Ferraris Kaart
Aquarel op basis van de Ferraris kaart van 1771.
Je kan Oriënten bereiken via de veldweg aan de Kleinromestraat. Aan het kapelletje.
1745
1873
1904
SAMENVATTING
Inleiding
Aan het einde van de 18de eeuw telde de huidige provincie Brabant 18 Cisterciënzer abdijen, waaronder 11 voor vrouwen. Oriënten was één van deze abdijen, opgericht rond 1234 in Rummen. Het klooster kende een lange geschiedenis van bloei, beproevingen en uiteindelijke verwoesting onder de Franse Overheersing.
Oprichting en Vroegste Geschiedenis
De abdij, geïnspireerd door de spreuk Visitatum ab Oriens ad Altum, had een religieus en agrarisch karakter, en bezat aanzienlijke eigendommen. De abdij was nauw verbonden met lokale adellijke families en trok vrome vrouwen aan uit de hogere standen.
Bloei en Beproevingen
Tijdens haar geschiedenis kende Oriënten periodes van opbouw en vernieling, onder andere tijdens de godsdienstoorlogen en de troepenbewegingen van Willem van Oranje. Ondanks herhaalde vernielingen bleef de abdij bestaan tot de Franse bezetting.
Beschrijving van de Abdij
Bij de opheffing in 1798 werd de abdij publiek verkocht en verdeeld in twee loten. De gebouwen, waaronder de kerk, het klooster en landbouwgronden, gingen naar particuliere kopers. Slechts een deel van de constructies bleef bestaan, bekend onder de naam "Het Klooster".
Grafstenen en Begraafplaatsen
De abdij herbergde ook een aantal belangrijke grafstenen, waaronder die van leden van de familie van Loon, abdis Maria Bollen, en andere voorname figuren. Helaas zijn veel van deze grafstenen na de afbraak verloren gegaan.
Verwoesting en Publieke Verkoop
Tijdens de Franse revolutie werd de abdij afgeschaft. Door de Wet van 15 Fructidor - An 4 (1796) werden alle kloosters afgeschaft, hun goederen verbeurd verklaard en publiek verkocht.
Nalatenschap
Buiten een klein gedeelte van het oude gebouwen en enkele grondvesten blijft er niets meer over dan een schone herinnering en de plaatselijke benaming "Het Klooster".
De Abdij van Oriënten onder Rummen
Aan het einde van de 18de eeuw telde de huidige provincie Brabant 18 Cisterciënzer abdijen, waaronder 11 voor vrouwen: Ter Kameren, te Elsene (gesticht in 1201); Aywières (1207); La Ramée, te Jauchelette (1210); Vrouwenpark, te Wezemaal (1215); Florival, te Eerken (1218); Maagdendal, te Oplinter (1219); Wouterbrakel (1230); Valduc, te Hamme-Mille (1231); Oriënten, te Rummen (1234); St-Bernardussdal, te Diest (1235); Vignette, te Leuven (1519).
Deze kleine geestelijke oasen, opgeweld uit de bodem van het golvende Brabantse landschap, waren in onze gewesten de eerste gezantschappen van de vermaarde orde van Citeaux, die in de 13de eeuw een hoge bloei kende. Alle hebben ze tijdens hun eeuwenlang bestaan de dubbele deining gekend van bloei en verval, van inwendige en uitwendige beroeringen, van verwoesting en wederopbouw, om ten slotte alle voor goed te verdwijnen tijdens de Franse Overheersing.
Oriënten was één van deze elf gezantschappen en had als inspiratie: Visitavit nos Oriens ex Alto (Luc. I-V-78)
Deze Cisterciënzerinnen Abdij werd opgericht rond 1234 in een tamelijk vlakke, gedeeltelijk beboste streek, op het grondgebied der gemeente Rummen, die toen tot het graafschap Loon en later tot het Prinbisdom Luik behoorde. Een bochtig, helder riviertje, de Laarbeek, ook Cincindra en thans Melsterbeek geheten, kronkelde er door heen. Buiten het natuurschoon, bezorgde deze kleine waterloop aan de gemeenschap de drijfkracht voor hun graanmolen.
In oude pauselijke bullen, uit de eerste jaren van haar bestaan, wordt de abdij vermeld als Domus Orientis Cysterciensis (1238), Sorores Monasterii Orientis Cysterciensis Ordinis (1239), S. Maria Ordinis Cysterciensis (1244), om na haar vereniging met de abdij van Opoeteren bij Maaseik in 1282, meestal « Val Virginal in Orienten» (Maaagdendal te Orienten) genoemd te worden.
