Oude brochure uitgegeven rond 1960.
LOKALE EN REGIONALE ELEMENTEN IN ONZE NATIONALE GESCHIEDENIS.
Naslagwerk bij het onderwijs in de Vaderlandse Geschiedenis samengesteld door de Heren
Gerard Jamart
Jan Knaepen
Jan Poelmans
Albert Swartenbroekx
Philemon Vanmarsenille
E.Br. Raymond De Maeyer
uit nota's, ingeleverd door leden en niet-leden van de Studiekring.
Namen van Keltische oorsprong:
Sarchinium, Zerckingen, Cynsinder, Metsteren, Melveren. (Bibliographie: Mansion J.; "Oud-Gentse Naamkunde", blz.75 en "De voornaamste bestanddelen der Vlaamse Plaatsnamen", blz.141.)
RESTEN VAN EEN MAMMOET: Rond het jaar 1900 werd te Alken, en wel bepaald in de weide Carlens, bij het uitdiepen van een put, het geraamte van een mammoet opgegraven. Niet noodzakelijk is het dier ter plaatse gestorven, maar het is wellicht mogelijk dat het lijk nl. aangespoeld werd door een der nu nog bestaande vier waterlopen, de Oude Herk, de Nieuwe Herk, de Mombeek en de Laak. De identificatie van de mammoet werd gedaan door Prof. Dr Silverijser.
ZEE VAN HEERS: Tussen de gemeenten BOEKHOUT, JEUK, MECHELEN- BOVELINGEN, HEERS, vormt het landschap een brede kom in Zuidelijke richting. Daar lag eens de "Zee van Heers". Het schijnt bewezen dat in het voorhistorisch tijdperk een zijarm van de Rijn deze gewesten overspoelde. De streek van Bockhout vormde in die tijd de Oostelijke oever van deze kilometerbrede zoutplas. Toen werklieden in het begin van de XXste eeuw te Boekhout een zandkuil ontgonnen, vonden zij duizenden zeeschelpen; zelfs fossielen van meterlange vissen werden ontdekt, alsmede zware hardstenen, die door eeuwenlange spoeling afgerond waren.
(Bibl.: Artikel "Panorama der twee en twintig Torens" door L. Sterken in "Het Belang van Limburg" van 3/5/1949.)
GEPOLIJSTE BIJL gevonden.
WAPENS IN SILEX gevonden.
BEKAPTE SILEXSTENEN en SCHILFERS gevonden.
GEPOLIJSTE PIJLEN gevonden..
BIJLEN gevonden.
SARCHINIUM WAS EEN KELTISCHE NEDERZETTING, met het Zuiden van de huidige gemeente als kern, met Metsteren en Melveren in het Noorden als uiterste grens.
Overwegend bos- en landbouwland, besproeid door de Cynsinder. (Bibl.: Dr August Mathijs; "Ontwikkeling der Stad Sint-Truiden".)
OVERBLIJFSELEN VAN EEN ROMEINSE VILLA, waar ook SCHERVEN VAN POTTEN en MUNTEN gevonden werden.
"De Hulzen" een VILLA ROMANA! Nochtans zijn hieromtrent geen geschriften te vinden. In het jaar 1900 werden op het gehucht "Hulzen" opgravingen gedaan. Deze opgravingen zouden het bestaan van een Romeins KERKHOF bewijzen. Ook werden in hetzelfde jaar resten gevonden van een Romeinse Villa, aard en potten en muntstukken. Bij het afbreken van het huis, gelegen op de hoek Hulzenstraat en Lindestraat, zou men voorwerpen gevonden hebben, eveneens daterend uit de Romeinse tijd. (Waarom vroegen de Duitse soldaten maar steeds wantrouwend naar de stad Hulzen, die klaar en duidelijk op hun stafkaarten gesitueerd was?)
ROMEINSE HEIRBAAN en MIJLPAAL: De oude baan met het mysterieuze kruis welke van de steenweg Hasselt-St-Truiden schuin het veld inloopt, is thans een vuile, modderige weg. Toch zou het eens een Romeinse Heirbaan zijn geweest, nl. een zijverbinding van de hoofdweg Tongeren-Trier. Hier werd een mijlpaal gevonden, die volgens Dr. Lyna van Romeinse oorsprong zou zijn.
"De Katzij" overblijfsel van de grote ROMEINSE BAAN van Tongeren naar de zee. Een TUMULUS uit de IIde eeuw, genaamd "de Tom", langs de baan Tongeren-Tienen.
TUMULUS: Tussen Gingelom en Wals-Bets, langs de spoorbaan Gingelom-Landen. In de oorlog 1940-45 grotendeels vernield door de Duitsers: werd ondermijnd om afweergeschut te plaatsen en kamers te maken voor manschappen en munitie. Sommige bomen die op de tumulus groeiden, werden omgehakt.
TUMULUS.
ROMEINSE BAAN, ook Oude Keulenbaan geheten: Te Hoepertingen heet ze nu nog, zelfs op de kaart van het kadaster, Romeinse Kassei. Ze vormt de grens tussen de gemeenten Hoepertingen enerzijds en de gemeenten GROOT-GELMEN en METTEKOVEN anderzijds.
Hier bestond een VILLA. GELDSTUKKEN werden er gevonden. Nog gevonden: POTTEN en WAPENS van Romeinse soldaten (bewaard in Museum, Brussel).
HEIRBAAN Tongeren-Gembloers-Bavai.
Groep van 3 TUMULI.
ROMEINSE WEG en TUMULUS: De Romeinse weg loopt van Kortijs als een diepe, holle weg, langs het schilderachtige Sneyers' kapelleke door het Tombeveld en langs het Stepsveld over de weg Cras-Avernas-Walshoutem in de richting van Hannuit, waar hij op enkele honderden meter afstand voorbij een Romeinse tumulus trekt - een geweldige, met gras begroeide hoop aarde van enkele tientallen meter omtrek en een hoogte van 7-8 meter. Deze tumulus werd door Kan. Kempeneers, die hier vroeger woonde, met behulp van enkele dienstvaardige mannen, kruiselings tot op de bodem doorgesneden, doch niets werd gevonden. (Die zelfde Kan. Kempeneers heeft het werk geschreven: "De Oude Vrijheid Montenaken", in het Oud-Vlaams.)
SARCHINIUM: Romeins kolonisatie-centrum in Haspengouw, vruchtbaarste streek van het land. Op het hoogste gebied dat Sarchinium besloeg, legden de Romeinen, om hun heirbanen te beschermen en tevens om hun bevoorrading op te doen, een versterking aan in rechthoekige vorm (Markt), met in haar onmiddellijke nabijheid waarschijnlijk een Villa.
(Bibl.: Dr August Mathijs; "Ontwikkeling der Stad Sint-Truiden".)
DIVERTICULUM (zijweg):
Een diverticulum verbond Sarchinium met Hoei en doorkruiste de heirbaan Tongeren-Bavai bij Borgworm. Ten zuiden van Sarchinium werd dit diverticulum doorkruist door de heirbaan Tongeren-Tienen. Van Sarchinium liep dan verder een diverticulum Noordwaarts, in de richting van Diest.
Oudste stad van het land.
WALLEN: Tongeren is zeker de enige stad van België en van gans Galië, die 3 stenen omheiningen bezit. De eerste omheiningsmuur (eerste eeuw) had een lengte van meer dan 4.500 m, waarvan thans nog een gedeelte recht staat (ongeveer 1.500 m); de tweede Romeinse omheining dateert van de IVde eeuw, de derde omheining uit de Middeleeuwen.
Deze laatste telde 6 poorten; één enkele de "Moerepoort" (XIVde eeuw) is nog zichtbaar. Daarenboven was deze omheining versterkt met 7 torens, waarvan er nu nog vijf bestaan. Ze ontleenden hun naam aan voorname Tongerse families uit vroegere eeuwen of aan de ambachten die wellicht voor de verdediging ervan instonden. Tongeren bezit nog een OUDHEIDKUNDIG MUSEUM, bevattende talloze voorwerpen van de eerste tot de vierde eeuw.
In 1867 werd het standbeeld van AMBIORIX opgericht.
SINT-TRUIDEN: De vastenavondviering vervangt de feesten van Dionisius (afscheid van de duisternis), nu afscheid van het vlees.
De Kelten of Gallo-Romeinen beoefend en een bijzondere verering voor al wat in betrekking stond met de waterlopen, hetzij bron, plas, beek of rivier. Zo betekenen de gekende plaatsnamen Diest on Dinant: aan het heilig water. In onze streek zijn ontegensprekelijk de plaatsen St-Joris-Terbiest en St.Joris-Jeuk te danken aan dezelfde verering.
Bezit nog altijd midden in een bos, een kleine kapel waar Sint-Joris vereerd wordt. Sint Joris, nam bij de evangelisatie, steeds de plaats in van de Gallo-Romeinse godheid Hercules, net zoals op talrijke plaatsen Mercurius vervangen werd door Sint-Michiel of later Sint-Niklaas.
Hoogstwaarschijnlijk is de kapel van het huidige St-Joris dus van een gelijkaardige oorsprong. De folklore duidt hierop: Hercules, die de geslachtsdriften vergoddelijkte, werd de draak van de onkuisheid die door Sint Joris met een lansstoot gedood werd. Op zijn feestdag (23 April), als alle krachten in natuur en mens ontwaken, trekken de jonge lieden naar St-Joris en velen knopen er betrekkingen aan met goed gevolg. Degenen die door een bronstig bloed uitslag aan de ogen hebben, spoelen deze in de nabijgelegen poel, daar de mening ingang vond, dat dit "heilig water" geneeskundige kracht bezat.
Het Gallo-Romeins gaudiacum, bezit thans een kerk, toegewijd aan Sint-Joris, die zich bevindt op de plaats waar vroeger een Herculestempel stond. Er bestaan nog een zestal votiefstenen, ter plaatse gevonden en bewaard in de bibliotheek van het bisdom Luik. (Bibl.: Dr August Mathijs; "Ontwikkeling der Stad Sint-Truiden".)
NAMEN VAN ROMEINSE OORSPRONG zijn "Kulter", "Dorpskouter" on "Tombeveld". Volgens gezegden komt de naam "Gingelom" van "Gingel", dit is de naam van een Romeins veldheer die hier verbleef; het achtervoegsel "hem", "heim" betekent huis. Dus "Gingelheim" = huis van Gingel.
Sommige geschiedschrijvers menen dat Jeuk een ROMEINS LEGERKAMP geweest is en dat het toen GAUDIACUM (vreugdeoord) genaamd werd, waarvan zijn tegenwoordige Franstalige naam "Goyer" zou afgeleid zijn. Een feit is, dat te Jeuk, in de weide "Het Hof" in 1837 urnen en Romeinse potterijen opgedolven werden. Men vond er de volgende inschriften op: "HERCUL? /PROBUS/VERECW" en op de muur van het kerkhof: "LK/COK/VAE/SD/TE/STAM...". Vier inscripties ter ere van dezelfde godheid Hercules, gevonden op de plaats waar sindsdien de parochiekerk gevestigd werd, bewijzen dat daar een tempel van Hercules bestond.
(Bibl.: Dr Renson; "Geschiedenis van Jeuk". Justus van Vlaanderen; "Taalstudie".)
ROMANORUM CASTRUM: Van in de tijd der Romeinen waren de Rummense omstreken bewoond door een onbeschaafde volksstam, die de naam droeg van "Bétasiens" en er een kasteel of versterking bouwde op de Gete. Doch de Romeinen verplaatsten het naar de oevers van de Cicindria te Rummen, en vandaar dan de benaming "Romeins Kasteel" - "Romanorum Castrum" en door afleiding "Rummen".
HET BELANG VAN DE BIJRIVIEREN VAN DE DEMER:
Voor de missionering: Volgens een oud handschrift zouden de vier bijrivieren van de Demer die het Noord-Oosten van Alken nu nog doorlopen, door de H. Servatius gebruikt zijn om per vlot naar onze streken te komen prediken.
Gevolgd: de economische groei van de gemeente. Dit handschrift vermeldt ook dat langs deze rivieren wevers afzakten om hier hun weefsel te koop te stellen en ook om de weefkunst voort te leren. Als beloning vroegen deze wevers vette ganzen. De schrijver vindt alzo de verklaring voor het feit dat er in 1600 nog veel wevers langs de waterkant van Alken verbleven. Zo vinden we eveneens de verklaring voor de benaming "Herker-haven"; met deze naam willen de mensen tegenwoordig nog een plaats in de Herkerbeek beduiden.
JENNEBOOM: Op de grens GOTEM-HOEPERTINGEN-METTEKOVEN-VOORT, staat een canada langs de oude Romeinse weg Tongeren-Voort-Mettekoven-Rijkel-St-Truiden. De boom mag niet omgehakt worden omdat hij gelokaliseerd is op de stafkaarten van het leger. Voor de eerste wereldoorlog stond er een linde. De inrukkende Duitsers vroegen naar deze boom. Maar reeds ten tijde der Romeinen bevond zich op deze plaats een reuzenlinde, waarbij de soldaten de wacht optrokken.
VERLEDEN: Het verzwakte Montenaken van nu, werd eertijds gerekend tussen de "goede steden" van het prinsbisdom Luik.
Het dorp is zeer oud en klimt zeker op tot het Gallo-Romeins tijdvak. De kerk heeft de plaats ingenomen waar zich eertijds het versterkte kasteel verhief; de voet van de toren zou niets anders zijn, dan het overblijfsel van de grote versterkte slottoren. Het kasteel zelf werd gebouwd op een versterkte plaats der Gallo-Romeinen, die als doel had, de Romeinse heirbaan, welke langs de voet van de berg loopt, te bewaken en te verdedigen. Die heirbaan bestaat nog, doch is vervallen tot een aarden weg. Een tiental Romeinse tumuli ("tom(b)en") verheffen zich naast die weg, in de nabijheid van Montenaken. Gedane opdelvingen brachten muntstukken aan het licht, met de beeltenis van keizer Trajanus. Uit de "Drie Tommen", die zich naast elkaar bevinden, tussen Montenaken en Vorsen, haalde men in 1862, op een diepte van 3 m, verschillende graflampen, potten, beenderen, juwelen en een muntstuk, dagtekenend uit het 16de Consulaat van Domitianus. Doch de merkwaardigste ontdekking was die ener "fibula" of glaswerk van paarse kleur, in volledige staat, in de vorm van con druiventros. Het is een der zeldzaamste stukken Gallo-Romeins glaswerk, waarop de verzameling der Half-Eeuw-Musea van Brussel zich beroemen kan.
ROMEINS KAMP: Het grondgebied van de gemeente Rummen - voorheen een open stadje onder het graafschap Loon - is ontgensprekelijk een van de meest historische van Haspengouw. Er bevond zich, volgens overlevering, een oud Romeins Kamp. En werkelijk, men vindt er een uitgestrekt en schoon veld, Romenveld genaamd, dat ook heden nog de gewenste voorwaarden biedt tot het opslaan van een kamp. Het wordt doorsneden door een grote beek (vroeger Cicindria geheten, nu Melsterbeek) en door een andere waterloop, de Romeinse beek of Romenbeek, die niet alleen het nodige water voor het kamp kon leveren, maar die ook zeer voordelig scheen voor de verdediging. Deze omstandigheid kan dus in zeker opzicht de traditie bevestigen, die aan Rummen een Romeinse oorsprong geeft.
(In de XVde eeuw werden te Rummen geldstukken geslagen met de volgende indruk: "Moneta nova Romanorum".)
KERK werd gebouwd door de abdij van Sint-Truiden.
STICHTING: Alken was in 1066 een voorname heerlijkheid. Zij bestond uit het huidige Alken met Ulbeek, St. Lambrechts-Herk en Kortenbos. Herk scheurde af in de XVde eeuw, Ulbeek in de XVIde en Kortenbos in de XIXde. Prinsbisschop Theodorus van Bavières schonk Alken, samen met Hoeselt aan het Kapittel van Hoei in 1066. Hij schonk niet alleen Alken, maar, zo luidde het schrift: "Alken, met zijn aanhorigheden en zijn voogdijen". (Alken moet ouder zijn dan Hasselt, want Hasselt wordt pas voor het eerst vernoemd in 1171.) Steunend op deze gegevens, mogen we wel aannemen dat Alken gesticht zou zijn ten tijde van de Karolingers; zij immers stichtten alle grote dorpen.
KERK werd gebouwd door de abdij van Sint-Truiden.
KERK werd gebouwd door de abdij van Sint-Truiden.
KERK werd gebouwd door de abdij van Sint-Truiden.
KERK werd gebouwd door de abdij van Sint-Truiden.
KERK werd gebouwd door de abdij van Sint-Truiden.
Hier bestond destijds een KLOOSTER, waarin GELDSTUKKEN en POTTEN werden weergevonden.
KERK werd gebouwd door de abdij van Sint-Truiden.
STICHTING DER ABDIJ (Cfr. Algemene Gegevens. Leven van Sint Trudo).
HOE ZAGEN ONZE DORPSKERKEN ER UIT TOT DE JAREN 1000 ? De kerken voor het jaar 1000 en zelfs nog wat later, waren houten gebouwen op stenen fondamenten. De geschiedschrijver Habets zegt dat men in de Kempen, tot in de XIIde eeuw slechts houten kerken tegenkwam. Deze waren met leem bepleisterd, de daken van stro of riet, zoals men thans nog schuren ontmoet. Geen wonder dat de kronijken van die tijd gedurig melding maken van kerkbranden.
Notgar, prinsbisschop van Luik, gaf het voorbeeld door zijn stad te verfraaien met vele stenen gebouwen (Kurth) en zo kwam er de landelijke bevolking ook toe, stilaan te bouwen in steen - op de plaats of in de omtrek uitgedolven - of in baksteen. De kerk was het voornaamste gebouw en zij werd reeds lang in steen gebouwd, terwijl er heden nog houten huizen te vinden zijn. Van stijl of bouwtrant was er natuurlijk in de landelijke kerkjes geen kwestie: een langwerpig gebouw, middenop een kleine toren, waarin weldra een klokje. Een eeuw later zou men de kerktorens bouwen tegenaan doch los van de kerk. Ze zouden dienen om de twee of drie klokken te bergen, om de archieven van kerk en gemeente te bewaren, en dikwijls, in oorlogstijd, als laatste toevluchtsoord. Vandaar de buitengewone dikte der muren (bv. WEZEREN: 2,20 meter voorkant; 1,80 meter andere muren), de kleine deur gemakkelijk te verdedigen, de schietgaten en de kijkgaten.
DE PASTORIE: De parochianen waren verplicht te zorgen dat de pastoor een fatsoenlijke pastorij bezat. Veel werd in de oude tijden niet geëist maar toch een stuk grond, vrij van lasten, in de nabijheid van de kerk en een gerieflijk huis met keuken en minstens twee plaatsen. Zo stond in de overeenkomst met de abdij van Sint-Truiden. (Bibl.: E.H. J. Geyssens; "Anciennes églises et vieilles tours de village".)
CLOVISBRON: Te Brustem vertelt men: Bij de verovering van België liet Clovis enkele van zijn soldaten te Brustem achter, omdat daar aan de bronnen drinkwater te vinden was, maar vooral om de Romeinse weg te bewaken. Deze soldaten wilden echter niet aan de bron drinken, vooraleer Clovis dit zelf gedaan had, want ze vreesden dat de Romeinen die Brustem verlaten hadden, deze bron hadden vergiftigd. Daarom heeft die bron altijd "Clovisbron" geheten.
