Theophiel Bangels
De enige gesneuvelde van Binderveld tijdens WO1.
Bangels Joseph Theophiel, zoon van Bangels Petrus (Pië) en Grossiels Gertrudis, geboren te Runckelen de 31ste mart 1885, behoorde tot de Lotingslijst Binderveld van 1905 met lotingnummer 119, groot 1m67 en was van beroep landbouwer, wederopgeroepene soldaat 2de klasse met stamboeknummer 000/53063, bij het 9de Linieregiment.
Hij was de oudste van het gezin. Hijzelf was gehuwd te Binderveld met Bangels Marie-Louise (°1883-1969) op 26 augustus 1911. Het gezin kreeg twee kinderen en was sinds hun huwelijk woonachtig in Binderveld, vanwaar zijn echtgenote afkomstig was. Theophile was mijnwerker van beroep.
Gesneuveld tijdens de gevechten te Luik de 6de augustus 1914. Hij had slechts de leeftijd van 29 jaar en liet een vrouw en 2 kinderen achter.
Het “Regiment van Gent” kreeg op 16 oktober 1830 de naam “Het Negende Linie”, krachtens een besluit van de voorlopige regering van Surlet de Chokier. Bij de mobilisatie werd het Negende Linie, zoals alle actieve eenheden, ontbonden in het Negende Linie zelf en het Negenentwintigste Linie. Samen vormden zij de Negende Gemengde Brigade, die deel uitmaakte van de Derde Legerdivisie. Tijdens de nacht van 5 op 6 augustus verdiende het Regiment zijn eerste eervolle vermelding door het ruim aandeel dat het had in de overwinning te Luik (Sart-Tilman).
De slag om Luik staat bekend als de eerste veldslag van de Eerste Wereldoorlog. Luik ligt op ongever 25 à 30 km van de Duitse grens en was derhalve de eerste hindernis die de Duitsers op hun weg tegenkwamen. De stad wordt doorkruist door de Maas en bewaakt de toegang tot het laagland van België waar de Duitsers door moesten om daarna snel via Namen Frankrijk binnen te kunnen trekken.
Bid voor de ziel van zaliger
Joseph-Theophile Bangels
Soldaat bij het 9de Linieregiment
Echtenoot van Maria-Louisa Bangels,
geboren te Runckelen, den 31 Maart 1885, in den strijd voor het Belgisch Vaderland, den 4 Augustus 1914, te Wandre-bij-Luik gevallen, en aldaar, op het kerkhof, christelijk begraven.
Hij was, in den vollen zin des woords, een voorbeeldige huisvader, een voorbeeldige zoon, een voorbeeldige christen en een voorbeeldige medeburger.
Dierbare echtenoote onze scheiding is allerpijnlijkst maar schep moed, sterkte en troost in onzen heiligen Godsdienst.
Mijne twee zoontjes, weest nu reeds de troost, en later daarenboven de steun van uwe goede en brave moeder. Weest fier over uwen moedigen vader die sneuvelde op het slagveld, op het veld van eer. Wordt vrome christenen, plichtbeseffende, heldhaftige burgers.
Dierbare Ouders, Bloedverwanten en Vrienden, die over mijn afsterven zeer bedroefd zijt. Weent niet over mij gelijk ongeloovigen die geene hoop hebben op het blijde wederzien, in het ander leven dat eeuwig duurt.
Beminde Medeburgers, weest dankbaar ; vergeet mij niet in uwe gebeden ; want ik streed en stierf voor U, voor uwe geliefde kinderen en 't dierbaar Vaderland.
-------------------
De plechtige uitvaartdienst zal plaats hebben in de parochiekerk van Binderveld, Maandag, 11 januari, 1915, om half tien. (Belgisch uur).
Een tweede Dienst, zal geschieden, Dinsdag, 12 Januari, om 9 uren.
De gezongene mis van wege de parochie, Donderdag, 14 Januari, om 8 uren.
Het graf van Theophiel bevindt zich gans vooraan tegen het monument.
Ruimer zicht op de begraafplaats van Rabosée - Wandre
Ligging van het kerkhof
Gedenkplaat in het portaal van de kerk van Binderveld
Hoe die gedenkplaat er kwam.