Over het juiste ontstaan van deze abdij bestaat er nog onzekerheid. Volgens Wolters, een der eerste geschiedschrijvers van Orienten, zou er reeds vroeger, op dezelfde plaats, een kloostergemeente bestaan hebben, afhankelijk van de Norbertijner Abdij van Averbode (rondom 1135 gesticht door Arnoud, graaf van Loon) en over welke abdij aanvankelijk een monnik van Averbode het pastoorschap uitoefende. Het zou dan onder toezicht van deze monnik geweest zijn, dat aldaar enige godvruchtige vrouwen in gemeenschap leefden, onder de benaming «Sorores D. D. Averbodiensium». Alhoewel zulks door geen enkel oorkonde wordt bevestigd, is het niet uitgesloten, dat er op die plaats een religieus gemeenschap bestaan heeft, die de regel van Cîteaux niet volgde en later tot deze orde toegetreden is.
1234 Ontstaan
Algemeen wordt aanvaard dat de abdij van Oriënten rondom 1234 gesticht werd, door Arnoud VII, graaf van Loon en Heer van Rummen, dank zij zijn godsvrucht en vrijgevigheid. In 1234 behoorde ze reeds zeker tot de Cisterciënzer orde, zoals blijkt uit een keure van hetzelfde jaar. Daarin wordt o.a., door voornoemde graaf bevestigd, dat Libertus van Grazen, met toestemming van zijn echtgenote en zoons Godfriedus en Libertus, aan het klooster van Oriënten afstaat: drie hofsteden, een aandeel in de rivier en elf bunder land, gelegen tussen Grazen en Oriënten, dit alles door hem in leen gehouden van de graaf.
In een tweede keure, uit het jaar 1237, bevestigt graaf Arnoud andermaal de afstand, door de gebroeders Godfriedus en Libertus, van 26 bunder land, weiden en bossen, gelegen tussen Grazen en Rummen van hen in leen gehouden.
Blijft nog een verklaring te geven van de benaming Oriënten, « nom gracieux, auréolé de clartés matinales», zoals J. Cannivez het heel dichterlijk zegt in « L'Ordre de Cîteaux en Belgique ». De geschiedschrijver A. Wauters meent dat het een herinnering zou kunnen zijn aan de kruistochten, doch geeft voor deze mening geen verder uitleg.
Een meer aanvaardbare verklaring wordt ons verstrekt door oude akten uit de Zusterabdij Maagdendal, te Oplinter. Zoals reeds boven aaangeduid, werd dez abdij enkele jaren vóór Orienten gesticht nl. in 1219.. Om de zusters van Orienten beter vertrouwd te maken met de regel van Cîteaux, werden er enige zusters naar Orienten gezonden. Van dan af werd deze laatste abdij vermeld als "Sorores domus Orientis (het Zusterhuis in 't Oosten), Sorores Nostrae Orientanae (onze zusters Oostwaarts), zodat de naam Orienten veeleer bepaald werd door de ligging Oostwaarts, ten overstaan van de abdij van Oplinter. Opvallend is evenwel dat in Oriënten geschriften van Oriens uit de zinswreuk van de abdij. Maar die zinswreuk, kan ontstaan zijn door een woordspeling of de Oplinterse aanduiding.
Alhoewel Oriënten bij de kleine stichtingen gerekend werd, aangezien het aantal daar verblijvende zusters gewoonlijk tussen 12 en 20 schommelde, toch heeft ze een zekere vermaardheid gekend, wegens haar uitgestrekte bezittingen en de voorname families, die er verblijf hielden. Daarom werd ze ook onder de zeldzame «edele abdijen» gesteld en vinden we daarvan talrijke sporen terug in oude akten, op blazoenen en grafstenen.
Het aanzien der abdij werd nog merkelijk verhoogd, na de vereniging van de zusterabdij Battershoven bij St.-Truiden, rondom 1240, en Opoeteren bij Maaseik, in 1275, waarvan al de roerende en onroerende goederen overgemaakt werden aan Oriënten.
Hoe de oorspronkelijke abdij er uitzag valt moeilijk te bepalen. Vermoedelijk waren de gebouwen, bij het ontstaan, van beperkte omvang, eenvoudig van uitzicht en aangepast aan de noodwendigheden van de kleine gemeenschap, die er verblijf hield.