BRON VAN WIJDING: Na het Doopsel van Clovis te Reims, wilden de soldaten te Brustem, gelijk overal elders, zich ook laten dopen. Dit gebeurde in de bronnen gelijk Jezus zich liet dopen in de Jordaan. Om echter het water van de Clovisbron niet te bevuilen, wijdde men in haar nabijheid een oude bron, die thans nog de "Bron van Wijding" genoemd wordt.
VERERING van GENOVEVA - één der DRIE GEZUSTERS.
VERERING van EUTROPIA - één der DRIE GEZUSTERS.
SINT MARTEN- EN SINT NIKLAASFEEST: Vervangen de joel feesten van vroegere tijden, waarop Wodan in de hellewagen of te paard door de lucht reed en ongezien aan de armen geschenken uitdeelde. De joeltijd had plaats van December tot Januari en is nu vervangen door de "gewijde nachten" (tot Driekoningen). De wierookvaten van Driekoningen vervangen de feesten voor de terugkeer van het licht.
ONZE-LIEVE-HEER-BOOM: Op de grens van de gemeenten KORTESSEM en WELLEN staat wellicht de oudste boom van het land. Volgens de overlevering werd hij geplant rond het jaar 800 en de legende verbindt er zelfs de naam van Karel de Grote aan. Voor een veertigtal jaren was zijn stam, alhoewel hol, van buiten nog gaaf en gezond. Deze eik had 8 m omtrek. Een storm rukte een zijde weg; in de brede opening welke daardoor ontstond, kon men gemakkelijk een tafel schuiven en men spreekt er nog over dat vier personen in de boom kaart speelden. Er rest nog altijd een gedeelte en iedere zomer komen er wat bladeren op de enkele takken. De legende verhaalt ook dat de "Bokkenrijders" er vergaderden.
VERERING van BERTHILIA één der DRIE GE ZUSTERS.
FRANKISCHE NAMEN: "Opheimstraat, Dalheimstraat" - "heim"= heem.
TOMBOS: d.i. gemene bos. In 't midden stond een "tom", waarop een dikke eik (omtrek 3,85 m). In 1938 werd de tom opengespreid op de omliggende velden. Een afbeelding van de tom met de eik komt voor op de vlag der fanfare "Tombosgalm".
STRAATNAMEN DIE OP FRANKISCHE KOLONISATIE WIJZEN (volgens Förstermann):
"Clopheim-", verbasterd tot "Klokkemstraat": "klop" = steil gelegen.
"Hamelstraat": berg met steenachtige ondergrond.
"Kuistraat": "kui" = kleiachtige grond.
"Plankstraat": een straat langs een vochtige berg.
"Stiestraat", d.i. "Steenstraat": een straat in het moerassig gedeelte van de stad, welke om die reden reeds vroeg geplaveid werd.
OORSPRONG VAN DE NAAM DER GEMEENTE: In 657 werd deze gemeente voor de eerste maal in de geschiedenis vermeld onder de naam "Leeuw". Men vindt die naam verschillend geschreven: Leugae, Leewa, Lewa, Lewe, Lewis, Leeuwes, Leeuwen, Leeuwe, Leeuw.
In de XVIde eeuw is men begonnen "Leeuw" door het voorvoegsel "Saudt" te doen voorafgaan. De benaming Leeuw vindt men gebruikt, zowel in Franse als in Vlaamse oorkonden, tot aan het einde der XVIIde eeuw. In 1678 werd de stad belegerd door de Fransen, die er op hun beurt zelf werden belegerd in 1705. Waarschijnlijk is het van hen dat de Franse benaming Leau gekomen is, want van toen af pas treft men ze aan. Gezaghebbende geschiedschrijvers doen het woord Leeuw afstammen van "Lede", "Leide" (afkomstig van het werkwoord "leden", "leiden") dat vooreerst verkort werd tot Leê en naderhand verlengd tot Lewês en Leeuw. Volgens hen moet er van oudsher te Zoutleeuw een brug over de Gete hebben bestaan, en die doorvaart of leiding over de Gete houden. zij voor de oorsprong der benaming Leeuw. Deze uitleg komt als waarschijnlijk voor, vermits zich heden nog op dezelfde plaats een kleine brug bevindt, tussen de molen en de drie sluizen.
Het voorvoegsel "Saudt", "Soudt", "Zout", wordt aldus verklaard:
Dank aan de bevaarbaarheid der Gete en aan de voorrechten, welke de schippers van Leeuw genoten, was Zoutleeuw van in de XIVde eeuw een aanzienlijke handelsplaats. Een der bijzonderste artikelen van de Leeuwse koophandel nu, was het zout. Om die reden en om het stadje van andere plaatsen te onderscheiden, zou het dan in de XVIde eeuw "Zoutleeuw" beginnen te heten..
"Sabat", "Souat", "Solde", enz. beteken den in de XVde eeuw en vroeger: bezoldiging, loon. Van dat woord komt de benaming "Soldaat" voort, die oorspronkelijk een bezoldigde of gehuurde krijgsman beduidde, maar mettertijd een algemeen gebruik verkreeg voor alle krijgslui. Door uitbreiding van betekenis kwam dit woord in voege om plaatsen aan te duiden, welke tot de krijgsdienst dienden. Te Leeuw had men het "soldatenveld", waarschijnlijk het plein waar zich de soldaten in de krijgsverrichtingen oefenden. Om dezelfde reden zal men gezegd hebben: Saudt-, Soudt-, ZoutLeeuw, met de betekenis van "Soldaten-Leeuw" of "Kazerne-Leeuw". In de XVIde eeuw, wanneer die benaming begon in voege te komen, was Zoutleeuw bijna niets anders dan een soldatenstad of beter een grote kazerne.
Een FRANKISCHE BEGRAAFPLAATS werd voor enkele jaren ontdekt tussen Montenaken en Wezeren.
FRANKISCH KAMP: Na de Romeinen hebben de Franken te Rummen een kamp opgeslagen. De geleerde Wendelinus betoogt dat Rummen en de omringende gemeenten, de voornaamste kern vormden van de oude Salische Franken en dat het de bakermat was van de befaamde "Salische Wetten".
DE EERSTE FRANKISCHE NEDERZETTING is zeker geweest rond de huidige St. Pieterskerk, vroeger St.Niklaashork, waar overigens reeds een Keltische nederzetting was. Trudo's vader, Frankisch edelman, heeft zich daar gevestigd, hij baatte er een grote hoeve uit, gelegen kort bij Heirbaan en Cynsinder.
LEVEN VAN SINT TRUDO (volgens A. en J. Paquay):
Trudo werd uit edele en rijke Frankische ouders in Haspengouw geboren. Van jongsaf was hij verstandig in zijn gesprekken, wijs van manieren, juist in zijn oordeel, wakker van inborst, schoon van wezen en lief van taal. Al deze hoedanigheden werden nog overtroffen door zijn vurige liefde tot God en evennaaste. Alle ellendigen vonden bij de jonge Trudo onderstand en troost. De aalmoezen die zijn ouders hem lieten uitreiken, konden zijn liefdadigheid niet voldoen. Zijn ouders berispten hem omdat hij zelfs zijn eigen voedsel en kledingstukken aan de armen weggaf.
Eens, toen hij aan 't spelen was, vond de kleine Trudo op het goed van zijn vader een hoop stenen. Hij kwam op de gedachte met deze stenen een kerkje te bouwen en toog dan ook vlug aan het werk; vrij spoedig was hij er mee klaar. Bij zijn kerkje, op de knieën gezeten, riep hij uit: "Mijn lieve God! als ik groter zal zijn, zal ik U hier een veel schonere kerk bouwen!". Een boosaardige vrouw beloerde dit godvruchtig kinderspel en schopte driftig het kerkje omver. Eensklaps echter werd ze met blindheid geslagen, ijlde schreeuwend en huilend rond de akker. Ze vroeg Trudo om vergiffenis en deze begon voor haar te bidden. O, wonder! daar slaakte de vrouw een kreet van dankbaarheid. Ze was weer ziende, viel op de knieën voor het kerkje en bedekte met haar mantel deze plaats, door het godvruchtig kind geheiligd. (Boven de poort van het huidige seminarie ziet men deze geschiedenis afgebeeld.)
Edele jongelingen verzochten Trudo deel te nemen aan hun jachtpartijen en vermaken, en, daar hij weigerde, begonnen zij hem te misprijzen en te verachten. Trudo vond er genoegen in zijn ouders te eren, en, afgescheiden van de wereld, in het ouderlijk huis, de verdiensten van zijn verstervingen en geboden aan de Heer op te dragen, vurig verlangend de H. Schrift aan te leren en in de priesterstand voor God alleen te werken.
Na verloop van verscheidene jaren, word in de nacht, door een engel aan Trudo bekend gemaakt dat God zijn wensen verhoord had. "Sta op, sprak de engel, en ga tot Remaclus (bisschop van Tongeren); hij is niet ver van hier in het dorp Septimburias (Zepperen). Aan hem heeft God geopenbaard wat u te doen staat". Heel vroeg in de morgen vertrok Trudo, vergezeld van twee knechten. De heilige Remaclus omhelsde Trudo en beiden stortten tranen van vreugde en aandoening. Remaclus raadde hem aan naar Metz te gaan, tot bij bisschop Clodulf, al zijn goederen af te staan aan de H. martelaar Stephanus en de bisschop te verzoeken hem te onderwijzen in de H. Schriften. Trudo deed aldus, vertrok naar Metz, stond al zijn goederen af en studeerde de H. Schriftuur. Hij werd door de heilige Clodulf tot de priesterlijke waardigheid verheven en terug naar Haspengouw gestuurd. "Dat het u niet lastig valle, zei de bisschop, van hier te vertrekken, wijl het nodig is dat in de landstreek die gij aan de H. Stephanus geschonken hebt, een talrijke schaar godsdienstige mannen de Heer diene". Wenend ontving Trudo Clodulf's zegen en vertrok. Na een lange reis kwam hij te Tongeren aan, waar hij zijn geestelijke vader Remaclus aantrof. Deze gaf hem oorlof om geheel zijn bisdom door, Mis te lezen en het Woord Gods te prediken, alsmede om de vroeger beloofde kerk te bouwen. Trudo bedankte de kerkvoogd en zette blijmoedig zijn reis naar zijn vaderhuis voort. Te Sarchinium weergekeerd, werd hij met grote vreugde door zijn laten ontvangen en bouwde daar, op zijn erf dat hij van Clodulf had weergekregen, een kerk ter ere de H. martelaar Quintinus en de H. belijder Remigius. (Volgens de kroniek Contin. III, part. pr. lib. 1 n 13 - had de wijding van het nieuw heiligdom plaats in het jaar 657.) Trudo beijverde zich door woord en voorbeeld het heil der zielen te bevorderen; hij bezocht en troostte de behoeftigen en de zieken, beurde de moedelozen op en bekeerde de zondaren. Velen, door Trudo's vermaningen getroffen, besloten naar zijn voorbeeld, God alleen te dienen. Aan zijn volgelingen verschafte Trudo daar ter plaatse kost en onderhoud. Ook edele jongelingen, door hem aangezet de goederen der wereld te misprijzen, lieten hun hoofdhaar afsnijden om de Heer in Trudo's gezelschap te dienen.
Buiten de verschillende godvruchtige oefeningen welke Trudo verrichtte te St-Truiden, begaf hij zich over de andere nacht ofwel naar Septimburias - kerk van Ste-Genoveva, ofwel naar Falmina. (Velm) - kerk van St-Martinus, om er de Heer te loven.
Toen Trudo zijn einde voelde naderen (rond 693) riep hij zijn medebroeders en verklaarde dat hij hen weldra verlaten zou. Hij zette hen aan God te blijven dienen en de wereld te versmaden. Hij deed ze aandachtig bidden en maakte het kruisteken, waarna hij zacht de geest gaf. Bij zijn begrafenis vulde een dikke nevel gedurende bijna een uur de ganse kerk en verspreidde alom een aangename geur. Trudo werd begraven voor het altaar der HH. Quintinus en Remigius. Vele wonderen gebeurden op zijn graf en al spoedig word hij als een heilige vereerd.
VERDELING VAN HET GRONDGEBIED:
Trudo deed na zijn wijding afstand van al zijn goederen aan de bisschop van Metz. Waarschijnlijk bij het begin van de IXde eeuw werd er een verdeling ingevoerd tussen het domein dat zou toebehoren aan de bisschop van Metz, tevens abt en een doel dat zou toekomen aan de monniken (abdij). Vandaar de verdeling van St- Truiden: een gedeelte onder Metz en een gedeelte onder de abdij. (M. Bussels)
BEZOEK VAN DE HOFMEIERS EN VAN KAREL DE GROTE:
Ten tijde der Karolingers kwamen de Hofmeiers naar Trudo's graf en versierden het rijkelijk, o.a. Pepijn van Landen. Ook Karel de Grote vertoefde in de stad, daar zijn elitetroepen uit Haspengouwers bestonden, en waar hij voorzeker de belangrijke abdijschool bezocht.
DE ABDIJ ALS CULTUREEL CENTRUM IN DE MIDDELEEUWEN:
Wanneer wij het hebben over de culturele betekenis en de culturele invloed van de abdij, dienen wij uit te gaan van de oorspronkelijke zin van dat woord. De abdij heeft op grote schaal aan cultuur gedaan: Haar monniken bewerkten niet alleen de akker van de zielen, maar ontgonnen ook de grond en leerden de mensen boeren, alaam vervaardigen, woningen en schuren bouwen... Geen wonder dat, tussen de wrakken van de bibliotheek, een handschrift voorkomt uit de Xde eeuw - een van de oudste die er bestaan - over de IVde eeuwse Romeinse agronoom Palladius Rutilius. Ook de overige wetenschappelijke handschriften van die tijd bevatten werken van praktische aard.
Op de BOUWKUNST was de abdij vanzelf aangewezen. Niet alleen de godsdienstige architectuur - denken wij slechts aan de 13 kerken, door Adelardus II gebouwd of hersteld - maar ook de profane, heeft zij tot ontwikkeling gebracht. Vanaf de arme latenhoeve tot de domeinschuur en hof, van de aarden schans tot de burchten van Donk en Helchteren, pastorijen en proostdijen - wat is er dat zij niet, met eigen werkvolk, opgetrokken heeft? De machtige abdijkerk, zowel als Wiric's grafkapel van Sint Trudo - een pronkjuweel van bouw- en beeldhouwkunst - getuigen van schoonheidszin en stoute durf.
Ook de MINIATUURKUNST, waaruit de moderne schilderkunst zou geboren worden, heeft in haar scriptorium gebloeid. Van de verluchting van een XIIde-eeuws handschrift - spijtig genoeg, evenals zovele andere van deze schatten, naar de vreemde verzeild - getuigt de kunstcriticus Eric G. Millar: "Zelden vindt men een Lectionarium met zoveel versiering, en het is geen gewoon handschrift... Zoals de meeste Vlaamse verluchtingen van die periode (rond 1180) vertoont de stijl sterke Duitse invloed, maar het is delicater van uitvoering dan de meeste Duitse handschriften." Wanneer in de XVde eeuw de miniatuur wijkt voor HOUT- en KOPERSNEDE zal de abdij haar eigen hout- en plaatsnijders hebben (Pieter Cruls is er een van) en de productie van dit atelier wacht nog op de kunsthistoricus, die de verstrooide resten zal samengaren en er de geschiedenis van maken.
Alhoewel niet centraal genoeg gelegen, heeft de abdij door de eeuwen heen ook aan de LETTERKUNDIGE ontwikkeling deelgenomen en er ruimschoots toe bijgedragen.
De "Vitae Trudonis et Eucheri" behoren tot de oudste letterkundige werken van onze streken, en, indien de eerste mogelijk niet te St. Truiden maar te Metz geschreven werd, dan is het meer dan waarschijnlijk dat de schrijver literaire bronnen uit onze streek benuttigd heeft en dan wel in het Diets gesteld. De abt Columbanus, van wie ons een gedicht bewaard is, schijnt wel de abt van St.Truiden te zijn die onder die naam in de lijsten voorkomt.
In de XIde eeuw schoof Stepelinus de "Miracula Trudonis" en mogen wij in Diederik een van de meest markante vertegenwoordigers van het geestesleven in die eeuw hier in het Noorden begroeten. Wij kenden hem als de schrijver van een leven van Sint-Trudo, van de levens van de HH. Rumoldus on Landrada en waarschijnlijk ook van de H. Amelberga, van een preek op de HH. Tudo on Eucherius; maar de jongste literatuurgeschiedenis heeft in hem de schrijver erkend van een poëtisch werk dat ruim 2.600 verzen omvat, o.a. van een gedicht over de wonderen der natuur, vooral van de dierenwereld, dat vroeger aan Hildebertus toe geschreven werd.
Ook van zijn opvolger Rodulf is de dichterlijke nalatenschap grotendeels slechts in de jongste tijd aan het licht gekomen, doordien de meeste gedichten naamloos of onder andere namen tot ons waren gekomen. Zo werd hem onlangs nog het auteurschap toegekend van een gedicht in ruim 200 verzen deels dialoog, deels hymne - op de Moeder-Maagd, voor wie hij, evenals zijn vriend Rupert van Deutz, een tedere liefde koesterde. Van een geschilderd beeld van Haar, bij de ingang van de kerk door hem aangebracht, wordt bijzonder melding gemaakt in de kronijk. Beter is hij ons bekend door zijn proza, allereerst door de "Gesta abbatum Trudonensium", de kronijk van de abdij vanaf 990 tot zijn abbatiaat. Een aantal schriften, vier lange brieven, zijn mèt de kronijk bewaard gebleven, maar jammer genoeg is zijn groot werk "De Simonia" - een thema dat Diederik reeds in verzen behandeld had verloren gegaan.
Over mogelijke betrekkingen van Van Veldeke met de abdij is het laatste woord nog niet gezegd. Maar in ieder geval heeft St. Truiden zijn aandeel gehad in de opbloei van de nationale letteren en de literatuur der Vlaamse mystiek in de XIIIde eeuw.
In hoever heeft de abdij deze mystiek zelf, waarvan de H. Christina on de H. Lutgardis de mooiste bloemen zijn, verwekt of beïnvloed? Wat er van zijn moge, het "Leven van Lutgart", vrije navolging van het Latijns werk van Thomas van Cantimpré, is door Willem van Affligem gedicht - weliswaar voor zijn verblijf te Sint-Truiden. Van dit gedicht is spijtig genoeg het eerste boek nog niet teruggevonden. Ook het "Leven van Jezus", de Nederlandse vertaling van een late Latijnse bewerking van Tatiaans Diatessaron, lijkt van hem te zijn. Beide werken zijn dan ook in het Limburgs dialect bewaard. Willem schreef in het Latijn de "Vizioenen van een Kloosterzuster", nl. van Beatrijs van Nazaret bij Lier - afkomstig van Tienen; eveneens in het Latijn zou hij een Kronijk van Brabant in verzen geschreven hebben, die in de XIVde eeuw vermeld wordt, maar nu verloren is. Ondanks de verslapping in de XIVde en XVde eeuw, was de abdij niet onverschillig aan de geestelijke stromingen van die tijd.
Of Ruusbroec in haar bibliotheek vertegenwoordigd is geweest, durven we niet zeggen, maar een brief van Jan Schoonhoven is er tot nu bewaard gebleven, en een handschrift van "Navolging" uit het jaar 1437 - tegenwoordig in het bezit van de bibliotheek van Valenciennes - heeft zij naar waarde geschat.
