ALBERT SCHWEITZER ALS NIEUWTESTAMENTICUS
Wanneer je recht wil doen aan het denken van Schweitzer, dan moet je beginnen met een uiteenzetting van zijn denkbeelden over het karakter van het Nieuwe Testament. Want Schweitzer was boven alles nieuwtestamenticus. Zowel omdat de studie van de geschriften van het Nieuwe Testament zijn eerste liefde was waarnaar hij telkens terugkeerde, alsook omdat hij er in uitblonk als geen ander. Je kunt zonder overdrijving beweren, dat hij stellingen heeft geponeerd, zó scherpzinnig verdedigd en van een zó verstrekkende draagkracht, dat de beoefenaars der nieuwtestamentische wetenschap daaraan nooit meer stilzwijgend voorbij kunnen gaan en steeds gedwongen zullen zijn hun houding daartegenover te bepalen.
Deze kant van zijn werk en zijn gedachtenwereld spreekt niet erg tot de verbeelding van het grote publiek. Men gelooft graag op gezag van deskundigen, dat hij ook op dit terrein van wetenschap een groot man was, maar men voelt zich er niet bijzonder toe aangetrokken. Alleen theologen kunnen ten volle de strekking van Schweitzers beweringen over het Nieuwe Testament begrijpen. Maar ook aan leken is wel duidelijk te maken wat Schweitzer betoogde, juist, omdat hij met zo'n grote helderheid dacht en schreef. En het is belangrijk hierover uit te weiden omdat Schweitzers opvattingen ons inzicht in de aard van het oudste christendom raken en daarmee ons beeld van het christelijk geloof kunnen bepalen. Dat laat geen enkele christen koud. Het zal ook hen interesseren die zich niet direct tot de gelovigen rekenen.
De betekenis van Schweitzers ideeën over het Nieuwe Testament is het best te benaderen wanneer je bedenkt dat de predikant die zijn opdracht goed verstaat, zich geroepen voelt de boodschap van Jezus Christus te verkondigen, voor zover hij deze waarheid begrijpt en heeft doorleefd. Deze predikant dient dus voortdurend de Bijbel en met name het Nieuwe Testament te raadplegen. De Bijbelse geschriften vragen om verklaring en toelichting. Wanneer je de mededelingen van het Nieuwe Testament niet blindelings accepteert maar kritisch leest, rijzen er tal van vragen. Men kan zich bijvoorbeeld afvragen: wie was Jezus en wat was de inhoud van zijn boodschap? De berichten van het Nieuwe Testament daarover bevatten tal van tegenstrijdigheden en zijn niet altijd voetstoots te aanvaarden. De betekenis van deze vragen is, dat zij niet uit wetenschappelijke weetgierigheid alleen voortkomen, maar ook religieus gewicht hebben. Want het antwoord daarop bepaalt in zekere zin wat dominees en priesters als geloofswaarheid zullen verkondigen.
Op deze vragen geeft Schweitzer een merkwaardig en origineel antwoord.
Om Schweitzers positie te begrijpen moet je de achtergrond van zijn opvattingen kennen. Hij was opgegroeid met het zogenaamde liberale, Jezusbeeld dat destijds in vrijzinnige kringen algemeen als waar en betrouwbaar werd aanvaard. Het was de opvatting die Jezus beschouwde als de verheven prediker van onvergankelijke waarheden, als de verkondiger van een op aarde te stichten Koninkrijk van Vrede. Dit beantwoordde geheel aan de ethische idealen van de 19e eeuw. Alle vreemde en onaanvaardbare trekken in de nieuwtestamentische mededelingen over Jezus en zijn prediking schoof men op rekening van de tijdgeest waarin ook Jezus gevangen zat en van het geloof van de latere gemeenschap, zodat men die veilig kon elimineren. Nauw daarmee samenhangend leerde de toonaangevende theorie over het ontstaan van de eerste drie evangeliën, dat het evangelie van Marcus als het oudste en meest geloofwaardige moest worden beschouwd en dat door Mattheus en Lucas gebruikt was voor het schrijven van hun evangelie. Nu bestaat kort gezegd de betekenis van Schweitzer als nieuwtestamenticus hierin, dat hij het liberale Jezusbeeld heeft vergruizeld en dat hij de waarde van de Marcushypothese in twijfel heeft getrokken.