1374 Bloei
In 1374 bevatte het convent volgende onderdelen: een kerk, een slaapzaal, een eetzaal, een ziekenzaal, een keuken, een brouwerij, een tuin, een vijver en enkele bijgebouwen, waaronder schuren, zolders, stallen, weiden, boomgaarden en een watermolen, het geheel omringd door muren.
Tijdens de godsdienstige beroerten in de XVIe eeuw heeft de abdij het meermalen erg te verduren gehad, zodat ze meer dan eens gedeeltelijk of gans verlaten was.
Na de doortocht der legers van Willem van Oranje bevond de abdij zich in een erbarmelijke toestand. In de rekwest uit het jaar 1580 aan de Hertog van Alva, schetste de toenmalige abdisse, Margaretha van Oostenrijk, deze toestand als volgt:
"Comme dernièrement passant l’armée des rebelles la entour leur colle fait retirer les pourvisions des bestiaux de blé avec les arnements de la dite abbaye et ses principaulx meubles de la dite ville de Saintronc espérant les y poaer garder comme en lieux de sureté. Néanmoins le tout y fut pillez et saccagé par les ennemis ayant sourprins la dite ville a la toutalle ruyne du dit couvent. (Papiers d’Etat et d’Audiences N° 909 R.A.B.)
Volgens een plan uit de 17de-18de eeuw aanwijst, moeten er nadien grondige verbouwingen plaats hebben gevonden, en had de abdij een heel ander uitzicht dan vroeger. De omheiningsmuur was verdwenen, de omgeving werd uitgebreid en verfraaid, zodat het geheel een sierlijk uitzicht had. In het Noord-Oostelijk gedeelte bevond zich de hoeve met haar ruime schuren, paarden-, vee- en schaapstallen, het woonhuis van de knechts en een werkplaats; dit alles rondom een grote opene plaats, het binnhof van de pachthoeve. Rechts van de hoeve lagen de moestuin en de hopkwekerij. De eigenlije kloostergebouwen sloten daarbij aan, doch bevonden zich meer westwaarts. Vooraan had men de kerk in Renaissance stijl, opgetrokken uit baksteen en versierd met enkele omlijstingen in blauwe of witte steen. Ze bestond uit een beuk, uitlopend in twee halfronde absides, beide gescheiden door een altaar in Corinthische stijl, versierd met een beeld van O.L. Vrouw, patrones van de kerk. Een van deze koren was bestemd voor de zusters, het andere wordt in oude rekeningen vermeld als "heyligh sacraments choor". Vooraan stond een groot altaar, waarin een doek met de afbeelding van de H. Bernardus prijkte. Het gedeelte van de kerk, buiten de koren gelegen, was ook toegankelijk voor de landelijke bevolking, die er de godsdienstplechtigheden mocht bijwonen. Verder was er nog een eenvoudig eiken gestoelte en langs de wanden hingen enkele afbeeldingen van abdissen met hun blazoen.
In de nabijheid van de kerk bevond zich een kerkhof, waar ook personen, die niet tot het convent behoorden, mochten begraven worden. Deze gunst werd door een bulle van Paus Alexander, uit het jaar 1256, toegekend aan personen, die er het verlangen zouden toe uitgedrukt hebben, uitgezonderd de openbare woekeraars, de onder interdict en in de ban staande personen.
Mechtildis van Schoonhove, weldoenster van de abdij, maakte van dit voorrecht gebruik en verzocht, rondom 1282 de abdijkerk van Oriënten tot begraafplaats, mits een schenking van een mudde rogge op haar goederen, bij gelegenheid van haar jaargetijde.
Werden daar ook op hun verzoek begraven: Joanna van Loon, vrouwe van Rummen en Quabeck, evenals haar echtgenoot Willem van Orey en hun zoon Arnoud, heer van Rummen (overleden rondom 1370).