Van dan af, vooral in de Renaissance, ontgroeide de cultuur aan de noodzakelijk beperkte kring van de abdij. Wij hebben nochtans gezien hoe, ook dàn, de abten - vooral Sarens en Betten - gepoogd hebben, door contactname met de nieuwe centra, universiteiten en hogere instituten, gelijke tred te houden met de ontwikkeling van hun tijd. Vandaar de aanwezigheid van Moringus, die de raadsman was van Sarens "in alle aangelegenheden, inzonderheid waar het literaire vraagstukken gold". Het werk van Moringus is vrij omvangrijk; deels door hemzelf gepubliceerd (de levens van Sint Augustinus, van de HH. Trudo, Eucherius en Libertus, van Paus Hadrianus VI en enkele theologische werken); deels in de laatste jaren uitgegeven door Prof. De Vocht; deels onuitgegeven bewaard in handschrift. Deze traditie werd verder voortgezet - dank zij de stichting van het seminarie door Betten, bleef Sint-Truiden een haard van cultuurleven waar mannen van naam onderwezen en schreven.
Laten wij hier enkelen vernoemen:
Prior Pieter Cruls van Gingelom, die "Het Leven van Sint Trudo" en twee toneelstukken van de Dominikaan Jan Festraets, in Latijnse verzen overzette
Laureis Naghelmaker van Bergeik (1580)
Egidius Wallius van Brugge (1574)
Willem Fabritius van Nijmegen (1594)
Gerard Wulfrath van de abdij van St.Pantaleo te Keulen (1684-87)
Geron Mans van de abdij van Gladbach (1710-13)
Damiaan Cremer van de abdij van Brauweiler (1731)
Ook de KERKZANG werd, vooral in de XIde en XIIde eeuw, met smaak uitgevoerd en met kundigheid beoefend. Guntram, bij zijn aankomst te Stavelot, verrukte de monniken door zijn melodieuze stem zozeer dat hij onmiddellijk aangeduid werd als voorzanger. Rudolf heeft de liturgische boeken eigenhandig bewerkt en van neumen voorzien; zijn officie van St-Trudo is ons bewaard gebleven. En te Cremona was het Wiric, die door zijn kundige leiding eenieders bewondering afdwong. Colombanus, abt van St. Truiden, heeft vermoedelijk de Planctus Karoli (klacht over de dood van Karel de Grote) getoonzet en is aldus de oudste componist uit onze gewesten - thans in de Bibliotheque Nationale te Parijs.
(Bibl.: E.H. Kan. Kesters; "De Abdij van Sint-Truiden ".)
SINT JORISKAPEL
CENTRALE HOEVE Cfr. Algemene Gegevens.
KASTELEN DOMPAS, RODE POEL en ROODSTAART Cfr. Algemene Gegevens.
BOUW VAN DE SINTE-ALDEGONDISKERK ROND 1200: De hoofdkerk van Ste-Aldegondis werd denkelijk rond 1200 gebouwd, want het is een Middeleeuws gebouw en de vier zuilen zijn afkomstig uit een zeer grote Franse kerk. De zuilen verschillen alle van elkaar, naar vorm, dikte, kroonlijsten, enz. Een oorkonde vermeldt dat de kerk van Alken een volle kerk was en die van Ulbeek een halve kerk; d.w.z. dat de kerk van Alken ten volle voor onderhoud en onkosten moest voorzien (dit omwille van de belangrijkheid). De kerk is in Gothische stijl, doch de middenbeuk met haar gewelven werd gerestaureerd en dit verkeerdelijk in Romaanse stijl. De oudste pastoor is de E.H. Wierock d'Alce, rond 1200.
DE ABDIJ VAN AVERBODE werd gesticht door Arnould, graaf van Loon. Hij deed in zijn woud van Averbode een klooster bouwen en plaatste er Premonstratenzen van de abdij van St-Michiel Antwerpen. Paus Innocentius II keurde deze stichting goed in 1131.
Het koor van de in 1864 herbouwde kerk, dagtekent uit de XIIIde eeuw.
KAPEL EN KLUIS VAN OETSLOVEN:
Op het gehucht Outersloven of Oetsloven is een kapel, toegewijd aan O.L.V. van Zeven Smarten: bedevaartsoord, reeds bekend in de XIVde eeuw. De heer van het gehucht bouwde die kapel ten dienste van de inwoners. Naar het schijnt schonk hij ze reeds in het begin van de XIIIde eeuw aan de orde van het H. Graf, die gesticht werd door een edelman, welke uit het H. Land terugkeerde en ook te Wimmertingen een klooster voor de orde liet bouwen in de XIIIde eeuw. Diezelfde edelman stond aan de orde van het H. Graf de kapel van St.Leonardus te Aken en de St.Martinuskerk van Bierbeek bij Leuven af. "De kapel van Oetsloven, die behoorde tot het klooster van Wimmertingen, werd sedertdien door de prior van dit klooster afgestaan aan een van zijn monniken of aan een andere priester."
Tot in 1895 stond er bij de kapel een kluis, door eremijten bewoond. (Bibl.: Joseph Daris; "Notices historiques sur les Eglises du Diocèse de Liège".)
EEN VERSTERKT KASTEEL UIT DE XIIde EEUW.
KASTEEL VAN 1015.
BURCHTTOREN, opgericht door de graaf van Loon, waardoor oorlog ontstond tussen Duras en Loon. (Zie verder: Algemene Gegevens - Duras.).
KASTEEL, gebouwd in de XIde couw. Thans verdwenen.
GRAFSTENEN.
KAPEL EN KLUIS VAN HELSHOVEN: Kapelletje van 0.L.V. van de Blijde Vrede, gesticht in 1253 door de Teutonische Orde. Tot voor 25 jaar, werd de kluis, gehecht aan de kapel, bewoond door een kluizenaar die te Groot-Gelmen op het kerkhof begraven ligt.
KASTEEL, opgericht in de XIIde eeuw.
OUD GERECHTSHOF en SCHANDPAAL: Middenin het dorp staat heden nog het eeuwenoud gerechtshof, thans herschapen in een boerderij. Boven de ingangsdeur prijkt het adelijk wapen der heren de Schaerenberg en Lynden. Schuin tegenover stond de "kaaksteen". Ongelukkig werd deze in het jaar 1897 met zware hamers aan stukken geslagen.
MIDDELEEUWS SLOT: Grote granieten inrijpoort met gebeiteld wapen. Thans "Mariagesticht", internaat bestuurd door de EE.ZZ. Annonciaten van Heverlee. Natuurlijk heeft dit kasteel veel van zijn vroegere kenmerken (versterkte burcht) verloren, door de grondige wijzigingen aan de gebouwen. De ronde toren met dikke muren en zeer talrijke schiet- en werpgaten, is echter goed bewaard gebleven en draagt nog duidelijk de kenmerken van een versterking ook de vijver, die het goed nu nog gedeeltelijk omringt.
KASTEEL UIT DE XII de EEUW.
WIT KASTEEL: Toren uit de XIIde ceuw, rest uit de XVde.
VERSTERKTE TORENS: Montenaken heeft steeds op de voorposten gestaan van het Luikerland, tegen de Brabanders. Voor het dorp, nabij de grens, vorhieven zich, als vooruitgeschoven bolwerken, versterkte torens met geweldig dikke muren. Er bestaan er nog twee van: de huidige kerktorens van WEZEREN en
WALSBETS. In de muren, die 1,75 m meten, is een trap aangebracht, die de schildwachten en schutters toeliet hun stelling te vervoegen voor de wacht of de strijd. Zo was Montenaken, als schildwacht van het prinsbisdom en als beschermer van één zijner heirbanen, voorbestemd om getuige te zijn van grote veldslagen.
(Grens BATSHEERS-OPHEERS-MECHELEN BOVELINGEN):
DE FARCERIE zou ontstaan zijn einde XIdeoof begin XIIde eeuw. HET KASTEEL werd gebouwd in 1332. Overblijfselen werden nog teruggevonden bij het ploegen.
bezat einde XIde of begin XIIde eeuw een OPENBARE KAPEL, omringd door een KERKHOF. De pastoor van Mechelen-Bovelingen was er de bedienaar.
KLOOSTER VAN PERK: In 1134 schonk Gislebertus, heer van Duras, vele goederen, gelegen in het naburige Runkelen, aan de abdij van Perk, op Voorwaarde daar een klooster te bouwen en de St.Andrieskerk te bedienen. Die begiftingen werden in het jaar 1142 door Alexander, bisschop van Luik, goedgekeurd. Een eeuw later was het klooster van Runkelen nog in volle bloei. Dit blijkt uit een vertoog dat de kloosterlingen deden tegen het oprichten van het "klooster van Oriënten", als zijnde te dichtbij gelegen en in strijd met overeenkomsten, bestaande tussen de kloosterorden van Prémontré en Liteaux. De zaak werd door aanzienlijke personen door Paus Gregorius aangesteld bijgelegd en de stichting der abdij van "Oriënten" ging door.
KLOOSTER VAN ORIENTEN: Dit klooster stond tegen de kerk die in 1847 afgebroken werd; het laatste overblijfsel van het klooster werd toen eveneens gesloopt. Dit was een tamelijk grote sacristij, welke een bovenstage en een zolder had. Die bovenstage noemde men "KLUIS", omdat zij na het vertrek der abdijheren uit Runkelen (men weet niet wanneer) door een kluizenaar bewoond werd, die zorg droeg voor de alsook de kerk. De kerk werd onderhouden door de heren van Perk priester, die op Zon- en feestdagen het H. Misoffer te Runkel en kwam opdragen.
Van 1034 tot 1055 bouwde Abt Guntram de eerste helft van de ABDIJTOREN.
Van 1055 tot 1082 bouwde Abt Adelardus II de VERSTERKING VAN DE STAD en de KERKEN van St-Gangelof, O.L.V., alsook de eerste St-Maartenkerk toen "H-Grafkerk" genaamd.
In de XIIde eeuw bouwde men het BELFORT, de KERKEN van St-Pieter - vroeger "St-Niklaas" - (1140) en van Guvelingen (einde XIIde eeuw). De O.L.V.-kerk brandde af in 1186, de H-Grafkerk op 1 September 1221. De oprichting van BOGAERDENKLOOSTER (thans de Rijksmiddelbare Meisjesschool) dateert van voor de XIIIde eeuw. Het BEGIJNHOF werd opgericht in 1258 door Abt Willem van Rijkel.
KERK - ROMAANS GEDEELTE:
TOREN EN HET INGEMETSELDE PORTAAL: De toren is 35 m hoog, 9 m breed en de muren 1,80 m dik. Men kan het hem aanzien dat hij als vesting moet gediend hebben. Hij is opgetrokken in silexstenen en dateert van 1152 - de ijzeren datumankers en de bouwtrant bewijzen dit zonneklaar. Dat was trouwens ook het advies van E.H. Pluymers, die te Wellen pastoor is geweest van 1849 tot 1868 en die veel aan de kerk heeft laten herbouwen.
IN DE KERK zijn ook nog Romaanse gedeelten van MUREN zichtbaar: Links en rechts van de toren, binnen de kerk, zijn verdikkingen die in rechte lijn overeenstemmen met de muren welke in de pijlers zijn ingemetseld - daar liep waarschijnlijk de muur van de Romaanse kerk. Ook de wand van de linkerzijbeuk vertoont onder het venster een uitsprong die hem dubbel zo dik maakt dan de verdere muur - dit zou een stuk zijn van de buitenmuur der primitieve Romaanse kerk. De eerste kerk zou dus een kruisbeuk gehad hebben - dit zou het bestaan van twee Romaanse bogen tussen de voorste pijlers en het koor ook nog bevestigen. Wellen telde in de XIIde eeuw 400 inwoners. Honderden karren met silexstenen moesten bijgehaald worden uit het zuiden van de prov. Luik, over wegen waarvan geen enkele geplaveid was; de voerlui hadden waarschijnlijk een ganse week nodig om de reis af te leggen.
HOF TEN RODE: In de XIIde eeuw (waarschijnlijk tussen 1129 en 1183) schonk de hertog van Brabant (waarschijnlijk Godfried met de Baard) het gehucht "Terweiden" aan de abdij van Perk. Dit gebeurde met het doel de toenmalige vuile en stinkende moerassen in vruchtbare akkerlanden te herscheppen en de bossen te ontginnen. De woorden "Rhode" (uitgeroeid) en "Hambos", zoals de streek thans nog wordt geheten, verklaren ten volle dat een deel van Terweiden bebost was.
De abdij van Perk stuurde er enkele kloosterlingen naar toe, die er zich hoogstwaarschijnlijk een boerderij bouwden en deze de naam "Hof ten Rode" gaven, heden ten dage nog bestaande als een der grootste boerderijen uit de streek.
KANALISATIE: Terwijl alzo Terweiden een grote uitbreiding kende, werden de rivieren, tussen Leeuw en Antwerpen gelegen, gekanaliseerd, waardoor Leeuw zich rechtstreeks in verbinding bevond met Halen, Diest, Aarschot, Mechelen en Antwerpen. Het werk was in het jaar 1213 voltrokken en de Kleine Gete van Leeuw tot Budingen bevaarbaar, alsook de Grote Gete van Budingen tot Halen, van waaruit de schepen door de Demer, de Dijle en de Rupel in de Schelde geraakten, om Antwerpen te bereiken. Hierdoor namen handel en nijverheid een grote uitbreiding te Zoutleeuw en meer nog door het charter, door Hendrik I in 1213 aan de stad verleend, en waarin dienaangaande werd verklaard dat geen schepen, nadat ze Halen hadden verlaten, mochten ontladen noch te koop stellen elders dan te Leeuw, dus niet te Budingen of te Geet-Bets.
KERK - ROMAANS PORTAAL: Het Romaans portaal, dat thans ingebouwd staat in de buitenwand van de Zuidenmuur der hedendaagse kerk, zou dagtekenen van omstreeks 1175. Het is in zachte zandsteen gesculpteerd en heeft een hoogte van 2,39 m, waarvan 0,93 m voor het timpaan of kroonboog. Het is een der overgebleven werken van een geoefende school die in de XIIde eeuw vruchtbaar werk heeft geleverd, een merkwaardig stuk beeldhouwwerk, doch weer en wind hebben de zachte steen zo sterk afgeknaagd dat zekere figuren moeilijk te vereenzelvigen zijn. (Bibl.: Comte J. de Borchgrave d'Altena; "Le portail roman de Wellen", "Bulletin de la société royale d'archéologie de Bruxelles", 1932, p. 152-153 en "Notes au sujet de sculptures conservées à Wellen" in "Leodium", 1935, p.6-9.)
Vroeger heeft er ter plaatse "Pisbeemd" een KAPEL gestaan. Van deze kapel stamt volgend volksvertelsel: De eigenaars hadden de kapel afgebroken en het volgend jaar stierven allen aan kankerziekte. Het beeldeke werd bewaard in een sacristij. (In 1935 werd een moderne kapel gebouwd en het beeldeke kreeg er de ereplaats.
Op het stadhuis bewaart men een oud FOLTERTUIG ("duivengaten").
HET KLOOSTER VAN ORIENTEN: Rond 1230 (misschien enige jaren vroeger) kwamen enkele godvruchtige vrouwen bijeen in een goed van de heren van Loon, onder Rummen. Ze leefden er zonder bepaalde kloosterregels, gelijk veel andere begijntjes van die tijd. Het eerste klooster heette dan ook "De Lieve Vrouwenhof". Aldus wordt het genoemd in verschillende bullen, door de Pausen aan Oriënten verleend. Hun grote weldoener, de heer van Rummen, was toen zeer ingenomen met de Bernardijnerorde. Wellicht is het op dezes aandringen en dat van de bisschop van Luik, dat de begijnen de regel aannamen van Sint Bernardus en van de orde van Liteaux. Om gemakkelijker de geest en de praktijk van de regel aan te leren, vroeg men enige zusters van Oplinter. Te Oplinter sprak men voortaan dikwijls van "onze zusters van Oostwaarts" ("sorores domus Orientis" of "sorores nostrae Orientanae"). Van lieverlede bleef die naam bestaan; de zusters van Rummen noemden zichzelf "Oriënten". De 15de abdis van het klooster was Margareta van Oostenrijk, nicht van keizer Maximiliaan. Zij overleed op 29 Juli 1604.
De abdij van Oriënten was verplicht elke Zondag twaalf broden van 3 pond elk, en van dezelfde hoedanigheid als deze die aan de zusters werden opgediend, aan de parochiekerk van Rummen te laten geworden om aan de armen uit te delen. Een dertiende moest hier worden aan toegevoegd en was bestemd voor de drager van de twaalf andere.
CHRISTINA DE WONDERBARE: Geboren in 1150 te St. Truiden of te Brustem (men heeft geen zekerheid). Gestorven in 1182, op 32-jarige leeftijd. Tijdens het "Agnus Dei" van haar dodenmis kwam haar lichaam in de open lijkkist weer recht, steeg de hoogte in en ging plaats nemen op één der dwarsbalken van de kerk. Na de mis gebood de priester in naam van God de verrezene weer naar beneden te komen. Zij gehoorzaamde en ging samen met haar zuster weer naar huis om haar normaal leven verder te zetten. De tweede en derde dood van Christina had plaats in 1224, op 74-jarige leeftijd. Zij verbleef in het Ste-Catharinaklooster, dat gelegen was buiten de Tiense poort, ongeveer waar nu het spoorwegstation is. Toen ze daar overleed zonder een laatste woord te hebben gesproken tot de zusters, kwam ze weer tot het leven op aanhoudend smeken en bidden van zuster Beatrix, die haar tijdens haar laatste ziekte had bijgestaan. Na hartroerende woorden van afscheid, samen met haar laatste zegen over al de zusters van haar geliefd klooster, vertrok zij voor de derde en laatste maal naar haar God, waar ze zo vurig naar verlangde.
Wonderbare feiten uit haar leven:
Zij werd na haar eerste dood, gevoerd naar vagevuur, hel en hemel en herkende veel afgestorvenen. Ze kwam terug om te lijden voor de zielen van het vagevuur en voor de zondaars.
Zij kastijdde haar lichaam op de pijnbank, in ijskoud water, in kokend water en in vuur, zij liet zich door de honden bijten.
Zij ging te Luik over de Maas en kwam droogvoets aan de overkant.
De ongeletterde maagd las en verklaarde de H. Schrift in 't Latijn.
Zij verbleef van 1209 tot 1218 te Loon, tijdens graaf Lodowijk II. Deze vroeg haar steeds om raad, noemde haar "moeder" en riep haar naast zijn sterfbed. Zij deelde met hem de straffen van zijn vagevuur.
Zij bezat de gave van voorzegging:
aangaande de ontrouwe kloosterzusters,
aangaande de val van Jeruzalem,
aangaande de grote hongersnood;
bij de veldslag van Steps in 1213 voorspelde zo aan één der zusters het groot gevaar voor haar vader.
(Naar het Middeleeuws verhaal van Thomas van Cantimpré, naverteld door E.P. Clerinx, C.SS.R., ter gelegenheid van de feestelijkheden bij de 600ste verjaring van haar geboorte - 1150-1950.)
De hoofdkerk van Alken werd onder de bescherming gesteld van de H. Aldegondis. Ook wordt beweerd dat de naam "Alken" zou afkomstig zijn van "Aldegondis".
