Wie/Wat + gezegde(alle werkwoorden)= onderwerp
Voorbeeldzin:
Ich gebe meiner Mutter ein Geschenk.
wie/wat + gebe(geeft)= ich = onderwerp
wie/wat + gezegde + onderwerp= lijdend voorwerp
Voorbeeldzin:
Ich gebe meiner Mutter ein Geschenk.
wie/wat + gebe + ich = ein Geschenk = lijdend voorwerp
aan/voor wie of wat + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp = meewerkend voorwerp
Voorbeeldzin:
Ich gebe meiner Mutter ein Geschenk.
aan wie/wat + gebe + ich + ein Geschenk = meiner Mutter =meewerkend voorwerp
Je zou ook kunnen zeggen als je er aan/voor voor kunt zetten of juist weg kunt laten is het derde naamval.
Nadat je de naamval hebt bepaald, moet je kijken of het woord mannelijk, vrouwelijk, onzijdig of meervoud is. Daarna kun je de juiste vorm gebruiken.
Zie hiervoor onderstaand tabel:
Bij de der groep horen ook de volgende woorden:
dies.. = deze
jed.. = iedere, iedereen
manch.. = sommige, menig
welch.. = welke
solch.. = zulke
all.. = alle(s), iedereen
Bij de ein groep horen ook de bezittelijk voornaamwoorden.
* Bij de derde naamval meervoud krijgt het zelfstandig naamwoord indien mogelijk een n. Bijvoorbeeld: Ich habe meinen Freunden das Buch gegeben.