Het was graaf Arnoud, die tijdens zijn leven een versterkte burcht had doen oprichten op het grondgebied Rummen. Deze versterking werd, in 1364, door de Luikenaars ingenomen en ten gronde verwoest. Tijdens de opbouw had hij de abdij van Orienten om verschillende karweien verzocht die hem toegestaan werden. Op 't einde van zijn leven verklaarde hij in zijn testament, dat de abdij hem van rechtswege niets schuldig was en dat alle hulp hem uit louter dienstvaardigheid bewezen werd. Hij vroeg dan om in de abdijkerk begraven te worden onder volgende voorwaarden: eenvoudig en zonder praal, op de lijkkist een wit laken met zwart kruis, zonder wapens noch paard en rondom de baar vier kaarsen van vier pond. Daarbij verleende hij aan de abdij kwijtschelding van een schuld van 8 pond oude groten en verzocht de abdisse en de gemeenschap te zijner intentie en welzijn hulp en de verjaardag van zijn afsterven. De bisschop van Luik keurde dit testament goed.
Grafstenen
De grafsteen was uit zwart marmer. In ’t midden was Joanna van Loon afgebeeld in levensgrootte, met aan ieder arm een klein blazoen. Rechts bevond zich haar echtgenoot, met op de borst een schild met de wapens der Montferrant; hun zoon Arnoud links, droeg op de borst eveneens een schild met de kwartieren de Montferrant en de Looz.
Op de steen las men volgende grafschrift:
HIER LIGGEN BEGRAVEN:
HEER WILLEM VAN URLE,
HEERE VAN RUMMEN
ENDE
VROUWE JENNE VAN QUADBECKE,
SYN WYFF, DIE WILICKER WAS
WETTICH DOCHTER GREVE ARDS
VAN LOEN ENDE GREVINNE MARGARITEN
ENDE
HER ARD, BEDER SOEN, DIE WELCKE
HEERE VAN RUMMEN WAS.
In dezelfde kerk werden nog begraven:
De abdisse Maria Bollen met het grafschrift:
HIER LEIT BEGRAVEN MARIE BOLLEN
ABDISSE DIES GODSHUYS DE EERSTE VAN DE REFORMATIE
HEEFT GEREGEERD 26 JAREN ENDE
STERFT INT JAER 1583 IN JUNIO
BIDT VOOR DE SIELE R.I.P.
Zuster Margaretha de Blocquerie met als grafschrift:
DAME
MARGUERITE DE BLOCQUERIE
RELIGIEUSE
AU CLOITRE D’ORIENTE
AT FAICT CEST PRTE
L’AN 1665
ET EST TREPASSEE LE.....
DU MOIS DE MARS 1677
Deze grafsteen was versierd met 4 kwartieren: Blocquerie-Printhage-Meys-Lonchin.
Johanna van Diest, met grafschrift:
HIER LIGT BEGRAVEN JOA VAN DIESTE, MIJN VROUWE
VAN DUFLE, WIJLEN HUYSVROU JONCKER WILLEMS
VAN HOERNE DROSSAERT TOT CORTERSHEM EN SYE STERFT
A’ XVe ENDE JACOB VAN HOREN, HUNNEN SOON DIE STERFT
XVe-XVI.
De abdisse Margaretha van Oostenrijk, nicht van Keizer Maximiliaan, met als grafschrift:
HUIC JACET SEPULTA
ILLUSTRISSIMA ET REVERENDISSIMA
DOMINA MARGARETHA AB AUSTRIA
NEPTIS IMPERATORIS MAXIMILIANI
ABBATISSA 24a
HUJUS MONASTERII IN ORIENTE
OBIIT 1604 DIE 29 JULII
GUBERNARI COEPIT 1557
R.I.P.
Jeanne de Montferrant, Barbe de Montferrant, Agnes de Longchamp, met grafschrift:
EN MEMOIRE
DES AMES DE FEU JENNE DE MONTFERRANT
RELIGIEUSE D’ORIENTE QUI TREPASSA
LE 22 OCTOBRE 1666
ET DE BARBE DE MONTFERRANT LE 26 FEVRIER 1674
ET DE MADAME MARIE AGNES DE LONGCHAMP
VEUVE DE MR DE MONTFERRANT
SEIGNEUR DU DIT LIEU DE DOBBEN
MADEMOISELLE JENNE DE MONTFERRANT
LEUR SOEUR ONT FAIT METTRE LA PRESENTE
PRIEZ POUR LEURS. AMES
We weten niet wat er van deze grafstenen na de afbraak van de kerk geworden is.