OETSLOVEN: In zijn "Notices historiques sur les Eglises du Diocèse de Liège" schrijft Joseph Daris, dat Oetsloven in de oude acten van het graafschap Loon staat vermeld als Oetersloo, wat wellicht betekent: "bos, toebehorend aan de familie Oeter". Oetsloven is nu nog, als vroeger, een gehucht van Berlingen.
Van hot vroegere gerecht stammen de PLAATSNAMEN "Galgenveld", "Galgenbos" en "Galgenstraat".
De naam is afkomstig van het woord "Gotheim" d.i. "Gods Heem".
FAMILIENAMEN IN GEBRUIK: De Kruisvaarders ontleenden familienamen aan de plaats waar ze verbleven (rivier, bos, kasteel).
In Niel vindt men nog: Vandermeulen, Vandergeten, Vandersmissen, Vanbergen, Vandormael, Duchateau.
(nu +- Belgisch Limburg), ingeklemd tussen machtige buren, werd in de XIIde eeuw een Luiks leen en na het uitsterven van het grafelijk huis bij het prinsbisdom ingelijfd (1366). Het prinsbisdom Luik is, dank zij zijn kerkelijk karakter en vooral zijn vaderlandsliefde, het enige onzer vorstendommen dat zijn onafhankelijkheid bewaard heeft tot aan de Franse Revolutie.
GERECHT: Van in de vroegste tijden van het graafschap Loon is er vooral spraak van de rechtbank VLIERMAAL die stilaan hot oppergerechtshof van het graafschap word. Vliermaal had in 1297, 72 dorpen onder zijn bevoegdheid. In zijn hoedanigheid van oppergerechtshof worden de 7 schepenzetels ingenomen door rechtsgeleerden. Weldra werden ook de zittingen te HASSELT, de wordende hoofdplaats van het graafschap gehouden, doch de naam "Hof van Vliermaal” bleef behouden en de schepenen gingen zoals voorheen te Vliermaal zetelen, waar ze tevens als locale rechtbank fungeerden.
CIJNSHOVEN: Een heer mocht te allen tijde een locaal hof (cijnshof) als rechterlijke instelling in zijn domein oprichten. Slechts de geschillen die nopens de cijnsplichtige grond en konden oprijzen, werden er beslecht. Onteigening mocht door het cijnshof niet worden uitgesproken. In zekere dorpen fungeerden soms 5 tot 6 cijnshoven, naargelang de grond aan verschillende grote eigenaars of kloosters toebehoorde. De belangrijkste cijnshoven bleven bestaan tot aan de Franse omwenteling.
SCHEPENHOVEN: In de XIIde en XIIIde eeuw ontstaan, was een schepenhof evenals het cijnshof een rechterlijke instelling, maar met uitgebreider bevoegdheid; het was tevens het hoofd van de cijnshoven, in de localiteit gelegen. De toestand op de buitengemeenten was als volgt: De schepenen waren niet alleen rechters, ze bleven tevens de rol van het vroegere cijnshof (waaruit het schepenhof was ontstaan) voortzetten en zorgden voor de overdrachten van goederen, testamenten, delingen, huwelijksvoorwaarden... De vergaderingen hadden, naar oud-Frankisch gebruik, plaats in open lucht, doorgaans onder de linde op het dorpsplein.
ALKEN ALS VOOGDIJ VAN LOON:
In het jaar 1015 kwam het graafschap Loon tot grote bloei. Alken bleef altijd (en dit tot aan de Franse Revolutie, in 1792) bij het prinsbisdom; alleen als voogdij-heerlijkheid werd het overgenomen door Loon. De graaf van Loon kreeg dan rechten, welke hij kon doen gelden, o.a. het justitie-recht: Hij mocht de mensen in Alken oordelen en dit volgens het Luikse recht.
(Het recht verschilde van graafschap tot graafschap.)
De graaf van Loon mocht eveneens beschikken over de kleine inkomsten, maar moest dan ook zorgen voor het aanwerven van soldaten en voor hun onderhoud. Zo kreeg de graaf o.m. de inkomsten van een hoeve, genaamd "Hoeve Buntinx".
Arnold III kreeg Alken in voogdij en gaf het terug voor 200 marken. Arnold V nam de voogdij weer aan. In het jaar 1361 stierf deze graaf kinderloos en toen ging Alken, samen met Loon, voorgoed aan Luik.
INSTELLINGEN VAN DIE TIJD:
1° De CENTRALE HOEVE: Gelegen in het dorp en behorend aan de prins- bisschop. De Centrale hoeve is de nu nog gekende "Hoeve Vos" in het Centrum. Hier was ook een molen, evenals op Geustingen. De Centrale hoeve had cen eigendom van 12 bunders; de kleinere hoeven hingen er van af en de mensen werkten er als lijfeigenen (knechten zonder grond) of als grondhorigen (wanneer zijzelf iets grond bezaten). Rond het jaar 1252 begon de prinsbisschop van zijn grond te verhu- ren. Zo 'n stuk noemde men "kouter" (van "cultura"); vandaar ook de naam "koctor" voor kleine boerkens. De huurders moesten 1/8 van de opbrengst afstaan in natura; daarbij waren zij nog verplicht de no- dige karweien op te knappen aan de Centrale hoeve van de prinsbis- schop. In het jaar 1380 spreckt men van een "speelman". Deze werd gezonden door de prinsbisschop en had als taak de mensen op te beu- ren bij hot work (muziek en zang). De prinsbisschop kwam zeer dik- wijls in Allen voor inspectie van zijn cijnshof, zijn jachtmeester en zijn vismcoster.
2° De CIJNSKOVEN: Een cijnshof bestond uit een meier en 7 laten. In Alken bestonden er drie:
Blekkenberg (dit behoorde aan de abdij van Averbode),
Centrale hoeve (toebehorend aan de prinsbisschop),
Geustingen (misschien afhankelijk van de graaf van Loon).
3° De SCHEPENBANK: Het gerecht werd uitgeoefend door de schepenbank, bestaande uit een schout, een drossaard, een secretaris en 7 schepenen. (De schout, ook burgemeester, was voorzitter in geval van burgerlijke zaken; de drossaard was voorzitter in geval van criminele zaken. Soms was de drossaard ook schout.) In het jaar 1350 had de schepenbank van Alken reeds een stempel, welke nu nog bestaat. Het is bekend dat de laatste drossaard, nl. Hollanders, op DOMPAS heeft gewoond.
Op RODE POEL was het justitie paleis voor de mannen. (De naam komt van "ophangen boven een poel").
Op ROODSTAART veroordeelde men de vrouwen.
N.B. De bende der "bokkenrijders" die bestond uit leden van Wellen en Alken, werd eens geklist en geoordeeld door de drossaard van Alken. De Wellenaren werden hard gestraft en de Alkenaren niet, daar de drossaard hun partij trok.
GESCHIL TUSSEN DE GRAAF VAN DURAS EN DE GRAAF VAN LOON:
In het jaar 1170 ontstond er een geschil tussen Louis, graaf van Loon en Gillis, graaf van Duras.
De graaf van Loon, eveneens heer van Brustem, deed te BRUSTEM een versterkte toren in steen optrekken en richtte er een garnizoen in; hij deed er eveneens de parochiekerk omringen met verschansingen, zodat ze ongenaakbaar werd.
Aangezien de abt van St. Truiden zaakvoerder was van Brustem en de graaf van Duras in feite die bediening waarnam, deed Gillis aan Louis verstaan dat hij deze veranderingen te Brustem niet mocht doorvoeren zonder de toestemming van de abt. Maar zijn raad werd miskend en van weerszijden nam men de wapens op.
Loon bracht zijn leger in het veld de 12de Juli, Duras bleef niet minder actief; hij ging om het vijandelijk leger te ontmoeten en zware schermutselingen hadden plaats.
Daar hij zich echter niet sterk genoeg voelde om een veel talrijker vijand te verslaan, gebood de graaf van Duras zijn troepen hun verschansingen niet te verlaten, zich in verdediging op te stellen en zich niet onverwacht te laten overvallen. Ondertussen vertrok hij in het geheim naar Vlaanderen om er bij graaf Philip, zijn neef, hulp te vragen, die deze laatste echter niet kon toestaan in het begin van zijn bewind.
De graaf van Loon, onwetend. hieromtrent en ziende dat de troepen van Duras zich achter hun verschansingen teruggetrokken hielden, viel de inwoners van SINT-TRUIDEN aan. Hij stal het vee en perste het geld af van diegenen die gevangen genomen werden. Hij had het vooral ge- munt op de abt, waarvan hij dacht dat deze de aanstoker was van de oorlog, die Duras hem had verklaard.
Abt Weric stuurde een afvaardiging naar keizer Frederik te Nijmegen om er zijn beklag te maken over de graaf van Loon en om deze heer te verplichten de schade te herstellen die hij had aangericht. Frederik liet hem weten dat de burgers van St. Truiden zich binnen hun muren moesten houden en absoluut geen deel mochten nemen aan de strijd; hij zou de graaf van Loon verplichten de schade te herstellen. De burgers van St. Truiden, onderdanig aan de orders van de keizer, hadden de hatelijkste verwijten te verduren van graaf Louis, die er maar op uit was de stad in de oorlog te betrekken. Weric stelde de keizer hiervan eveneens op de hoogte en deze gaf dan toelating de wapens op te nemen ter verdediging.
Graaf Gillis, uit Vlaanderen weergekeerd, en na overleg gepleegd te hebben met abt Weric, haalde de inwoners van St. Truiden in zijn kamp. Aldus gevoelig versterkt overviel hij 's nachts de vijand, die verrast op de vlucht sloeg. Graaf Louis, aangetast door koorts, trok zich terug in zijn kasteel te Loon.
De graaf van Duras, na Brustem en omstreken te hebben in brand gestoken, ging het kasteel van Loon belegeren. Maar Godfroid, hertog van Brabant, die in tweede huwelijk getrouwd was met Imaine, dochter van Louis, snelde zijn schoonvader ter hulp, die echter ondertussen overleden was. Godfroid liet Gillis weten dat, indien hij de oorlog wou voortzetten, hij de hertog van Brabant op zijn weg zou vinden. De vrede werd dan getekend tussen graaf Gillis en graaf Gerard, zoon en opvolger van Louis. Om die vrede nog hechter te maken, gaf graaf Gerard zijn zuster Aleyde, een vrouw van uitzonderlijke schoonheid, aan Gillis ten huwelijk.
Terwijl Gerard in 1173 deelnam aan de kruistocht, werd zijn broeder Hugues regent van zijn staten. Deze laatste wou opnieuw BRUSTEM versterken door middel van een brede sloot en dikke muren. Gillis wou zulks weer beletten, maar Hugues sloot de ogen voor de stappen, gedaan door zijn schoonbroeder.
Toen graaf Gerard in 1174 terugkeerde wou hij het versterkingswerk dat Hugues had ondernomen voortzetten, maar Canon van Duras, die in naam van zijn broeder Gillis, het onder zaakvoerderschap van St. Truiden waarnam, verzette zich hiertegen. Toen ging Gerard, volhardend in zijn voornemen, naar de keizer en verkreeg er de vrijheid van Brustem een versterkte stad te maken, met het verbod aan de graaf van Duras zich er nog verder tegen te verzetten.
GERECHTSHOF:
Rond de jaren 1230 bezat Duras een gerechtshof. De doodstraf werd uitgevoerd door middel van een galg. Deze galg stond opgesteld in het Galgenveld, een paar honderd meter van het Galgenbos, waar drie olmen waren geplant, die hiertoe dienst deden.
PAROCHIE IN DE MIDDELEEUWEN:
Volgens E.H. Paquay was Groot-Gelmen als parochie een der oudste van de streek - samen met St. Truiden, Velm en Zepperen van de XIIde eeuw. De kerk en de pastorij hadden een inkomen van ongeveer 25 bunders land, 250 vaten rogge en enige geldrenten. De kosterij had een jaarlijkse inkomen van ongeveer 24 vaten rogge, 6 eieren per huisgezin in de paasweek en ook rond de oogsttijd per huisgezin 2 broden van 8 pond; van de armentafel verkreeg zij 8 vaten rogge in vervanging der broden die de arme mensen niet geven konden. De kapelaan die als koster fungeerde verkreeg nog van de armentafel, voor het luiden van de "Engel des Heren" 8 vaten, voor het opwinden der horloge 12 vaten, om kosteloos de kinderen der armen te onderwijzen 8 vaten want hij was terzelfdertijd ook schoolmeester. Daarenboven moest hij verschillende stichtingen bedienen.
DE ARMENTAFEL, of het armenbureel een kerkelijke instelling - stond onder het beheer van de kapelaan, die jaarlijks aan de bevolking, in de kerk vergaderd, rekening moest geven van zijn beheer. De inkomsten waren in 1763: 256 vaten rogge en 51 gulden. Een dertigtal gezinnen genoten onderstand.
DE HEERLIJKHEID HOEPERTINGEN was in het begin een groot leen, dat afhing van de graaf van Loon. De heren van dit leen kregen mettertijd sommige rechten; zij mochten o.a. de burgemeester benoemen en de schepenen van het hof, een gedeelte van de rechterlijke boeten kwam hen toe.
Conraad van Hoepertingen, de oudst gekende heer, was in het gevolg van Lodewijk I, graaf van Loon en was getuige in een charter van de graaf in 1155; hij vergezelde de graaf ook op zijn krijgstochten. Waarschijnlijk hebben de graven van Loon in de eerste helft der XIIIde eeuw de rechten op hun feodale goederen en op de heerlijkheid afgestaan aan de heren van Heeswijk. In de XIVde eeuw hangt de heerlijkheid Hoepertingen af van het feodaal hof van Heeswijk. De redenen en de oorzaak van die afstand zijn echter niet gekend.
GERECHT: De heren van Hoepertingen hadden in de XIde eeuw nog het recht de schout, de burgemeester en de schepenen aan te stellen. De schout vroeg gewoonlijk een strenge straf voor degenen die op het gerechtshof veroordeeld werden. Kleine misdrijven (wild stropen in de bossen van de graaf en veldvruchten stelen) werden gestraft met geldboeten. Bij herhaling van deze feiten werden de schuldigen bepaalde uren van de dag aan de kaak gesteld. De schepenen die het vonnis moesten uitvoeren, kondigden in het openbeer (aan de kaak) af, voor welk strafbaar feit en hoe lang de veroordeelden aan de kaak moesten gaan staan. Iedereen mocht hen dan daar komen bespotten. Voor grote misdrijven werd men ook tot de galg verwezen. In Hoepertingen waren in die tijd twee galgen: "de stenen galg" op het Windmolenveld en "de houten galg" op de Galgendries.
N.B. Een wildstroper, die, na aan de kaak gesteld geweest te zijn, op een nacht 70 jonge boompjes van de graaf overbrak, werd opgeknoopt op de Galgendries. Dit gebeurde rond de jaren 1400.
Het CIJNSHOF van Jeuk maakte deel uit van het kapittel van St. Jan, gesticht door Notger (972-1008), eerste prinsbisschop van Luik. Dit KAPITTEL was eigenaar van 17 hoeven, bossen en leenheerlijkheden.
DE RECHTBANK VERTE: Geschiedschrijver Robert Ulens schreef: Kort nabij het gehucht Heusen in Kerkom bestond een dorp met name Veert, waarvan geen spoor meer te vinden is. Het was de zetel van een hoog gerecht waarvan verscheidene dorpen, nl. Aalst, Buvingen, Borlo, ten minste gedeeltelijk onderworpen waren, zoals blijkt uit uittreksels uit een oud register, dat de heer de Ridder in "l’Ancien pays de Looz" (jg. 1909) liet verschijnen, en nog fungeerde in de XVIIde eeuw. Men mag zich afvragen of gezegd gerechtshof niet ingericht was voor de Loonse goederen, gelegen to Borlo, Buvingen, Muizen enz., en die als dusdanig onder de jurisdictie van de abt van St-Truiden niet stonden. In de loop der XVIIde eeuw worden geschillen opgelost tussen de abt en de prins aangaande Borlo en Buvingen. Misschien is het hof van Veert na die oplossing verdwenen, ofwel veranderd in Schepengerecht voor Aalst alleen?
Dr Lyna beweerde dat "Het Hof van Verte" van Frankische oorsprong was. In het uitgegeven werk van pastoor Frans Robijns, sprekende over Mielen, leest men op blz.34 een tekst, genomen uit "De oude Vrijheid Montenaeken" van Kempeneers: "hovende voer dat ghericht van Verte op de Vertestraete bij den Verterbosch - gelegen tussen Kerkum en de Verte". (Verte, verde, vaert is eigenlijk: weg, baan.) Het gerechtshof bevond zich dus tussen Kerkom en een weg. In welke richting? In Kerkom is er wel spraak van de "Veertse weg", ± 500 m voorbij de kerk, in de richting van Mielen (tussen 't kapelleke achter weide Champagne en Manshovenweg). Heeft het gerechtshof gestaan in de omgeving van "de Veertse weg", richting Mielen of in de omgeving Heusden, richting Aalst?
CIJNSHOF: In Kerkom was een cijnshof voor de leengoederen die toebehoorden aan de abdij van St. Truiden. (Dit cijnshof kwam op 12 December 1780 in handen van Jan de Brouckmans - nu het "Wit Kasteel".)
SLAG VAN STEPS: De 13 Oktober 1213 had de vermaarde Slag van Steps bij Montenaken plaats, waar de Luikenaars (prinsbisschop Hugo van Pierrepont) de overwinning behaalden op de Brabanders (hertog Hendrik I). De slag werd gewonnen op miraculeuze wijze. Voor de aanval werd het beeld van O.L.V. op het slagveld (Stepsveld) gedragen.
De bekende verering van O.L.V. van Steps kent hier haar ontstaan.
In 1218 werd Rukkelingen parochie. De pastoor van Mechelen Bovelingen bezat het recht de pastoor aldaar aan te stellen; in 1236 gaf de bisschop dit recht over aan de abt van Averbode.
DE RELIEKEN VAN DE H. TRUDO EN DE H. EUCHERIUS werden in 877 ter verering verheven.
DE NOORMANNEN verwoestten in 900 de abdij en de bibliotheek;
DE HEILIGE LIBERTUS werd vermoord voor het altaar.
DE NIEUWE ABDIJKERK werd in 945 gewijd.
LENEN VAN DE ABT: De abt was leenheer o.a. in volgende gemeenten:
Aalst 19 bonder
Borlo 7 bonder
Gingelom 2 bonder
Halmaal 1 bonder
Kerkom 34 bonder
Kozen 62 bonder
Mielen 3 bonder
Muizen 2 bonder
Niel 6 bonder
Nieuwerkerken 13 bonder
(Bibl.: Simenon; "Organisation de l'Abbaye de Saint-Trond"; )p.211.
1129 Eerste VELDSLAG naar aanleiding van de strijd tussen Brabant en Luik. De slag werd gewonnen door Luik.
VERWOESTING: Het gevolg van de overwinning te Steps bij Montenaken was, dat de steden Hannuit en Landen, alsook 32 dorpen uitgeplunderd en gedeeltelijk in brand gestoken werden door de Luikenaars. Daarna wilde het prinsbisschoppelijk leger naar Leuven trekken, maar de graaf van Loon drong er sterk op aan dat men zou beginnen met de vernietiging der stad Zoutleeuw. De bisschop stemde toe. Het leger vertrok en verwoestte onderweg al de dorpen welke aan de hertog van Brabant toebehoorden. Toen men voor Leeuw gekomen was, waren het de Sint-Truidenaars die het eerst de stad binnentrokken en ze helemaal leegplunderden; ze spaarden slechts één zaak: al het hout dat ze in gebouwen en versterkingen vonden, namen ze mee naar huis om het tot hun gebruik aan te wenden.