Het had heel wat voeten in de aarde...
Zoals in zoveel Belgische gemeenten, wilde men in Binderveld na het einde van de eerste wereldoorlog ook graag op een blijvende manier hulde brengen aan de oorlogshelden uit het eigen dorp.
Een monument voor de gesneuvelden, zoals dat bijvoorbeeld in Wijer in die periode geplaatst werd, lag echter buiten het bereik van de gemeentekas. Een gedenkplaat daarentegen, of zelfs twee, één ter ere van de op 6 augustus 1914 gesneuvelde Theophile Bangels, en één ter ere van de twintig oud-strijders uit de gemeente, was wel haalbaar. De gedenkplaten zouden op een eerbiedwaardige plaats gehangen moeten worden, waar liefst ook nog zoveel mogelijk mensen zouden langskomen. De oplossing lag voor de hand: het kerkportaal was de ideale plaats om de gedenkplaten op te hangen. Een voornamer gebouw dan de kerk was in het hele dorp niet te vinden en elke parochiaan die zijn zondagsplicht vervulde zou de gedenkplaten bij het binnengaan en bij het verlaten van de kerk zien hangen, en zo gesterkt worden in zijn patriottische gevoelens en in dankbaarheid aan zijn helden.
Om de gemeentekas wat te ontzien, en omdat de platen in de kerk zouden geplaatst worden, zou de kerkfabriek de hele zaak financieren. De leden van de kerkraad van Binderveld konden niet bevroeden dat hun patriottisch initiatief iets in de weg gelegd zou worden. Het was dan ook eerder pro forma, als om het ministerie te tonen hoe vaderlandslievend men ook in Binderveld wel was, dat het kerkbestuur een aanvraag richtte tot de Minister van Justitie, waaronder de kerkfabrieken ressorteren, om toelating te krijgen om de platen in kwestie te plaatsen.
De aanvraag bereikte de Derde Afdeling van de Eerste Algemene Directie van het Ministerie van Justitie in de eerste dagen van 1920. Anders echter dan men in Binderveld wellicht verwacht had, werd de brief op het ministerie niet enthousiast begroet als een blijk van vaderlandslievendheid. Integendeel: de zaak werd benaderd als een administratief probleem. De directeur-generaal was van oordeel dat hij in deze zaak niet over één nacht ijs kon gaan. Hij vroeg daarom op 9 januari het advies van de gouverneur van Limburg. Deze vatte de zaak evenmin licht op. Hij verzocht de kerkfabriek van Binderveld officieel over de plaatsing van de herdenkingsplaten te beraadslagen en hem vervolgens - samen met een officieel verslag van haar vergadering - twee exemplaren te bezorgen van eene teekening der twee platen. De kerkraadsleden van Binderveld, die in dat stadium nog enigszins verguld waren met de aandacht die hun initiatief van hogerhand kreeg, kwamen op 25 januari 1920 in buitengewone zitting bijeen en besloten met eenparigheid van stemmen twee herinneringsplaten te doen plaatsen in de kerk van Binderveld, eene van dankbare hulde aan onzen gesneuvelden parochiaan Théophile Bangels en eene van dankbare hulde aan onze inboorlingen die gestreden hebben voor het Vaderland. Het lijkt er op dat de kerkbestuurders al aanvoelden dat zij een administratieve molen in gang gezet hadden die zij niet meer konden controleren. Zij zagen de situatie echter nog zonnig in en gaven in hetzelfde verslag aan te hopen dat hunne aanvraag van machtiging van plaatsen aan den Heer Minister van justitie gericht weldra zal ingewilligd worden. Zoals gevraagd werden van het verslag en van een ontwerptekening van de gedenkplaten twee exemplaren naar de gouverneur gestuurd.
