Op de derde regel in het midden wordt Petrus van Binderveld vermeld.
Vertaling
In de naam van de heilige en ondeelbare Drie-eenheid.
Lodewijk, bij de gratie van God graaf van Loon, aan allen die deze schriftelijke oorkonde nu en in de toekomst zullen inzien, voor altijd.
Aangezien met het verstrijken van de tijd alle daden van stervelingen tegelijk ook in de vergetelheid dreigen te raken, is het noodzakelijk dat verrichte handelingen, opdat zij aan het nageslacht bekend blijven, zorgvuldig aan het schrift worden toevertrouwd.
Laat daarom ieder, zowel de tegenwoordigen als de toekomenden, weten dat de tiende van Wilre, die in verschillende delen onder meerdere personen verdeeld was, aan hen allen toebehoorde, wier namen de volgende zijn:
Petrus van Bilrevelt, kanunnik van Sint-Paulus en beleend met de kerk van Wilre;
zijn zuster Beatrix en haar echtgenoot Sebastianus;
Sigerus van Bilrevelt, ridder;
Arnoldus van Sconlo en zijn echtgenote Aleidis;
Theodericus van Faus;
Gerardus van Rocefort;
Gertrudis van Rolliers en haar zoon;
Matildis en haar zuster;
Hugo, zoon van Walter, zoon van Florins.
Al dezen, door een geest van vroomheid bewogen en met instemming van hun erfgenamen, hebben ieder voor hun aandeel de genoemde tiende met al haar toebehoren, evenals het patronaatsrecht van de kerk, omwille van het heil van hun zielen, vrij en als aalmoes overgedragen aan onze geliefde zusters van Herkenrode, in aanwezigheid van heer Hugo, bisschop van Luik, en ook in onze tegenwoordigheid, evenals die van vele anderen, waaronder ook onze echtgenote Ada en onze broeders Hendrik en Arnold, vrome prebendarissen, hun instemming betuigden.
Opdat deze schenking, zo redelijk tot stand gebracht, vast en ongeschonden zou blijven voortbestaan, hebben wij dit vastgelegd in het onderhavige geschrift en bekrachtigd door het aanbrengen van onze zegels. Tevens verbieden wij streng dat iemand het zou wagen deze schenking met roekeloze overmoed aan te tasten, op straffe van onze macht en tevens van de straf van onze verontwaardiging.
Getuigen van deze zaak zijn:
Willem van Pitseem en zijn broer Walter;
Arnoldus en Hermannus van Elslo;
Conradus van Hubertengen;
Lambertus, burggraaf van Brustem;
Jordanus en Renbaldus, burggrafen van Duras;
Robertus van Corswerme;
en zeer vele anderen.
Dit is opgemaakt in het jaar van de genade 1218.