DE ABTSMOLEN:
In een bijgebouw der abdij wijst men nog de onttakelde abtsmolen aan. Deze wordt al vermeld in de XI de eeuw. De abt liet de bedding van de Cicindria, die vroeger door de huidige Rijschoolstraat (Lege beek) liep, omleiden om water te hebben voor de molen.
DE HUIDIGE O.L.V.-KERK is gebouwd in de XIVde eeuw.
PERRON:
Toen prinsbisschop Engelbert in 1362 aan de stad een nieuwe keure verleende en de benoeming van twee burgemeesters en twaalf raadsleden, werd een stenen perron, zinnebeeld der gemeentelijke vrijheden, opgericht in het midden van de grote markt: een zuil, bekroond met een pijnappel, een kruis en een tweekoppige arend (Sint-Truiden was bisschoppelijke en tevens keizerlijke stad). De stenen zuil werd in 1598 vervangen door een ijzeren.
HALLEN:
De hallen, thans kunstvol gerestaureerd, werden opgericht tegen het oud belfort in 1366. De bisschop Jan van Arkel en de abt Zacheus van Vranckenhoven, keurden de oprichting ervan goed "voor de verkoop van alle koopwaren en onder voorbehoud der rechten van de heren". De hallen moesten zich bevinden op beider grondgebied - St. Truiden behoorde immers voor de ene helft aan de bisschop van Metz, leenman van de Duitse keizer, en voor de andere helft aan de abt van de Benedictijnerabdij van Sint Trudo (Cfr. Frankisch - Algemene Gegevens - Verdeling van het grondgebied). Tengevolge ener overeenkomst ging het eerstgenoemde deel in 1227 over op de bisschoppen van Luik.
De scheidingslijn der twee lenen liep dwars over de Markt, van Oost naar West en toen de hallen opgetrokken werden in 1366, moesten ze zich dus bevinden op het grondgebied der beide lenen.
De hallen omvatten "een meershalle, een lederhuys, een laekenhalle en een vleeschhuys". De oorspronkelijke houten zoldering werd door gewelven vervangen in de XVIIIde eeuw. Ze zijn thans blootgelegd. Stadsburelen zijn nu in deze hallen ondergebracht.
REFUGIEHUIZEN:
Refugiehuizen werden door kloosters gebouwd in versterkte steden, waar de kloosterlingen bij woelige tijden konden heen vluchten, en dat gebeurde niet zelden. In vredestijd bleven de gebouwen daarom niet onbenuttigd; ze konden dan dienen voor het beheer der nabijliggende goederen van het klooster.
Vier zulke toevluchtsoorden zijn in Sint-Truiden gekend:
dit van Herckenrode (St.Trudo-Instituut, Schepen de Jonghstraat)
dit der abdij van Nonnen-Mielen (waarschijnlijk in de Zoutstraat)
dit van Averbode, gebouwd in de XVI de eeuw (nu omvat in de klooster- en schoolgebouwen der Ursulinen)
de "Minneport" (vroegere Rijkswacht, thans eveneens St.Trudo-Instituut), toebehorend aan de Teutonische Ridderorde die o.a. na de Kruistochten te Bernissem gevestigd was.
(Bibl.: J. Flamend; "Gids voor Sint-Truiden ".)
HALLE: In 1316 word er te Zoutleeuw een begin gemaakt met het bouwen van een halle, om tot uitstalling en verkoop van alle soorten waren te dienen. In die halle werd tevens een loge of kamer gemaakt, tot het gebruik der schepenen om er hun vergaderingen te houden.
SCHUTTERSGILDE: In Gingelom bestond tot 1914 de schuttersgilde "St.Sebastiaan", die een eigen lokaal had dat nu nog bestaat en "Schutterskamer" heet. Om de 3 jaren was er het "koning schieten". Wie tot koning uitgeroepen werd moest een medalie kopen, waar een vogel op voorkwam met het jaartal. Een medalie met het jaartal 1448 is gevonden, wat er op wijst dat die pleziergilde moet opgericht zijn ten tijde der Gemeenten. De bijzonderste reglementen waren:
Het bestuur bestond uit voorzitter, schrijver, schatbewaarder en raadsleden.
Om lid te worden werd men gekozen met bonen. Had men meer zwarte dan witte bonen, dan werd men niet aanvaard.
Er werd geschoten van April tot Juli.
Ieder lid had elke Zondag recht op 4 pinten bier. Elk had zijn eigen pint. (Gulzigaards bezorgden zich een grote pint.)
Onder het spel mocht niemand vloeken. Wie toch vloekte diende een boete te betalen. (Voor 1914 kostte iedere vloek 0,05 fr.)
St-Sebastiaan was hun feestdag: 's Morgens gingen de leden naar de H.Mis en kregen in hun lokaal een koek met een dikke klont suiker. 's Avonds mochten de vrouwen meekomen en dan was er "biersappen" (bierpap) met nog 2 gekookte eieren en brood.
Ieder lid kreeg een H.Mis bij overlijden.
GESCHIEDENIS VAN HET SINT-ANNAKLOKJE: De St. Annaklok dagtekent van 1314 en is één der oudste van België. Tijdens de Franse Omwenteling hadden de Fransen het gemunt op dat klokje. De eerste maal konden zij de zware deur van het oude kerkje niet inbeuken. Om zeker te spelen haalden sterke durvers van Mechelen, enkele dagen daarna, het klokje uit de toren en verstopten het in een naburig dorp onder een mesthoop tot na het vertrek der Sansculotten. Onder de oorlog 1940-45 werden twee klokken door de Duitsers meegenomen, maar het kleine St. Annaklokje mocht blijven, tot grote voldoening van Mechelen-Bovelingen. Nu wordt in tijd van bliksem en onweder het klokje getampt om het gevaar te doen wijken; de mensen stellen er veel betrouwen in.
RELIKWIESCHRIJN: In de kerk staat ook een schrijn van grote waarde. Zuster Maria-Theresia de Borchgraeve, afkomstig uit Mechelen-Bovelingen en overste kanunnikes in het klooster te Munsterbilzen, schonk dit schrijn aan de gemeente, daar zij wist dat de Fransen het vooral gemunt hadden op de kloosters.
VRIJE MARKT: Rummen had in het begin van de XIIIde eeuw een vrije jaarmarkt. Hij werd gehouden ‘s maandags na de laatste Zondag van Augustus en duurde 3 dagen. Men verkocht er alle soorten waren ten gebruike van de plattelandsbewoners, alsook paarden en koeien. De naam "vrije markt" komt hiervan, dat men er alle soorten koopwaren mocht brengen en verhandelen zonder enig recht te moeten betalen en ook dat zekere categorie van schuldigen de toelating hadden er, zonder gearresteerd te mogen worden, naar toe te komen. Het gerecht bekrachtigde deze vrijheid door het planten van een zinnebeeld voor het gemeentehuis, dat daar bleef van 's donderdags. voor tot 's donderdags nà de foor. Dit zinnebeeld was samengesteld uit een soort standaard, overkoepeld door een rode windhaan en ondersteund door een baar aan het ene uiteinde waarvan een zwaard hing en aan het andere een hand. Na deze standaard in tegenwoordigheid van burgemeester on schepenen te hebben geplant, riepen de gerechtsdienaars vier maal op de vier hoeken van de markt: "Den stack is gebannen: Vrijen merckt!" Hiermede was dan de opening van de markt in het vooruitzicht gesteld. De Zondag van de opening, die ook samenviel met de dag van de kerkwijding, maakten 8 tot 10 zusters van de abdij van Oriënten, gezeten op een met bloemen versierde open koets, door vier paarden getrokken en vergezeld van de boer van Terlenen, de ronde van de markt. Voor één van de bijzonderste afspanningen werd halt gehouden, waar de burgemeester hen, samen met enkele verfrissingen, de erewijn aanbood, die door de zusters werden genoten zonder de koets te verlaten. Dit gebruik had ongetwijfeld voor doel een bijzonder aspect aan de jaarmarkt te geven en er de buitenlanders naar toe te lokken.
LAZARIJE: Uit een register, toebehorend aan Mr. R. Ulens to Groot-Gelmen, blijkt dat de gemeente 5 bunders weiden bezat. Eén dezer percelen was genaamd "Lazarije", wat bewijst dat er in de Middeleeuwen een "leprozerie" bestond.
Het woord "SOEPISTEN" beduidde de armen der stad, die soep toebedeeld kregen aan de poorten der kloosters. Thans gebruikt men nog te Sint- Truiden de uitdrukking "'t is mar sop!".
De "STAPELSTRAAT": De naam zou niet voortkomen van "stapelhuis", maar van een invloedrijke familie Van Stapelen.
NAAM VAN DE GEMEENTE: In de oudst bekende oorkonde van 1158 draagt de gemeente de naam Wellene; in 1163 Welnis alias Welem: waarschijnlijk was "Welnis" de Latijnse benaming, terwijl het volk "Welem" zou uitgesproken hebben (in 1592 onder Filips II, vertaalt men in het Latijn nog Wellen door Wellis). In 1174 schreef men Wellines en in 1175 Vuellines (vu schijnt een verlatijnsing te zijn van w). In 1218 vindt men vermeld Wilne en in 1231 Welne, maar vanaf de XVde eeuw komt men schier uitsluitend de benaming "Wellen" tegen. Oorsprong van die naam: Waarschijnlijk een verzamelwoord met de betekenis van bronnen of poelen (wel = bron; opwellen = opborrelen). Voor ettelijke jaren bestonden in het dorp nog verscheidene natuurlijke bronnen, nu uitgedroogd door het boren van meer dan 20 fonteinen.
Was een Loonse gemeente in het beroepsgebied Vliermaal. In de XIVde en de XVde eeuw was er onder Berlingen een heerlijkheid van het graafschap Loon, genaamd "Langdries". Men vond er tevens een cijnshof, genaamd "Ceynshof van Berlingen". Het district van de parochie Berlingen strekte zich uit over een aanzienlijk deel van de gemeente Hoepertingen.
LAKENNIJVERHEID en STRIJD MET SINT-TRUIDEN. (Zie Sint-Truiden - Inval van Brustem.)
GEMEENTEBESTUUR: Het bestuur der gemeente was in handen van twee burgemeesters, aangesteld voor een jaar, een door de gemeenschap en een door de drossaerd. Eer zij hun ambt verlieten, moesten de burgemeesters voor de algemene vergadering der ingezetenen (klokslag bijeengeroepen) en in tegenwoordigheid van luitenant drossaerd of zijn afgevaardigde, rekenschap geven over hun bestuur en de in kas zijnde gelden overdragen aan hun opvolgers, door de gemeenschap en de drossaerd aangewezen. De inkomsten bestonden uit het bundergeld, de taks op de haardsteden, de schapen en het vee, en de opbrengst van het gras der gemeentebeemden.
AMBACHTEN EN BESTUUR onder Jan van Beieren (prinsbisschop) on Robertus van Rijkel (abt). Nieuwe voorschriften voor het kiezen van het magistraat:
Alsdan bestonden or 13 ambachten:
Smeden
Pelsmakers
Bakkers
Brouwers
Beenhouwers
Lakenmakers
Lakenververs
Meerslieden
Vetters
Schoenmakers
Lakenscheerders en Volders
Timmerlieden
Kleermakers.
Ieder jaar, op 7 Januari, zal elk ambacht uit eigen schoot 2 leden kiezen. (Deze kiezing had plaats bij de Minderbroeders.) Volgens aanduiding van de heren (prinsbisschop en abt) zal het ene raadslid en het andere deken van het ambacht zijn. De ambachten waren dus in de gemeenteraad vertegenwoordigd door 13 leden.
De patriciërs (ook "ledigen" genoemd) duidden 8 vertegenwoordigers aan. De raad bestond dus uit 21 leden en twee burgemeesters, want iedere partij koos één burgemeester.
(Bibl.: Straven, I, blz.128-142.)
INVAL VAN BRUSTEM:
De graaf van Duras, wiens gebied. Brustem omringde, was tevens voogd, d.i. beschermer van de abdij en de stad St-Truiden. Dit gaf aanleiding tot een hevige, eeuwenlange haat tussen de Brustem- en de St-Truidenaren en verwekte oorlogen met politieke en vooral economische ondergrond.
St-Truiden, centrum van een groot kloosterlijk domein en beroemd bedevaartsoord, had zich door handel en nijverheid opgewerkt tot een grote stad. De lakennijverheid was er zeer bloeiend, maar zij werd ook te Brustem beoefend. En zo ontstond een geweldige concurentiegeest. Dilwijls hadden er gevechten plaats, waarin talrijke burgers sneuvelden. Volgens de St-Truidense kroniekschrijvers zat in 1086 de haat er sinds lange tijd in. In dat jaar werd de stad door de Luikse prinsbisschop belegerd. Onderhandelingen waren reeds aangeknoopt toen de Brustemnaren op een onbewaakte plaats over de wallen geraakten en gans het leger meetrokken, op een ogenblik dat de oproerige en verdeelde St-Truidenaren er zich niet aan verwachtten. De stad werd in brand gestoken en geplunderd. De verraste stedelingen grepen naar de wapens en raakten met de indringers handgemeen op de grote markt. Hier vond een echte slachting plaats en overal stroomde het bloed tussen de brandende huizen. De St-Truidenaren, niettegenstaande hun moed, moesten wijken voor de overmacht en trokken zich in de abdij en versterkte toren terug. De vijand, denkende er een rijke buit te vinden, beukte een opening in de muur en drong langsdaar binnen. De St-Truidenaren lieten een zeker aantal binnenkomen om ze daarna af te maken; in de kerk, tot op de altaren werden ze gedood met een onbeschrijfelijke wreedheid. Alsdan drong de vijand langs de vensters in grotere getallen binnen. De heilige plaats geleek weldra een waar slagveld, bezaaid met lijken. Gelukkig brak de avond aan en de duisternis alleen kon de zo heiligschennende moordpartij stopzetten. De prinsbisschop, bij het zien van deze verwoesting, weende toen hij voor de brandende Lieve-Vrouw-kerk stond.
IN 1229 OPSTAND VAN DE STAD TEGEN ABT EN PRINSBISSCHOP, in samenwerking met Tongeren, Luik on Dinant.
IN 1302 NOGMAALS OPSTAND VAN HET VOLK TEGEN DE ABT, die zich verschuilt te Kerkom.
BOUW VAN DE EERSTE HELFT VAN DE SINT-MARTINUSTOREN.
BOUW VAN STEYNAERT, een vrouwenklooster voor Duitse zusters.
VESTINGEN "MOTTEN": Gedurende de XVde eeuw, onder bisschop Lod. de Bourbon, stond het volk op tegen de fiscale procedures. De opstandelingen verschansten zich te Wellen op drie plaatsen, die men "motten" noemde. (Een "mot" is een hoogte, met water omringd.) Een van die "Motten" bestaat nu nog; ze is gelegen in een weide op een honderdtal meter van de Houtstraat (gehucht Bos). Een andere zou gelegen hebben langs de Merstalstraat; nu is er niets meer zichtbaar dan een grote poel.
Sporen van de derde "mot" zijn er nergens nog te vinden en men weet ook niet waar ze zou gelegen hebben.
Tijdens de slag aan de "Moordkuil" (zie verder: Algemene Gegevens) zouden de opstandelingen deze "motten" hebben verlaten om de vijand aan te vallen. Zo worden daar verslagen in januari 1466.
PLUNDERING VAN DE KERK door de soldaten van Karel de Stoute in 1407.
SLAG VAN OETSLOVEN: In 1461 brak een opstand los tegen Lod. de Bourbon, prinsbisschop van Luik. De opstandelingen van het land van Loon verschansten zich nabij de kapel van Oetsloven. Zij werden er op 16 januari 1466 aangevallen en verslagen door Generaal Adolf van Clèves, heer van Ravenstein, die aan het hoofd stond van de troepen van Filips de Goede. Vijftien opstandelingen sneuvelden er, maar de generaal verloor er eveneens een edelman en zeven ridders. We kunnen veronderstellen dat ze begraven werden nabij de kapel.
(Bibl.: Joseph Daris; "Notices historiques sur les Eglises du Diocèse de Liège".)
DE SLAG VAN BRUSTEM OP 28 OCTOBER 1467:
Na de inneming van de stad Hoei - die hem trouw gebleven was - door de strijders van Loon, Luik, Tongeren en Sint-Truiden, zwoer Karel de Stoute het koppig volk van deze gemeenten eens duchtig de les te lezen. Bemoeiïngen van de gezanten van Lodewijk XI, de Franse koning, om Luik te sparen, waren nutteloos geweest. Karel de Stoute bewoog daarom zijn leger van Leuven, waar bovenvermelde onderhandelingen plaats vonden, naar Sint-Truiden.
Te Tienen maakte hij van 19 tot 26 October zijn manschappen slagvaardig. Middelerwijl zond hij een woeste bende vooruit, die met moord en brand de komst van de gevreesde hertog aankondigde. Jan van Haynin raamde het Burgondisch leger op 100.000 man. De voorwacht, ongeveer 25.000 krijgers, aangevoerd door Adolf van Cleef, heer van Ravenstein, ging post vatten op het veld, gelegen tussen de bewoonde kom van BRUSTEM en de weg van Aalst, die naar het Distelbroek loopt. Karel zelf voerde het bevel over het middenleger, dat de strijd afwachtte in 't Guldenveld. 20 uitgekozen ridders vormden zijn persoonlijke lijfwacht, terwijl 800 rechts en 2.400 links van hem zich gereed hielden om in te grijpen indien de voorhoede bezweek. De keurig uitgedoste krijgers droegen de standaards met de wapens der adelijkste families van het land. De achterhoede, onder bevel van Marle, bleef in SINT-TRUIDEN; deze moest beletten dat het Luikse legerkorps, 3.000 man sterk, samen met de poorters van St-Truiden, een aanval zou doen in de rug van Karels leger.
Achter de Hoogbeek en de Molenbeek (die voor 450 jaar één waterloop zouden geweest zijn, welke naar Ordingen kronkelde) lag een een manhoge aarden wal opgeworpen. Daarachter en weerskanten bevrijd door diepe moerassen, had het Luikse leger zich opgesteld, onder de leiding van Barlé de Surlet en Raes van Heers (de grootste opruier van de Brabantse, Loonse en Luikse gemeenten tegen de Bourgondische hertogen). Hij werd bijgestaan door de boeren van de Maaskant en de krijgers van Tongeren, onder het bevel van Jan de Wilde.
Deze laatste opende het vuur, hetgeen door het Burgondisch leger met een drievoudig kanongebulder beantwoord werd. De eerste aanval was vrij hevig: Karel vreesde op een gegeven ogenblik dat er vóór de nacht geen beslissing zou vallen on joeg daarom zijn ganse voorhoede ten aanval. Na vele uren van bloedige strijd geraakte ze over beek en wal en langzaam verzwakte de macht der Luikenaars. Doch zie, opeens bemerkten deze dat menige vijandelijke pijlenkoker leeg geraakt was; daardoor kregen zij nieuwe moed en bovenarms stormden zij op deze weerloze vijanden los. Karel zag hoe zijn standaards achteruit weken en hoe de wanorde in zijn vooruitgeschoven gelederen sloop: hij wierp daarom zijn middenheir in de branding. Deze ruiters vlogen vooruit tot op een boogschout van de waterloop; daar sprongen ze van hun rossen, deden de sporen af en, terwijl enkele ruiters de paarden bijhielden, wierpen de anderen zich over beek en wal.