Deze bijkomende informatie bereikte het Provinciaal Gouvernement op 24 februari. Wie in Binderveld dacht dat de gouverneur nu over alle gegevens beschikte om de Minister van Justitie en zijn directeur-generaal te adviseren, vergiste zich. Gezien het belang van de kwestie achtte de gouverneur een advies van het Provinciaal Comité van de Koninklijke Commissie van Monumenten en Landschappen onontbeerlijk. De Commissie plaatste de zaak op de agenda van haar vergadering van 12 mei 1920. Die dag kwam zij tot het besluit dat zij op basis van de voorliggende informatie geen onderbouwd advies kon uitbrengen. Zij liet de gouverneur weten dat zij daarvoor een meer artistieke studie van de gedenkplaten - une étude plus artistique des deux inscriptions à placer dans l'église - nodig had. De gouverneur kon daarop niet anders dan dit verzoek weer aan de kerkfabriek van Binderveld doorspelen, hetgeen op 27 mei gebeurde. Deze keer liet een reactie van het kerkbestuur langer op zich wachten.
Ondertussen was in Brussel één van de directeuren van de Eerste Algemene Directie van het Ministerie van justitie, die tijdelijk zijn directeur-generaal verving, op het onafgewerkte dossier "Binderveld" gestoten. Op 28 juli ontving de gouverneur een brief vanwege de minister met de vraag naar de stand van zaken in dit dossier, waarover hij sinds zijn brief van 9 januari niets meer had vernomen. De gouverneur lichtte de minister op 3 augustus in over de stand van zaken, en liet tegelijkertijd een herinneringsbrief naar Binderveld sturen. Ook een herinneringsbrief van de gouverneur van 5 oktober 1920 bleef echter onbeantwoord.
Pas een jaar later bleek dat de stilte uit Binderveld niet betekende dat men er stilzat. Integendeel: er werd, zoals de gouverneur gevraagd had, gewerkt aan een meer uitgewerkte tekening van de herdenkingsplaten. In de loop van 1921 werd zij bezorgd aan de gouverneur, zodat hij haar op 6 december 1921 aan het Provinciaal Comité van de Koninklijke Commissie van Monumenten en Landschappen kon doorsturen. De Commissieleden waren echter niet onder de indruk van het geleverde werk. Op 15 december 1921 lieten zij de gouverneur weten dat zij van oordeel bleven dat er hen une étude plus artistique des deux inscriptions moest voorgelegd worden. Op 24 december stuurde de gouverneur de tekeningen naar Binderveld terug, samen met het verslag van de Commissie, met het verzoek hem eene beter uitgevoerde schets der te plaatsen steenen te bezorgen. Subtiel gaf hij aan dat de in te zenden teekening moet opgemaakt worden door eenen stielman.
De brief van de gouverneur kwam in Binderveld steenhard aan. Twee jaar na de aanvraag van het kerkbestuur aan de Minister van Justitie stond men nog geen stap verder. De leden van de Monumentencommissie waren, zo bleek, zelfs van oordeel dat het ontwerp van de gedenkstenen geen discussie waard was. Murw geslagen en moe getergd door wat aanzien werd als pure administratieve onwil, maar tegelijk geleerd door de ervaring, liet de kerkfabriek de gouverneur officieel weten af te zien van de plaatsing van de herdenkingsstenen. De gouverneur en zijn medewerkers in de Derde Afdeling van het Provinciebestuur konden de Minister nu laten weten dat het dossier naar behoren afgehandeld was. Met een dubbel van de blief van 10 januari 1922 aan de Minister van Justitie, waarin de gouverneur hem liet weten dat hij als gevolg op [zijn] schrijven van 9 januari 1920, 1° Algemeen Bestuur, 3e sectie, Litt A n° 22141, herinnerd op 27 juli 1921 de eer had hem bijgaanden brief der kerkfabriek van Binderveld te doen geworden, waardoor dit gesticht laat weten dat het afziet van de plaatsing der gedenkplaat sloot de provinciale administratie het dossier af. De gouverneur en zijn medewerkers waren zo vriendelijk alle administratieve kenmerken en briefnummers van het Ministerie in hun schrijven te vermelden, zodat het dossier ook in Brussel tot ieders tevredenheid als afgesloten beschouwd kon worden en in het archief opgeborgen.
En de herdenkingsplaten dan? Die werden met enige vertraging, en deze keer zonder dat daar in Hasselt of in Brussel veel ruchtbaarheid aan gegeven werd, in het kerkportaal gehangen en zij hangen daar nu nog.
Rombout Nijssen
Fiche Dienst Oorlogsgraven Bangels Joseph Theophile