Ondanks de verwoestingen en plunderingen hadden meestal de abdijen kunnen standhouden en werden ze gedurig aan terug opgebouwd en bevolkt. Immers er hadden tot dan toe geen onteigeningen plaats gehad en goederen bleven in 't bezit van de kloostergemeenten. Erger was de toestand onder Keizer Jozef II. Bij edict van 17 maart 1783 werden verschillende kloostergemeenten afgeschaft, als zijnde van geen nut. Werden vooral getroffen: de Kartuizen, de Karmelieten, de Clarissen, de Capucienen en de Recollecten. De Cisterciënserinnen abdijen ontsnapten aan deze maatregel, dank zijn hun kloosterscholen, waardoor ze niet als een louter beschouwende orde aangezien werden.
1798 verbeurd verklaard en publiek verkocht
Hun voortbestaan was nochtans van korte duur. Tijdens de Franse revolutie in 1796 werden de kloosters afgeschaft. Door de Wet van 15 Fructidor — An 4 (1796) werden al de kloosters afgeschaft, hun goederen verbeurd verklaard, en nadien publiek verkocht. Voor Oriënten gebeurde zulks op 9 September 1798.
Na de verbeurdverklaring werden in iedere abdij bezoldigde bewakers aangesteld. Voor Oriënten was het een zekere Ernest Mettoul, die deze bediening waarnam in 1797. De oordelen naar volgende feiten mogen we veronderstellen dat de inboedel van de abdij reeds in veiligheid gebracht was. Na enkele maanden dienst, maakt Mettoul een schriftelijk beklag over aan het Centraal bestuur van de Dijle, er in vermeldend dat hij tot dan toe nog geen bezoldiging ontvangen had. Waarop voornoemd Bestuur hem antwoordt dat hij zal betaald worden als de helers van de klokken der abdij gekend zouden zijn, waarin hij als medeplichtige wordt beschouwd. Na herhaald protest, waarbij hij zijn onschuld staande hield, kreeg hij ten slotte toch voldoening. Voor de openbare veiling was de abdij van Oriënten verdeeld in 2 loten:
Lot 1 omvatte de gebouwen links van de ingang: de kerk, het klooster met zijn bijhorigheden, twee paardenstallen, twee veestallen, een wagenplaats, een smidse, het timmerwerk voor een in opbouw zijnde schuur, de tuin der religieuzen, een boomgaard en 13 bunder weide, Peerdtsweyden genoemd.
Dat gedeelte werd aangekocht door Everard Tops, uit Brussel, voor de som van 316.000 F.
Lot 2 omvatte:
1. de hoeve, opgetrokken in baksteen en blauwe steen, bestaande uit een woning met drie plaatsen, twee paardestallen met een ruimte voor 28 paarden, twee stallen voor 48 koeien, een schaapstal, een zeer ruime schuur, nog een paardenstal voor 4 paarden, een wagenpaleis, een smidse en een boomgaard met een klein gebouw dat tot wasplaats diende;
2. het klooster, opgetrokken in baksteen, met op de begane grond een eetzaal, kapittelzaal, ziekenzaal, keuken met kelders, 4 kamers op de verdieping, 24 cellen met daarbij een kleine tuin;
3. een kerk, opgetrokken in baksteen (waarschijnlijk de private bidplaats van de abdisse, vermits de eigenlijke kerk bij lot 1 behoorde);
4. het kwartier van de abdisse en de vreemdelingen, met op de begane grond een keuken, 14 kamers en een kelder, op de verdieping 14 kamers en een zolder, met daarenboven een gebouw van de brouwerij en een bakkerij; een lusthof, omgeven door een waterval en door een muur van het klooster gescheiden; een lustbosje, drie vijvers en een weide, Beekbosch genaamd, van ongeveer een bunder groot. Bij dit lot behoorden nog de moestuin, de tuin van de ontvanger, evenals de hoptuin, insgelijks omgeven door een waterwal;
5. 46 bunder, 3 roeden weiden en landerijen. Dit lot werd aangekocht door Ch. Vanderfosse en Godfroid Walckiers, beiden uit Brussel, voor een som van 755 duizend frank.
Al deze gebouwen, buiten nog een gedeelte, dat thans als woonhuis dient voor de huidige bewoners, werden door de kopers afgebroken om er een stokerij op te richten. Nadien is het goed eigendom geworden van de familie Vinckenbosch, die het thans als boerderij gebruikt.
Dit was het einde van de eeuwenoude, edele abdij Maagdendal van Oriënten. Buiten een klein gedeelte van het oude gebouwen en enkele grondvesten blijft er niets meer over dan een schone herinnering en de alom gekende plaatselijke benaming «Het Klooster».
FRANS BORGERS.
Westen naar boven
Noorden naar boven