Intussen had het oorlogsgeschreeuw, dat van het slagveld te Brustem opsteeg, het bloed doen koken in de harten van de strijdbare mannen te Sint-Truiden. Samen waagden zo drie aanvallen op de achterhoede van de hertog, doch te vergeefs. Te Brustem verloren hun vrienden veld: De Tongerenaren staakten eerst de strijd; de Luikenaars hielden nadien nog lang vol on rond de standaard van St.Lambrecht deden de aanvoerders wonderen van dapperheid. Baré de Surlet sprong uit het zadel en streed als een gewoon krijger tot hij tussen de lijken lag. Drie kanunniken die de standaard van hun kerk verdedigden, o.a. Eustachius van Streel en zijn zoon, samen met 5.000 van Karels tegenstrevers, stierven die dag de heldendood in de velden van Brustem. "Ware het niet nacht geworden, er zouden weinig ontkomen zijn" schreef de bloeddorstige hertog. De 6 November verliet hij de plaats van zoveel onheil on trok naar Luik, nadat hij 12 gijzelaars van SINT-TRUIDEN had laten ter dood brengen en de poorten der stad in de grachten had doch werpen. Op zijn tocht liet hij LOON leegplunderen, het versterkte WELLEN en het kasteel van HEERS in as leggen. TONGEREN opende zonder tegenstand zijn poorten, terwijl 320 Luikenaars hem vergiffenis kwamen vragen en de sleutels hunner stad aanbieden.
Dit was de laatste strijd der Belgische gemeenten togen een regelmatig leger.
(Bibl.: 1- Mémoires de Jean de Haynin. 2- Mémoires de Commines. 3- Documents concernant la Bataille de Brustem. 4- Carton de Wiart; "Uit woelige Steden".)
VERNIELING: In 1465 volgden de krijgsbenden van de hertog van Burgondië, Karel de Stoute, de oude Romeinse heirbaan om het prinsbisdom en de stad Luik te gaan plunderen en verwoesten. Het Luikse garnizoen van Montenaken kwam uit het kasteel om de Burgondische legerkolon te bevechten. Dit was een heldhaftige doch roekeloze daad, want de te zwakke troep werd niet alleen teruggeworpen, maar nog tot de laatste man toe gedood. Montenaken werd volkomen geplunderd, daarna in brand gestoken en met de grond gelijk gemaakt; nooit herstelde het zich van die ramp.
STRAF VAN KAREL DE STOUTE: Na de nederlaag van de Luikenaren te Montenaken in 1465, ontstond opnieuw opstand. Lodewijk XI en Karel de Stoute vielen Sint-Truiden aan. 30.000 Luikenaars snelden ter hulp doch werden op 28 October 1467 door Karel verslagen te BRUSTEM (zie hierboven). De St-Truidenaren geloofden niet aan die nederlaag en vochten nog enige dagen voort; ze kapituleerden op 1 november. Ziehier de straf, door Karel de Stoute, aan de stad opgelegd: Poorten, torens en versterkingen moesten afgebroken; 12 burgers uitgeleverd en onthoofd; 20.000 Rijksgulden betaald; alle documenten ingeleverd en vernietigd worden. Daarenboven werden de ambachten afgeschaft on alle privilegiën opgeheven.
Kerken en kloosters werden geplunderd door de soldaten. Aan de baldadigheden van Karels troepen herinnert ons een plaat in de St.Pieterskerk, boven de zijbeuk rechts (baldadigheden bij de zusters van Luciëndal, Diestersteenweg nu Odeurs en Beernaert).
DIONISIUS DE KARTUIZER: Geboren te Rijkel in 1402, gestorven te Roermond in 1471. Vruchtbaarste schrijver van de gehele Middeleeuwen en de laatste van de grote middeleeuwse theologen. Als exegeet commentarieerde hij gans de H. Schrift (14 boekdelen). Trad te Roermond in de Kartuizerorde. Van 1466 tot 1469 was hij prior van de door hem gestichte Kartuizerij te 's Hertogenbos.
SLAGVELD "DE MOORDKUIL": Gedurende de burgeroorlog, die in het jaar 1460 begon, stonden de kleine lieden, die gebukt gingen onder de druk der belastingen welke prinsbisschop Lod. de Bourbon hun oplegde, tegen hem op. De opstandelingen kregen de naam van "Gezellen van de Groene Tent" wegens hun groene tuniek; die tuniek was in het midden met een andere kleur afgezet, volgens hun dorp, zodat zij elkander konden herkennen. Zij maakten de wegen onveilig, zodat de afgevaardigden van Hasselt niet naar Hoei durfden reizen toen Lod. De Bourbon de Staten daar had bijeengeroepen; een gedeelte der gezellen had zich immers te Wellen verschanst, op de drie "Motten".
De gezellen moesten vrij talrijk zijn, want zij overrompelden het stadje Borgloon, staken er enige huizen in brand op de markt en joegen, de troepen, die de prins tegen hen had uitgestuurd, uiteen; ook trokken zij verder het land van Loon rond om de huizen van de aanhangers van hun vijand te plunderen en in brand te steken. Hertog Karel de Stoute, zoon van Filips de Goede, was intussen aangekomen met een machtig leger en over Sint-Truiden, naar Luik opgetrokken. Adolf van Cleef, heer van Ravenstein, één zijner generaals, had zijn hoofdkwartier te Loon gevestigd in het begin van 1466; zijn troepen deden verscheidene uitvallen tegen de opstandelingen te Wellen. Op 16 Januari hadden de Wellenaren de onvoorzichtigheid begaan hun verschansingen te verlaten om de vijand te Oetersloo (Oetsloven) aan te vallen. De slag begon op 17 Januari in het Kriekelenbos, bij de kapel. De Wellenaren werden verslagen en lieten 150 man op het slagveld, terwijl slechts een tiental Burgondiërs sneuvelden. De plaats wordt nu nog altijd "de Moordkuil" genoemd.
BRANDENPOEL: Kasteel van 1555.
PASTORIJ: Batsheers en Rukkelingen worden bediend door de paters van Averbode. In 1498 was er slechts één pastoor voor de twee parochies, omdat de opbrengsten onvoldoende waren om er twee te onderhouden. De meeste pastoors hebben te Batsheers verbleven en er werd een schone pastorij gebouwd die heden nog bestaat en boven de deur van de hoofdingang de wapenschilden draagt van Averbode.
TOREN VAN O.L.V.-KERK herbouwd in 1515. SPITS bijgebouwd in 1557.
REFUGIEHUIS VAN AVERBODE (thans Ursulinenklooster, Naamse straat) on PUNTGEVEL in 1555.
KLOOSTER DER CLARISSEN in 1559.
NIEUWE BOUW VAN DE WALLEN EN VERSTERKINGEN:
De wallen werden opnieuw opgetrokken, buitengewoon versterkt. Brede grachten werden gegraven en nieuwe torens op de meest uitstekende delen der stad aangebracht op het einde van de XVde eeuw. Uiterst sterke poorten, soms met drie verdiepingen onder de grond, worden opgetrokken.
De stad werd verdeeld in 6 kwartieren, volgens de 6 poorten. De 6 hoofdpoorten waren in 1577: Clockempoorte, Stapelpoorte, Sint-Gangelofspoorte, Nieuwpoorte, Brusthempoorte, die Waterpoorte. De mensen die een kwartier bewoonden moesten iedere nacht bij hun poort de wacht optrekken en ze in tijden van nood verdedigen.
KERK - GOTISCH GEDEELTE:
Gedurende de burgeroorlog, die het prinsbisdom Luik teisterde op het einde van de XVde eeuw, had Robrecht van der Marck, tegenstrever van de prins Jan van Hoorn, troepen aangeworven in Frankrijk; aan het hoofd stelde hij een zekere Jehannot de Bastaard, schoonzoon van wijlen Willem van der Marck. Met zijn bende gelukzoekers trok Johannot naar het land van Loon om de plattelandsgemeenten uit te plunderen. De inwoners, door schrik bevangen, gingen schuil in de kerken, de enige stenen gebouwen die ze bezaten. Doch de bende van Jehannot belegerde de ene na de andere en stak ze in brand. Dit was ook hot geval met de kerk van Wellen, op 6 November 1490. ("Anno 1490 op Sinte Leonardus dach, die altijd compt in Novembri 6 dagen, doen branden die kercken van Wellen en Cortessem." - E.H. Van Neuss; "Ancien pays de Looz", 3e année, p.48.)
Het volgend jaar heerste er hongersnood in onze streken; zo kon er slechts in 1492 een begin worden gemaakt met de heropbouw. (Kerkregister van 1727, f° 376.)
Het koor werd waarschijnlijk eerst vernieuwd; het heeft nog een eenvoudig Gotisch gewelf. Tussen 1492 on 1522 werd de linkerzijbeuk gebouwd, met zijn reeds meer ingewikkeld gewelfschema. Rond 1550 volgde de rechterzijbeuk, breder dan de linker. Einde XVIde of begin XVIIde eeuw bouwde men de St.Janskapel, met ingewikkeld en mooi gewelf. Verdere herbouwingen in de XVIIde eeuw onder pastoors Fontanus on Huberti en in de XVIIIde eeuw onder de pastoors Loyaerts, Freuers on Bellefroid, brachten geen veranderingen aan het algemeen uitzicht.
N.B. Op 13/7/1927 verklaarde de Commissie voor monumenten de toren gerangschikt in de derde-klas kunstgebouwen voor de eredienst.
KAPEL VAN DE OSSENWEG: In het begin der XVI de eeuw werd een Mariabeeldje gehangen aan een eiken boompje langs de openbare weg.
Toen in die tijd Zoutleeuw onder sterke Spaanse bezetting kwam, werd het beeldje kostbaar gekleed en het mooie kapelletje - in 1536-1538 gebouwd - werd toegewijd aan de H. Naam Maria.
In het begin der XVIIde eeuw werd het heiligdom merkelijk vergroot. Naast de kapel werd een kluis gebouwd (de huidige sacristij) waarin een kluizenaar zijn intrek nam en gelast was met het onderhoud en het bewaken van het goed.
(Gedurende het tweede Oostenrijks tijdperk, onder Jozef II, werd de kapel gesloten.)
ANTIPENDIUM: In de linkerzijbeuk van de kerk staat het altaar van de H. Brigida; het onderste deel is versierd met een antipendium in hout, 1,80 bij 1,15 m. Op de bovenste lijst leest men: "S. Brigida a° 1522, S. Amor" in Gotische letters. Daaronder zijn de beelden van die twee heiligen uitgesneden. Het is het enige Antipendium van die tijd, dat in de openbare gebouwen van ons land is bewaard gebleven.
DISCO VAN SINT JAN: Hoofd van St.Jan "in disco", gesculpteerd hout, rond 1510. Het afgesneden hoofd ligt op een schotel van ongeveer 35 cm doormeter. In zijn geheel is het een klein meesterwerkje.
PIETA: Dit werk zou dagtekenen van het begin der XVI de eeuw, het oudste en interessantste beeld in geverfd hout. De H. Maagd houdt op haar rechterknie het dode lichaam van haar zoon. Het is een mooie en anatomisch juist uitgebeelde groep uit de Gotische periode.
(Bibl.: J. de Borchgrave, op. cit., p.9.)
KAPEL VAN OETSLOVEN: In 1507 ging Oetsloven, samen met het klooster der kanunniken van het H. Graf, over in de handen van de kanunnikessen van dezelfde orde, die Oetsloven behielden tot in 1796. Niemand weet tot wanneer precies de kapel bediend werd door een priester en wanneer de eerste eremijten de aanpalende kluis kwamen bewonen. In 1712 wordt het eerst melding gemaakt van de eremijt Pieter Hofmeesters, die van de kanunnikessen het vruchtgebruik van de kluis afkocht voor 25 kronen. (In 1801 ging het bezit over in handen van de Openbare Onderstand van Borgloon.)
"OSSENWEG": In het begin der XVI de eeuw bevond er zich op het grondgebied van Zoutleeuw, op de plaats nu genaamd "Ossenweg", een stal waarin een hengst, een stier en een beer ter beschikking werden gesteld voor de landbouwers der streek, ter veredeling en vrijwaring van het paarden-, runder- en varkensras. Hierdoor sprak men te Zoutleeuw van "ten Ossenwege" te gaan en kreeg het gehucht, dat zich stilaan uitbreidde, de naam "Ossenweg".
HET VERSTERKT KASTEEL (uit de XIIde eeuw) dat in puin gevallen was, werd in 1634 HEROPGEBOUWD door Jérôme de Copis.
De volgende jaren werd het aan de vlammen en aan de plundering der Kroaten prijsgegeven, die in die tijd heel de Kempen verwoestten. In 1637 onderging het hetzelfde lot en de toenmalige heer werd door de Hollandse troepen naar Maastricht meegevoerd.
In 1654 maakten de soldaten van de hertog van Lotharingen er zich meester van en sloegen er een wapenplaats op, van waaruit ze gedurende drie maanden gans de streek onveilig maakten.
In 1699 word het kasteel opnieuw vernield door de troepen en in 1728 volledig uitgebrand.
(Bibl. Wolters; "Histoire de Rummen".)
HOEVE THEWIS, 1649.
HOEVE LISMONT, 1666.
HET GEBOORTEHUIS VAN GODFRIED COAERT, Martelaar van Gorkum, is in de Keelstraat (wit lemen huis); HET MARTELARENKAPELLETJE bevindt zich op het Dorpsplein te Melveren.
WITTE KAPEL, gebouwd in 1675.
"MEULES", oudste gebouw van Niel, werd gebouwd in 1635; het jaartal staat er op te lezen. Door de bewoners van het Wit Kasteel werd er een watermolen opgericht; vandaar de naam "Meules". De sluis is nog zichtbaar. De boeren lieten or graan malen, doch moesten een deel meel afstaan.
KASTEEL, gebouwd in de XVIIde eeuw.
KLOOSTER DER CELLEBROEDERS (Schepen de Jonghstraat), XVIIde couw. Onlangs werden de laatste resten gesloopt.
KEIZERSZAAL VAN DE ABDIJ: Was bestemd voor de ontvangst van de keizer, die er echter zelden kwam. Ook worden er tal van andere groten ontvangen: aartshortog Albrecht in 1602, de Spaanse veldheer Spinola in 1620, de Franse koningin Marie de Médicis en de Franse Dauphin in 1622.
SPITS VAN HET BELFORT ingestort en herbouwd in 1606.
O.L.V.-KERK INGESTORT in 1668.
REFUGIEHUIS VAN HERCKENRODE:
Het huidig gebouwencomplex van de Broeders der Christelijke Scholen (kant van de Sch. de Jonghstraat) was eens het refugiehuis der abdissen van Herckenrode. Drie merkwaardige gedenkstenen, in de buitenmuren van het hofje aangebracht, vertellen nog iets aan de vorser:
Links: een tamelijk grote steen met gebeiteld wapenschild van een abdis en de inscriptie "PER ILLVSTRIS AC GENEROSA DA MARGARETA DE BERGIS ABBATISSA DE HERCKENROEDE HOC OPVS FIERI CVRAVIT A° 1624".
Rechts: een zeer grote, gekroonlijste steen met het gebeiteld wapenschild van een andere abdis en het jaartal 1670, waarvan elk cijfer in een hoek aangebracht is; bovendien het volgend chronogram "CatharIna De LaMboII abbatIssa strVXIt", hetwelk inderdaad het jaartal 1670 weergeeft.
'n Weinig onder deze, bevindt zich nog een steen van klein formaat, dragend het gebeiteld wapenschild van een derde abdis en de inscriptie "1684 REM DEO".
Achter deze muur bevonden zich de vertrekken van de abdis (thans kapel, studiezaal en refter van de Broeders); dit gedeelte van het klooster is dan ook schoner dan de linkervleugel.
HOE WERDEN DE OUDE POORTEN VERNIELD?
Dit vinden we in het historisch werk van de geschiedschrijver Piot, 2de deel:
Het gebeurde in het jaar 1675. Lodewijk XIV, koning van Frankrijk, was in oorlog met Holland en zijn veroverende legers trokken in de richting van Tongeren en Sint-Truiden, steden die weldra in zijn macht vielen. Enkele historische bijzonderheden:
Op 25 Juni 1675 kwamen twee officieren naar St-Truiden om toelating te bekomen de koning te laten logeren.
Op 25 Juni kwam Lodewijk te Straten aan, waar hij zijn intrek nam bij Herman Ouwerckx. 's Morgens stapte de Louvois, eerste minister des konings, naar het stadhuis en legde er een heel epistel klachten neer, waaronder deze: Waarom men de 6.000 pataggons, die het geëiste rantsoen uitmaakten, niet betaald had aan de intendant van Maastricht... en vooral, waarom men vóór twee jaar de poorten van de stad gesloten had gehouden voor de Franse koning? Veel antwoorden hielp niet en de koning eiste de 6.000 pataggons op, gaf bovendien bevel alle hoornbeesten en schapen van de stad op de markt te brengen; verder moesten al de wapens, in de stad aanwezig, op het stadhuis worden ingeleverd.
Dan begon een tragische periode voor de arme St-Truidenaars: Het paardenvolk logeerde zichzelf naar eigen lust, zij speelden de baas en deden wijn en geld aanbrengen. Het regende klachten. Veel mannen en vrouwen konden hun eer en hun leven redden met een koopje, vier hespen of zijden spek; velen werden geslagen en mishandeld. De moestuinen werden vernield, zo binnen als buiten de stad. Geen graan noch vee mocht de stad verlaten; de burgers zelf konden geen brood krijgen, alles moest naar het leger.
De koning had Straten een paar dagen moeten verlaten onder de druk van Hollanders en Spanjaarden, maar de 1ste Juli was hij weer terug. Toen zag men rond de stad niets dan tenten - van St-Truiden tot Mielen; alle granen, zo winter- als zomergranen werden gezicht als veevoeder... alles werd afgemaaid.
En toen gebeurde het zwaarste wat een stad treffen kon: De poorten en wallen werden ondermijnd. Ze werden vernietigd, de prachtige torens aan de Brustempoort en de twee torens aan Nieuwpoort. Op 4 Juli slechtte men voort; te 11 uur sprong de toren en de Stapelpoort met nog twee andere torens daarnaast. Op 5 Juli moest de eigenlijke Brustempoort springen, maar de muren waren te dik; men mijnde, ontstak het vuur en al wat brandbaar was ging in de vlammen op. De volgende dag werd de rest ondermijnd; bleef alleen nog de Klockempoort als enige in- en uitgang. De koning ging, zo schrijft de historicus, voor zijn plezier de gesprongen poorten en vestingen bezichtigen.
Op 7 Juli begon alle bagagie te marcheren uit de stad. De gouverneur ging de koning smeken de Klockempoort te sparen, maar kreeg een ontkennend antwoord; een gedeelte ervan werd eveneens opgeblazen en alleen de ophaalbrug bleef gespaard. De kolonel-gouverneur Stouppa had grote moeite om die nacht de muitende soldaten in bedwang te houden, teneinde wanorde en plundering te voorkomen. Het hele leger is dan 's morgens vertrokken in de richting van 'Waremme. De stad had nog overgrote schulden moeten betalen. De landbouw lag stil, de pachters weigerden de gronden te bewerken, overtuigd dat ze niets zouden opbrengen.
