Naamvallen: 1e 3e 4e

Het Duits heeft vier naamvallen. Op deze pagina bespreken wij de 1e ,3e en 4e naamval

1e naamval = onderwerp

Wie/Wat + gezegde(alle werkwoorden)= onderwerp

Voorbeeldzin:

Ich gebe meiner Mutter ein Geschenk.

wie/wat + gebe(geeft)= ich = onderwerp

4e naamval = lijdend voorwerp

wie/wat + gezegde + onderwerp= lijdend voorwerp

Voorbeeldzin:

Ich gebe meiner Mutter ein Geschenk.

wie/wat + gebe + ich = ein Geschenk = lijdend voorwerp

3e naamval= meewerkend voorwerp

aan/voor wie of wat + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp = meewerkend voorwerp

Voorbeeldzin:

Ich gebe meiner Mutter ein Geschenk.

aan wie/wat + gebe + ich + ein Geschenk = meiner Mutter =meewerkend voorwerp

Je zou ook kunnen zeggen als je er aan/voor voor kunt zetten of juist weg kunt laten is het derde naamval.

Nadat je de naamval hebt bepaald, moet je kijken of het woord mannelijk, vrouwelijk, onzijdig of meervoud is. Daarna kun je de juiste vorm gebruiken.

Zie hiervoor onderstaand tabel:

Bij de der groep horen ook de volgende woorden:

dies.. = deze

jed.. = iedere, iedereen

manch.. = sommige, menig

welch.. = welke

solch.. = zulke

all.. = alle(s), iedereen

Bij de ein groep horen ook de bezittelijk voornaamwoorden.

* Bij de derde naamval meervoud krijgt het zelfstandig naamwoord indien mogelijk een n. Bijvoorbeeld: Ich habe meinen Freunden das Buch gegeben.