijbel zijn er nog talrijke voorbeelden van te vinden, zoals Saul, David e.a. Maar ook in de sprookjes van alle tijden en landen, waarin een jongste een rol speelt, blijft hij de overwinnaar.
Men hoeft ook in onze tegenwoordige samenleving slechts onder de groten van de mensheid rond te zien om te vinden, hoe dikwijls een jongste een hoge plaats heeft bereikt. Maar ook indien hij mislukt, valt hij dikwijls op bijzondere wijze in het oog. Zo’n mislukking wordt altijd door zijn afhankelijkheid van een verwennende persoon of door verwaarlozing veroorzaakt, waardoor hij in een positie werd gebracht waaruit hij ten onrechte de conclusie van zijn sociale minderwaardigheid getrokken heeft.
Dit gebied van de kinderpsychologie is, voorzover het de betekenis van het geboortecijfer voor het kind betreft, nog lang niet geheel ontgonnen, maar alles bewijst toch reeds met dwingende duidelijkheid, hoe het kind zijn situatie en de hem treffende indrukken als bouwstenen gebruikt om zijn levensdoel, zijn bewegingswet en daarmede ook zijn karakter door een scheppende daad op te bouwen. Hoe weinig daarom voor de veronderstelling van aangeboren karaktertrekken te zeggen valt, zal de lezer duidelijk zijn.
Over andere plaatsen in de kinderrij, voor zover ze niet op de bovengenoemde gelijken, weet ik lang zoveel niet te vertellen. Crighton Miller in Londen maakte mij er op opmerkzaam, dat hij gevonden had, dat een derde meisje, volgend op twee voorafgaande, een bijzonder sterk manlijk protest toonde. Ik kon mij herhaaldelijk van de juistheid hiervan overtuigen en schrijf dit feit daaraan toe, dat zo’n meisje de teleurstelling van de ouders opmerkt, vermoedt, dikwijls ook ondervindt en haar ontevredenheid over haar vrouwelijke rol op de een of andere wijze tot uitdrukking brengt. Het is niet te verwonderen, wanneer bij deze derde meisjes een sterke weerspannigheid optreedt en dit, evenals andere feiten, wijst er op dat, terwijl Charlotte Bühler deze weerspannigheid als een “natuurlijk” stadium in de ontwikkeling van het kind beschouwt, ze beter als een kunstproduct kan worden opgevat, als een blijvend protest tegen werkelijke of vermeende achteruitzetting zoals de Individualpsychologie leert.
Over de ontwikkeling van het enige meisje onder jongens en van de enige jongen onder meisjes zijn mijn onderzoekingen nog niet afgesloten. Volgens mijn voorlopige ervaring verwacht ik te vinden, dat beide tot uitersten zullen neigen, òf naar de manlijke òf naar de vrouwelijke richting. Naar de vrouwelijke, indien deze hun in de kindertijd meer succes scheen te beloven, meer naar de manlijke, wanneer manlijkheid hun in die tijd begerenswaardig is voorgekomen. In het eerste geval zal men weekheid en behoefte aan steun in versterkte mate vinden, in het tweede geval openlijke weerspannigheid en eerzucht, soms echter ook moed en een waardevolle ambitie.
Lees verder: Dag- en nachtdromen