In 1677 lagen meer dan 60 bunders (+- 50 Ha) grond omgeploegd. Overgrote schulden wogen op de stad; ook Spanjaarden en Hollanders eisten geldsommen op als oorlogsbelasting.
Buiten de povere resten die het huidig stadsbestuur nog redden wil, bleven bestaan: de namen van deze illustere poorten, die eens dienden ter verdediging van dat kostelijk bezit - de vrijheid!
HET OKSAAL (+-1600): Het is opgericht tegen de binnenwand van de toren en dient tot leuning voor de orgel tribune. Links on rechts, heeft men een deel van de zijkanten moeten afbreken om het onder de gewelfbogen te krijgen. In de toren liggen nog een paar ongeverfde beelden, die te dien tijde werden verwijderd. Het schijnt aan te duiden dat het oksaal vroeger voor het koor was opgericht of misschien dat het van een andere kerk afkomstig is, waar het tegen een platte muur was opgebouwd. Het bestaat uit vier ronde zuilen in harde arduinsteen, welke drie rondbogige arcaden ondersteunen; daarop rust een soort leuning met nissen en standbeelden versierd; de ganse balustrade is in witte zandsteen, waar men later een bruine verf heeft op aangebracht, waarschijnlijk om het afbrokkelen tegen te gaan, doch het allerfijnste van de sculptuur gaat onder die verflaag verloren. In 't algemeen heeft de kunstenaar al zijn aandacht gewijd aan het boetseren van de koppen. De ganse leuning is erg overladen met versierselen van alle aard. In zijn geheel is het oksaal een mooi en interessant werk, zoals men er zelden in onze gewone dorpskerken aantreft. (Bibl.: J. de Borchgrave, op. cit., p.12.)
VERERING VAN "DE BRUINE LIEVE VROUW": In de Montenakenweg, die nu Kapelstraat genoemd wordt, stond een oude eik, niet zonder reden de "Wonderbare Eik" geheten, want daar is het wonderbeeld van de Bruine Lieve Vrouw verschenen. Men weet niets zeker over de ware oorsprong van dit beeld; de enen zeggen dat het in de takken van de eik is uitgewassen, anderen dat het aan de stam is uitgesproten. Zeker is het, dat er lange jaren een beeld van O.L.V., "de Bruine Lieve Vrouw" genaamd, om zijn donkerbruine kleur, aan die eik gehangen heeft en dat men van ver in de ronde naar deze plaats ter bedevaart kwam. De overlevering verhaalt nog, dat op zekere dag mensen van Niel het beeld hadden meegenomen en geplaatst in hun parochiekerk, maar dat 's nachts O.L.Vrouw alleen naar de eik was teruggekeerd. De toeloop der bedevaarders groeide steeds aan, zodat men het goed vond er een kapel te bouwen.
1692: De mensen gingen naar Averbode brood halen, omwille van de HONGERSNOOD.
DE REDERIJKERSKAMER: Een rederijkerskamer werd opgericht tegen de ketterij, om gezonde lectuur te doen herleven.
N.B. De Limburgse rederijkerskamers waren:
BILZEN: "Korenbloeme"
HASSELT: "Rode Roos"
LOON: "Goudbloeme "
TONGEREN: "Witte Lelie"
SINT-TRUIDEN: "Olijftak".
Een schild (nu nog in het bezit van Bilzen) stelde een symbolische schildering voor: in 't midden een bekroond hart; uit dit hart schieten de zinnebeelden op van de genoemde steden.
Voor 1561 speelden de rederijkerskamers vooral godsdienstige spelen, bv. "Uit het Leven van de heilige Geertrui".
DE TORTUUR van de XVIde tot de XVIIIde eeuw:
Reeds in de Middeleeuwen werden de rechters in hun uitspraken geholpen door allerlei "godsgerichten" als de vuurproef, het broodoordeel, de waterproef en het tweegevecht.
Nu bleef het voornaamste beschuldigingsmiddel de "tortuur" of foltering van de aangeklaagde. Dit systeem berustte hierop dat de aangeklaagden door allerlei lichamelijke pijnigingen tot bekentenissen, werden gedwongen. (Er mocht geen vonnis geveld, zonder bekentenis.) De toepassing der tortuur werd in de XVIde eeuw geregeld en bepaald door een aantal voorschriften van Farinacius, waaruit hier de voornaamste punten:
Men mocht de tortuur slechts toepassen voor grote misdaden, of ten minste zware of behoorlijk vastgestelde of bewezen misdrijven;
De tortuur moest met een zekere gematigdheid toegepast worden, naargelang de aard der misdaad, de gewichtigheid der vermoedens en het lichaamsgestel der personen.
Het was niet toegelaten de tortuur op zulke betichte te herhalen die geen enkele bekentenis deed, tenzij door het aanbrengen van nieuwe en zwaardere vermoedens. De tortuur zonder bekentenis doorstaan, vernietigde de bestaande vermoedens en de betichte moest vrijgelaten worden.
De onmondigen of onrijpen (beneden 14 jaar), de zwangere vrouwen, de ouderlingen, zwakkelingen of ongeneesbaren mochten niet op de pijnbank gelegd worden. Enz. enz.
In de Nederlanden speelde de tortuur een aanzienlijke rol van de XVIde tot in het begin van de XVIIIde eeuw. Het is de verordening van Filips II, de 9 Juli 1570 uitgegeven, die hier voor de eerste maal de toepassingsregelen voorschreef, welke in al onze provinciën moesten gevolgd worden. Deze regelen en die van Farinacius vindt men terug in het edict, ten jare 1752 door de verschillende Limburgse Staten uitgevaardigd en door de prinsbisschop en de graaf bekrachtigd. Enkele ondergeschikte voorschriften nopens de tortuur, die in het prinsbisdom Luik en het graafschap Loon van algemene toepassing waren, of van de reeds aangehaalde regelen verschilden, zijn de volgende:
De gevangene moet sinds 16 of 17 uren nuchter zijn, alvorens op de pijnbank te komen;
In geval verschillende gevangenen dezelfde maal getortureerd worden, moet men met de zwakste beginnen;
"Als de scoltet iemandt wil doen pijnigen sal die schepenen sulckx tijdelijk adverteren ende doen vergaderen, ende dan mach de scoltet presens zijn, ende is der schepenen dan schuldigh den wijn met cruyt." ("Costuyme ende Statuten der rijxerstadt Sint-Truiden; Anno 1755".)
Er waren heel wat methoden om iemand tot bekentenissen te dwingen. Van de meest onmenselijke en barbaarse folteringen der XVII de eeuw, gewagen ons nog allerhande geschriften en overleveringen. Bijvoorb.:
Van 't vleesch met tangen an te gaen
Van 't woelig voetten hol te braen
Van 't achter-rugsch arm-om-vringen
Van scherp-getande lede-ringen
Van ingetogen water vloed weer uitgeperst door Henkers voet
Van door gewicht of bank te rekken
Van doodend lachen door 't belekken der voeten door een grage geyt, die 't ingevreven pekel greyt
Van tussen nagels in te steken
Van 't brandens pek- en spekbeleken
En meer van dezer aard en kracht niet dan bij duyvels breyn bedacht." Joost de Damhouder van Brugge (1507-1581), aldaar raadpensionaris, later lid van de private raad van Karel V en Filips II, spreekt over het neerleggen van gans naakte patiënten, het in de mond Gieten van water of pis, het scheren van het haar op alle lichaamsdelen van tovenaars of tovenaressen "om door visiteren en onderzoeken te zien of de patiënt geene remedie over hem hadde van toverye tegen gevoelens, om de pyne ende torture gedurende onghevoeliek te moghen zyn, soo ick hebbe ghezien ende weten bevinden." ("Praxis rerum oriminalium, iconibus materiae subiectae convenientibus illustrata 1562 - Cap. XXXVII, Nr 21 et 22 - In het Vlaamsch, Fransch on Hoogduitsch door den schrijver (met weglating) overgezet".)
Verder had men in de XVIIIde eeuw:
De duimschroeven: Nepen zeer pijnlijk de gewrichten der duimen bijeen, die bij deze foltering stevig op de rand van een tafel gebonden waren.
De Spaanse leerzen of stiefels: De betichte werd op een houten zit met de armen omhoog tegen de muur vastgebonden en elk zijner naakte benen tussen twee dikke stijlen gekneld; tussen de twee middelste der vier houten stijlen sloeg de beul vier tot acht wiggen of spijen, die deze stijlen meer en meer de benen deden knellen en ze soms in een erbarmelijke toestand brachten.
De duivenkotten: Dit foltertuig bestond uit drie planken of richels, de een boven de andere geplaatst en op en af schuivend in de groeven van twee zware staanders, die op brede voeten rustten; de richels waren 3,15 m lang, 1 dm dik en samen 1,2 m hoog (er wordt hier gesproken over degene die nog te zien zijn op het gemeentehuis te LOON). Aan ieder der twee scheidingslijnen was een horizontale rij van 10 gaten; de betichte moest de armen door twee gaten der bovenste steken en de voeten door twee der onderste, terwijl men de planken wat van elkaar deed schuiven; dan worden de twee richels weer opeen geschoven en met twee kluisters gesloten. Zo bevond zich de lijder in een vrij lastige houding, precies als zat hij gehurkt in een eng duivenkot. Dat foltertuig werd te Loon en te Munsterbilzen gebruikt. Eug. Hubert zegt, dat bij de aanwending van dit tuig, de gefolterde ook nog voor een hevig vuur geplaatst werd.
Het tortuurstoeltje: Hier werden verschillende folteringen tegelijkertijd toegepast, te lang om te beschrijven.
De strapade of strop, waarvan verschillende graden bestonden.
La torture par la veille (vooral in het Luikerland): Stevig gebonden op een brits, werd de patiënt door hevige kaakslagen dag en nacht wakker gehouden. Enz. enz...
Zulke middelen volstonden wel om iemand tot bekentenissen te dwingen. Toch ziet men er meteen het onrechtvaardige en onlogische van in; immers, juist de sterkste, gehardste rovers en moordenaars, konden best deze proeven doorstaan, terwijl brave luidjes, die nooit in het nauw worden gebracht, zich vaak schuldig moesten verklaren om aan de vreselijke folteringen te ontsnappen.
FAMILIENAMEN: Sinds lang vervlogen tijden telde Rummen meerdere patriciërsfamilies met min of meer belangrijke bezittingen. Hier volgen de namen van enkele ervan: Bokkerden, Laer, Rasbeek, Romen, Schoonbeek, Terborg, Terlenen; heden ten dage voor het merendeel eenvoudige hoeven, bewoond door landbouwers.
Op het einde van de XVI de eeuw, woonde te Rummen de doorluchtige Spaanse familie "de Mendoça's", in de Nederlanden gekomen onder Karel V, en die gedurende meerdere eeuwen hun naam hebben gegeven aan kardinalen, admiraals, generaals, ambassadeurs, gouverneurs en schepenen.
STRIJD TUSSEN FRANKRIJK EN HOLLAND:
Wanneer Lodewijk XIV in 1672 in oorlog geraakte met Holland, was België gedurende verscheidene jaren het toneel der vijandelijkheden. Een Frans leger, aangevoerd door de hertog van Orleans en veldheer Turenne, trok door Haspengouw, plunderde alles op zijn doortocht en nam in 1672 SINT-TRUIDEN en TONGEREN in. De burgers van St-Truiden boden geen tegenstand.
Na drie jaar wilde de heer van Duras St-Truiden weer innemen en gebruikte daarvoor 7 à 900 man voetvolk en enkele ruiters. Fusiliers en kruisboogschutters hadden alarm gegeven en burgers schoten van op de muren op de Fransen, die moesten terugwijken.
In 1675 kwam Lodewijk zelf tot aan Kerkom (Straten) en deed de hertog de la Feuillade St-Truiden een tweede maal innemen, dat zijn wallen en omheiningen zag vernielen. St-Truiden was van toen af geen versterkte stad neer. (Cfr. Bouwwerken - Vernieling der poorten.)
Om een denkbeeld van die droeve tijden te hebben, plaatsen wij hier een getuigschrift, wegens BORLO en de omliggende dorpen, door Joris Van Marsenille en Jan Stas-Odeurs (beide ingezetenen van Borlo), gegeven en ondertekent: "Eerst - verklaren zij - heeft het Hollands leger, gecampeerd op die Mohagne, het meestendeel dezer dorpen geforageerd in September en in datzelfde jaar is Buffelaer komen plunderen zoals meubels, granen en dieren. In 1693 is door het Frans leger geheel het veld verwoest, vermits het leger gecampeerd was aan de Stenewindmolen (dat is tussen Borlo, Corswarem, Jeuk, Montenaken en Roost). In 1694 is de dolfijn met zijn leger gecampeerd geweest van St-Truiden tot in in het dorp van Borlo; er is toen geen enkel huis gespaard gebleven en het veld werd totaal verwoest. In de Winter werden voor de Franse contributiën al de paarden weggenomen, zodat daar in het geheel dorp maar twee overbleven, met het droevig gevolg dat alles is blijven braak liggen. Toen heeft de heer prelaat van St-Truiden zijn landen, nadat zij twee of drie jaar braak gelegen hebben, voor niets gegeven en naderhand tot 1708 in conditie 5 of 6 vaten koren gevraagd."
KERKBRAND: Na de dood van prinsbisschop Albert I, vochten de Hollanders hier tegen de Spanjaarden en de kerk van Ste-Aldegondis werd gedeeltelijk afgebrand in de Beeldenstormerij. In 1900 droeg de kerk nog sporen van die brand.
Achtereenvolgens kampeerden hier de PRINS VAN ORANJE en zijn tegenstrever de HERTOG VAN ALVA.
WILLEM DE ZWIJGER IN HET GRAAFSCHAP LOON: In 1568 trok Willem de Zwijger door het graafschap Loon, om, zoals hij zegde, de hertog van Alva te verdrijven en de Nederlanden te bevrijden van de dwingelandij van de Spaanse koning. Hij legerde te Loon, deed de Hervorming prediken en op de markt de heiligenbeelden verbranden; hij ontheiligde eveneens de kerken door ze in stallen te omvormen en deed zware belastingen betalen in eetwaar en in geld. De pastoor Van Entbroeck werd gedood en even zo verschillende burgers. De prinsbisschop protesteerde en de generale Staten verontschuldigden zich.
In 1591 werd Loon door de Spanjaarden ingenomen; de twee burgemeesters werden als gijzelaars meegenomen naar Zoutleeuw tot een grote som geld betaald was. De stad moest een groot deel van de gemeente-eigendommen verkopen om de burgemeesters vrij te krijgen.
In 1604-1606 deden de Spaanse troepen nogmaals de stad veel lijden.
DE HEILIGE GODFRIED COAERT: Sedert het jaar 1568 had Prins Willem van Oranje zich aan het hoofd gesteld van de partij die openlijk de wapenen had opgenomen tegen koning Filips II van Spanje. De prins vond een zeer gewaardeerde steun in de beruchte Watergeuzen. Viel er op zee niet genoeg te schuimen, dan gingen ze aan land waar ze de Spanjaarden zochten te schaden, maar plunderden tevens kerken en kloosters. Aan dit soort lieden vielen de MARTELAARS VAN GORKUM ten prooi. Dit waren: 1 reguliere kanunnik van St. Augustinus, 1 Dominicaan, 2 Norbertijnen, 4 seculiere priesters (waaronder één Vlaming: Nicolaas van Poppel) en 11 Minderbroeders, waaronder we niet minder dan drie Vlamingen tellen (Franciscus de Roye van Brussel, Petrus vander Slaghmolen van Asse bij Brussel en Godfried Coaert van Melveren bij Sint-Truiden). Allen, op één na, waren woonachtig te Gorkum toen op 25 Juni 1572 de watergeuzen de stad binnen vielen. Alhier begonnen hun onmenselijke folteringen. Na 9 dagen werd beslist de "papen" naar Den Briel te voeren. Daar werden ze gebracht voor de beruchte graaf Lumey van der Marck, aanvoerder van de Watergeuzen. Zij werden in een kerker opgesloten en aangemaand hun gehoorzaamheid aan de Paus en hun geloof in de waarachtige Tegenwoordigheid van Jezus Christus in de H. Eucharistie op te geven. Doch geen drogredenen, noch bedreigingen baatten. In de late avond van 8 Juli werd dan ook besloten dat de 19 martelaren zouden gehangen worden, hetgeen gebeurde in de vroege morgen van 9 Juli. Vooraanstaande katholieken uit Gorkum verkregen na lang aandringen van de protestantse overheid dat de lijken zouden begraven worden. 43 Jaar nadien zouden ze naar veiliger oorden in België gebracht worden. Op de plaats waar ze begraven werden, ontloken later bloempjes van een soort die men niet kende en "martelaren bloemen" noemde. Nadat bewezen was dat vele wonderen op voorspraak der martelaars waren geschied, zijn zij op 24 November 1675 zalig verklaard. Bijna twee eeuwen later, op 29 Juni 1867, sprak Paus Pius IX de heiligverklaring uit.
TIJD DER GEUZEN:
HERVORMING:
Vooral de stroming van het Calvinisme vaarde in de XVIde eeuw over de Nederlanden en beïnvloedde de geesten ook in het prinsbisdom. De hervormde leer kende weldra veel aanhangers bij de armen, die in hun economische ellende aanstoot vonden in de grote rijkdom der abdij bij de geleerden, die het geloof critisch begonnen te bestuderen; bij vele rijksgroten en edelen, die er een kans in vonden om zich te verrijken met de goederen der kerk.
In 1564 vielen de ketters binnen, doch de abt deed ze verjagen: In 1566 hadden veel voorname burgers der stad zich op de markt verzameld, onder de kreet "Leve de Geuzen". Gerard de Groensbeek, prinsbisschop, en abt de Bloquerie gaven bevel: alle marchandisen, door vreemden in de stad gebracht, moesten binnen de drie dagen buiten de wallen; alle vagebonden moesten voor zonsondergang de stad verlaten en na zonsondergang mocht men niet zwerven rond de wallen; de herbergiers moesten iedere avond aan het stadsbestuur de namen van hun gasten opgeven; een dag- en nachtwacht werd ingericht; de jaarmarkt werd verboden om vreemden te weren.
INQUISITIE:
Te Sint-Truiden zetelde ook een inquisitierechtbank, die tegen verschillende geuzen doodstraffen uitsprak.
GEUZENVERGADERING: Geuzenafgevaardigden uit alle Nederlandse provinciën zouden een congres houden, onder leiding van Broderode on Lodewijk van Nassau. Congressisten en edelen vroegen toelating aan de prinsbisschop om te mogen vergaderen binnen de muren van de stad St- Truiden, doch dit werd hun geweigerd. Uit vrees dat ze de oogst zouden vernielen, liet het stadsbestuur hen toch binnen. De geuzen trokken dan naar de abdij op 14 Juli 1566 en vergaderden gedurende 14 dagen in de crypte van de grote abdijkerk (deze crypte bestaat nog). Gedurende die congresdagen traden de congressisten vrijpostig op.
WILLEM DE ZWIJGER TE SINT-TRUIDEN:
In 1568 beval de abt aan alle burgers die buiten de stadswallen woonden, zich binnen de muren terug te trekken. Willem van Oranje, bij Stokkem over de Maas gekomen, zakte immers af van Tongeren, waar hij vrije doorgang had gekregen, naar Loon, waar hij enige dagen verbleef (zie hierboven). Willem vroeg ook vrije doortocht aan de stad St-Truiden, doch de abt weigerde dit on deed de poorten sluiten. Willem rukte dan op en stelde strenge eisen, hij zou de geestelijkheid niet sparen! Daar de stad sterk genoeg was om de aanval af te weren, gaf de abt niet toe. Op 15 October 1568 echter, om 4 uur in de morgen, opende burgemeester à Speculo, onder de dwang der geusgezinden, de stadspoorten en de soldaten rukten binnen. Kloosters en kerken werden geplunderd. De abt, die nochtans Willem te Leuven een tijd in het opleidingshuis van de abdij had verborgen gehouden, toen deze vogelvrij was verklaard, mocht niet op erkentelijkheid rekenen en werd gevangen genomen. Willem, op de hielen nagezeten door de hertog van Alva, verliet met zijn troepen St-Truiden, de abt gevankelijk met zich voerend. Hij vroeg een hoge som losgeld, die dan betaald werd en de abt vrij kwam.
Twee garnizoenen van Alva moesten door de stad onderhouden worden. In 1572 waren de troepen van de prinsbisschop te Sint-Truiden. In 1570 maakte Willem de Zwijger zich weer meester van de stad, doch Alexander Farnese verdreef hem.
ZOUTLEEUW.
REDEN VAN HET BEHOUD DER KERKSCHATTEN GEDURENDE DE BEELDENSTORM: Bij de onlusten, welke onder Filips II België overspoelden, werd, volgens geschiedschrijver Gramaye, geen enkele Leeuwenaar beschuldigd noch verdacht van ketterij. Hieraan heeft de kerk het behoud van menig kunststuk te danken. Meer dan 400 kerken in Vlaanderen werden vernield en een groot getal andere geplunderd, tijdens de beeldenstorm in Augustus 1566. Leeuw was slechts bedreigd geweest: Een bende beeldstormers was St-Truiden binnengeraakt en zocht een plundertocht naar Zoutleeuw te ondernemen, maar de Leeuwenaars hielden hun poorten dicht. Niettemin had Leeuw toch onder plagerijen te lijden. Willem van Oranje, de grote aanstoker der moeilijkheden, ondernam in 1568 zijn eerste aanval op Brabant. In October bevond hij zich te Hakendover en veinsde Tienen te willen innemen. Hierdoor was men verplicht het garnizoen van Leeuw naar Tienen te zenden, zijnde 13 compagnieën of 200 man en een groep paardenvolk. Nauwelijks was de prins van Oranje van dit vertrek op de hoogte gesteld, of hij gaf de graaf van Berbij opdracht met enige mannen naar Leeuw te gaan en van de stad te eisen hetgeen het garnizoen in zijn haastig vertrek had moeten achterlaten, nl. de voorraad brood en tarwebloem, alsook 2 tonnen poeder, samen met een som van 20.000 gulden. De stad kon die som echter niet geven. Dit kwam ter ore van de hertog van Alva, die zich te Leuven bevond en er de wethouders van Leeuw ontbood. Diederik Van Hal, Hendrik Staes en burgemeester Jan Van Ertrijck werden veroordeeld om gehangen te worden.
KAPEL DER BRUINE LIEVE VROUW: De E.H. Denijs van Schoor, uit een edel geslacht van St-Truiden geboren, die in 1704 pastoor geworden was te Kerkom, kocht van het armenbestuur zijner geboortestad drie roeden grond (waarop de wonderbare eik van de "Bruine Lieve Vrouw" stond) en bouwde er in 1715 de thans nog bestaande bidplaats.
BOUW VAN DE KERK DER MINDERBROEDERS van 1731 tot 1735. In 1745 werd ze omgevormd tot Frans hospitaal, waar de Franse soldaten door de paters verpleegd werden. In 1780 word haar hoogte met 40 voet verminderd.
VERERING VAN "DE BRUINE LIEVE VROUW": Toen de kapel (zie hierboven) voltrokken was, plaatste men het O.L.V.-beeld boven het altaar, doch, o wonder, het keerde alleen terug naar de eik. Niemand durfde het beeld nog aan te raken, maar er werd vastgesteld het op O.L.V.- Hemelvaartdag plechtig van de eik in de kapel te verplaatsen. Op die dag dan vertrok men uit de parochiekerk met het Allerheiligste naar Maria's heiligdom; men plaatste het beeld boven het altaar en het is dan niet meer teruggekeerd naar de eik. Tot gedachtenis dezer wonderbare gebeurtenis, gaat jaarlijks op O.L.V.-Halfoogst, de processie naar de kapel van de Bruine Lieve Vrouw. De overlevering verhaalt dat men het beeld ooit wit geverfd heeft, maar dat het dadelijk weer bruin geworden is.
Wonderbare gunsten door de Lieve Vrouw uitgedeeld:
Een doodgeboren kind kwam in deze kapel tot leven en stierf na het H. Doopsel te hebben ontvangen (20 Maart 1721).
Een kind, op driejarige leeftijd lam geworden, werd te paard naar de kapel gebracht; na vurig bidden liep het weer net als vroeger.
RIDDER D' ERCKENTEEL: De inwoners van Alken boden op het einde der XVIIIde eeuw, tijdens de regering van Jozef II, heftig weerstand aan de Keizer-Koster. Het was dan dat Ridder d' Erckenteel, kolonel van het vrijwilligersleger van Alken, aan de meier en de dorpelingen van Stevoort orders gaf om tegen de namiddag te zes uur van de 29 Mei 1790 zich te begeven naar het Meerdorp van Alken, ten einde zich onder zijn bevel te stellen en op te trekken in het Luikse leger. De brief werd waarschijnlijk geschreven op het kasteel, toebehorend aan de familie Claes-d’Erckenteel, gelegen te Tercoest. Ongetwijfeld was deze kolonel ook heer van Tenhove, gelegen onder Herk. Hij benoemde als opvolger de heer H.J. Palmarts, majoor en officier van het Hof Alken en de Heredij Tenhoven. In het register van 1798 vindt men zijn naam als "Officier-Public" van Alken.
RIDDER DE BORCHGRAEVE: Kasteelheer van Mechelen- Bovelingen en kapitein van Maria-Theresia. Hij werd gewond in de slag van Friedberg (Silezië) en stierf op het kasteel van Mechelen-Bovelin- gen in 1745.
BEELD VAN DE VOLKSSCHOOL OP HET PLATTELAND, EINDE XVIIIde EEUW: Voor de Franse Omwenteling hebben in Mielen de geestelijke kosters doorgaans, gelijk elders de kapelaans, school gehouden.
Op de dorpen liepen de kinderen enkel en vooral in de winter school; in de steden daarentegen was het schoolgaan veel beter ingericht. Onder het Franse Keizerrijk is bijna geen school gehouden geworden; de gedurige oorlogen en de keizerlijke wetten van centralisatie schijnen daarvan oorzaak geweest te zijn.
De school stond onder toezicht van de pastoor en de schoolmeester was niet alleen wegens de opleiding der jeugd, maar ook in vele andere opzichten zijn medehelper. Bijna overal stond ook de schoolmeester de pastoor als koster terzijde, want aan de meeste kosterijen waren bij fundatie bepaalde voordelen verbonden, welke alzo dienen konden om het niet al te ruime inkomen van de schoolmeester te verbeteren. De school heeft menigmaal haar bestaan te danken gehad aan een godvruchtige stichting; onwetenden leren is geen van de minste, door de Kerk aangeprezen liefdewerken.
SINT-TRUIDENSE REVOLUTIE (1789-1794):
De betrekkingen tussen de abt en de bevolking waren gedurende twee eeuwen vreedzaam geweest, met enkele keren lichte opstootjes als weerslag van de gebeurtenissen te Luik. Eveneens onder de invloed van de hoofdstad waren de rechten van de ambachten, bij de herziening van het gemeentelijk statuut, enigszins gefnuikt (1669, 1691 getemperd door het reglement van 1699).
Maar toen de woelige stede, op 18 Augustus 1789, in opstand kwam tegen haar prinsbisschop, vonden haar afgevaardigden gehoor bij een deel der St-Truidense bevolking, dat dadelijk de terugkeer eiste naar het reglement van vóór 1669, aansloten bij de Luikse Revolutie en als patriottenpartij het bewind in handen nam.
De revolutie ging dus tegen prinsbisschop en abt. Aan het hoofd stond Ridder de Mauger. Het volk echter voelde niet veel voor de revolutie en het was meer onder de invloed der Luikse vreemdelingen dat de cocardes werden uitgedeeld (19 Augustus 1789) en dat de weigeraars werden mishandeld. Het beeld van O.L.V. tegen het stadhuis, werd met cocardes versierd.
De abt moest vluchten. Er ontstonden twee partijen, nl. de aanhangers van de abt (die men soepisten noemde) en van het parlement (patriotten). De huizen van de soepisten werden vernield. De opstandelingen benoemden een nieuw bestuur (burgemeester en raadsleden). De kloosters moesten belastingen betalen. Prior der abdij en kloosterlingen werden te Luik gevangen gezet. Onterende zaken gebeurden in de kerken. Revolutionairen vormden een leger onder bevel van de zoon de Mauger (kolonel-kommandant) en trokken naar Luik om, zoals boven gezegd, aan te sluiten bij de Luikse Revolutie.
De eerste geestdrift was dra geluwd, vooral toen het Pruisisch leger, onder voorwendsel de orde te handhaven, de stad bezette. De vijf afgevaardigden, die St-Truiden bij de Derde Stand vertegenwoordigden, trokken zich op één na terug (31 Augustus 1789).
Toen de vroegere overheden opnieuw bezit genomen hadden van het Sint-Truidens stadhuis, kwamen de Luikse patriotten, aangevoerd door Rossius, na een kort gevecht op de markt het stadhuis innemen, de abdij plunderen en een schrikbewind instellen (23 Mei 1790).
Pas hadden de keizerlijke legers, door het bezetten van Luik, een einde gemaakt aan de revolutie (12 Januari 1791) of de patriotten namen de wijk en de abt keerde terug in de stad, die hem geestdriftig onthaalde (14 Januari).
Het zou echter voor korte tijd zijn: In 1792 rukten de Franse legers zegevierend de Oostenrijkse Nederlanden binnen en weldra ook in het prinsbisdom. De Oostenrijkers gingen tot het tegenoffensief over en bezetten opnieuw het prinsbisdom (Maart 1793 - Juli 1794), om daarna voorgoed onze gewesten te ontruimen.
Eucherius Knapen van Lummen, abt (1789-1794), is dan ook met zijn monniken uitgeweken, de meeste naar Duitsland. Enkelen stierven in ballingschap, onder hen de abt (+1802) te Duisburg; anderen kwamen na het concordaat terug.
(Bibl.: Demal L.; "Précis de la Révolution Saintronnaire et Liègeoise de 1789", 1065.)
BONDERKUIL: De "Bonderkuil" is een laagte, gelegen bij de grens van Kortessem; het was de plaats der TERECHTSTELLINGEN.
In 1774 werden daar meer dan 20 man gehalsrecht, als leden van de beruchte "Bokkenrijdersbende"; sedertdien heeft men aan de ellenaren de spotnaam "Bokkenrijders" gegeven. Nochtans bestond die "beruchte" bende meest uit arme duivels, die brand brieven legden (hetgeen hun zelden iets opbracht), enige inbraken pleegden en een drietal huizen in brand staken, zonder één enkele moord te bedrijven en dat gedurende een tijdperk van 30 jaren. Het waren geen "bandieten": Samen met die van Overmaas trokken zij eens naar de "Aldenbiezen" om dat goed uit te plunderen; zij waren 100 man sterk (enigen zeggen zelfs 200) en toen de knechten buitenkwamen met rieken, sloeg de hele bende op de vlucht!
De 31 "Bokkenrijders" die aangehouden werden, werden ter dood veroordeeld, zonder de minste verdediging en na een uiterst geheim onderzoek. Op de pijnbank bekenden ze wat men maar wilde, zelfs dat ze op een bok door de lucht vlogen. Men sprak tot 9 doodstraffen uit op één voormiddag te Munsterbilzen.
Van die 31 aangehouden en werd één onschuldig bevonden, nadat hij reeds ter dood veroordeeld was; één jonge zwakzinnige kon ontsnappen; twee ouderlingen stierven in de gevangenis, een ervan na een ganse dag de tortuur te hebben ondergaan. Van de 27 overgeblevenen, meestal terechtgesteld op de "Bonderkuil", werden 19 gewurgd, 5 levend verbrand, 2 geradbraakt, waarvan een vrouw die men eerst nog de rechterhand afkapte en 1 werd onthalst. De overlevering verhaalt dat levenden of lijken verbrand werden met een zakje buskruit op de borst. De rechters van Luik handelden niet als die van Munsterbilzen, want de "Bokkenrijders" van Alken, een 12-tal, werden na enige maanden losgelaten.
Als beoordeling van de "Bokkenrijdersbende" dit citaat van de Limburgse geschiedschrijver Dr. Lyna van Hasselt: "De geschiedenis heeft uitgewezen dat de reputatie van boosaardigheid, die de toenmalige roversbende, gezegd "Bokkenrijders", zo graag wordt aangewreven, grotendeels aan de op de pijnbank afgeperste bekentenissen van de beschuldigden toe te schrijven is; de wreedheid waarmee de gerechtsofficieren van Wellen (in feite die van Munsterbilzen) te werk gingen, staat niet in verhouding met de bedreven misdaden."
HET PERRON NEERGEHAALD.
(Het werd in 1930 terug geplaatst aan de voet van het Belfort. De arend is het werk van kunstsmid Radoux van St-Truiden.)
KERKELIJKE GOEDEREN DOOR DE FRANSEN VERKOCHT:
ABDIJ: De gebouwen van de abdij, de 22 October 1789 als domeingoed verkocht aan vier Luikenaars, werden in drie jaar tijds geslecht. Bleven alleen overeind: de ingang en het abtskwartier, waar administratieve diensten ondergebracht waren; de dienstgebouwen, de infirmerie en ... de toren, getuige tot heden van meer dan negen eeuwen geschiedenis. De 17 klokken waren reeds te voren overgebracht naar Maastricht, evenals de bibliotheek en het archief.
(Bibl.: D.H. Kan. Kesters; "De abdij van Sint-Truiden.")
SINT-PIETER: Pastoor Boonen werd weggevoerd met 67 mensen, om de eed geweigerd te hebben. De kerk werd in 1798 verkocht voor 375 fr.
(De kerk bezit een relikwie van het H. Kruis. Tijdens de belegering door Karel de Stoute werd ze geroofd door een ridder, die ze in 1471, door wroeging gekweld, terug bracht.)
MINDERBROEDERSKERK EN KLOOSTER: Werd bij een zestiende oproep verkocht voor 230.500 fr aan Mr. Van Horen (op verzoek van de paters zelf). Na sluiting van het concordaat in 1801, stond hij de kerk aan de paters terug af in 1803.
De KAPEL VAN DE OSSENEG werd als nationaal goed aangeslagen en openbaar verkocht. Het goed werd aangekocht door priester Arnoldus Coenen uit Zoutleeuw, die lang naast het gesloten heiligdom bleef wonen om er over te waken. (In 1892 werd de kapel heropend.)
BEELD VAN DE FRANSE OVERHEERSING IN ONZE STREEK:
Franse opstandelingen vielen in ‘t LAND VAN LOON.
Schaliedekker Nihoul van Tongeren haalde het kruis af van de kerk van LOON en van de meeste kerken van ons kanton. Een klok van Loon werd in de hof van J. Danis verborgen onder een hoop mutsaarden; 24 klokken van het kanton werden naar Maastricht gevoerd.
De priesters moesten de eed van trouw aan de Franse Republiek afleggen. Weigerde de priester, dan werd de kerk gesloten, de pastorij onteigend en aan leken verhuurd.
Op 10/7/1798 werd in ons kanton de wet afgekondigd dat al de goederen van de geestelijkheid, kerken en seminariën aangeslagen werden door de Staat. 85 Geestelijken werden veroordeeld tot verbanning. Bij de Luikse Revolutie werd de pastoor van VOTTEM weggesleept, boven de Maas gehangen en doodgeschoten. Priesters doken onder en droegen de H. Mis op in private woningen; degene die een priester verborgen hield werd met verbanning bedreigd. De kalender werd totaal gewijzigd: iedere week telde 10 dagen en de namen van de heiligen werden vervangen door dierennamen. De mensen werden verplicht de Franse cocarde te dragen op straffe van 3 dagen hechtenis.
N.B. De aangeslagen goederen (het "Zwart Goed") van Belgisch- en Nederlands Limburg, brachten de som op van 107.276.902 fr.
Op 10/12/1803 legden enkele priesters van onze streek de eed van trouw aan de Franse Republiek af (BORLO, BRUSTEM, GELINDEN, JEUK, KERKOM, MIELEN).
In de maand Juli van het jaar 1794 vielen de Sansculotten Alken binnen en op 9 Augustus zaten er reeds 2.000 in het dorp. Zij kampeerden er 30 dagen op het Meerdeveldt, het Simsen en het Blockeveld. Zij plunderden de huizen, trokken de aardappelen uit en daarmee nog niet tevreden eisten ze 200 runderen en enkele paarden op. Alken behoorde toen bij het departement Benedenmaas, met Maastricht als hoofdplaats, en werd ingedeeld bij het kanton Hasselt.
Onder de Franse regering was er te Alken een bureau voor de ontvanger der belastingen. Dit bureau bleef later nog onder het Hollands bewind en verder tot in 1858. De kerkvervolging was hier niet minder dan elders: 23 November 1797 werd verbod gegeven de klokken te luiden. De H. Mis mocht niet meer opgedragen worden en men haalde de klokken uit de toren. 15 December werd het kruis van de toren neergehaald. Erbarmelijke dagen! De pastoor moest de parochie verlaten en er kwam een beëdigd priester om de brave zielen bij te staan. Er werd toch mis gelezen in een of andere hoeve. De 4 December 1798 overnachtten in het dorp 6.000 Brabantse Boerenkrijgers, die op weg waren naar Hasselt.
De vereniging van België met Frankrijk (1795) betekende HET EINDE VAN HET GEZAG DER HEREN te St-Truiden. 1798, BOERENKRIJG: Na de slag te Hasselt wamen verschillende onzer jongens te St-Truiden toe.
DE ABDIJ werd op 26/3/1802 opnieuw aangekocht tegen 12.600 fr en terug gegeven aan de monniken.
NAPOLEON TE SINT-TRUIDEN:
· Bezoek aan de abdij op 28 Juli 1803.
· Bezoek aan de Minderbroederskerk op 2 September 1804: "Quel bâtiment hardi!".
DE BONDGENOTEN IN SINT-TRUIDEN: Na de nederlaag van Napoleon, rukten op 15 Januari 1814 de bondgenoten St-Truiden binnen. Zweedse, Russische en Franse troepen trokken door de stad. Na de veldslagen van Ligny en Waterloo, trokken nog dagenlang allerhande ordeloze, wijkende troepen door de stad.
SINT-TRUIDEN. De KERK VAN SINT-MAARTEN werd herbouwd. Hot MINDREROEDER SKLOOSTER herleefde.
RIDDER FRANS DE BORCHGRAEVE werd onder Willem I gekozen door de Staten der Provincie Limburg tot Lid der Tweede Kamer.
De PRINS VAN ORANJE kwam hier voorbij op 24 September 1814, de KONING DER NEDERLANDEN op 3 Juni 1815.