Tijdens de militaire manoeuvres in de herfst van 1894 in de Beneden-Elzas viel Schweitzers oog op de verhalen in de hoofdstukken 10 en 11 van het evangelie van Mattheüs, die alleen hier voorkomen en niet in Marcus te vinden zijn. Mattheüs 10 vertelt, dat Jezus zijn 12 discipelen uitzond met een toespraak, waarin hij hun aankondigde dat zij spoedig aan een grote vervolging zouden worden blootgesteld. Daarmee bedoelde hij de onderdrukking van gelovigen, die volgens de laat-Joodse voorstellingen aan het aanbreken van het Godsrijk zal voorafgaan. Hij deelde hun verder mee, dat de Mensenzoon zou verschijnen, voordat zij hun reis door de steden van Israël beëindigd zouden hebben. Mensenzoon is een titel van de verlosser, op wiens komst de joden hoopten en die naar hun verwachting het Godsrijk op aarde zou vestigen (Daniel 1). Uit de woorden van Jezus moet men dus opmaken dat hij de komst van het bovenaardse Koninkrijk Gods aanstaande achtte. Eigenlijk verwachtte hij de leerlingen, die hij uitzond met het bericht van de op til zijnde gebeurtenissen, niet meer terug. Mattheus 11 maakt melding van de ondervraging van Jezus door Johannes de Doper vanuit de gevangenis en van het antwoord dat Jezus hem deed toekomen. Johannes liet door zijn leerlingen aan Jezus vragen: 'Zijt gij degeen die komen zal of moeten wij naar een ander uitzien?' Wat betekent deze vraag? Wie is degeen die komen zal? Meestal legt men het zo uit, dat Johannes gevraagd zou hebben of Jezus de Messias of de Christus (de gezalfde), de door God gezonden koning en heiland was.
Schweitzer kwam echter tot het inzicht dat hier Elia, de oudtestamentische profeet, is bedoeld wiens wederkomst volgens de laat-Joodse voorstellingen aan het verschijnen van de Messias vooraf zou gaan. Schweitzer zag de verhouding tussen Jezus en Johannes de Doper aldus: Johannes heeft nooit gewezen op de komende Messias, maar op de verwachte voorloper. Ook het volk heeft in Johannes nimmer Elia gezien, maar wel Jezus als zodanig beschouwd. Dat blijkt onder andere uit wat er later bij de intocht in Jeruzalem gebeurde: Jezus trok de stad niet binnen als Messias, Christus, maar als de Profeet, als Elia. Jezus gaf op de vraag van Johannes een ontwijkend antwoord en verwees alleen naar de genezende kracht die er van zijn blijde boodschap uitging. Schweitzer vroeg zich af waarom Jezus zowel het ja als het nee vermeed. Zijn conclusie was dat Jezus nog niet openlijk bekend kon maken voor wie hij zich zelf hield omdat hij het geheim van zijn Messiasschap verborgen wilde houden. Een zorgvuldige studie van de genoemde hoofdstukken uit Mattheüs bracht Schweitzer tot het ook voor hem zelf verrassende inzicht dat Jezus geheel leefde in zogenaamd eschatologische verwachtingen, d.w.z. in het uitzien naar de komst van de laatste (eschatos = laatst, uiterst) dagen van de wereldgeschiedenis. Of nog nauwkeuriger uitgedrukt: Jezus dacht in de begrippen van de zogenaamde laat-Joodse apocalyptiek.
Dit laatste is een merkwaardig genre van godsdienstige literatuur, waarin onthullingen (apocalypse) worden gedaan over de tijd en de wijze van de doorbraak van het Godsrijk. Deze te verwachten gebeurtenissen worden in fantastische, kleurrijke taferelen beschreven. Jezus, die in zijn mededelingen over de komst van het Koninkrijk Gods uiterst sober en terughoudend was, werd toch bezield door het apocalyptisch pathos dat met ongeduld het op handen zijnde gebeuren verbeidde. Hij trad immers op met de roep: Bekeert U, want het Koninkrijk der hemelen is nabij. Zoals Schweitzer het uitdrukte: Jezus dacht niet alleen eschatologisch, hij handelde ook overeenkomstig deze voorstellingen. Schweitzer zag in Mattheüs 10 en 11 de tekening van een historisch belangrijke situatie: de uitzendingsrede betekent de aanbrekende eindtijd. Uitgaande van dit inzicht schetste Schweitzer vervolgens het verloop van het openbare optreden van Jezus waarbij hij een verband legde tussen oogst en oordeel.
Met opzet is de uitdrukking openbaar optreden, en niet de gebruikelijke term leven van Jezus gebruikt. Er zijn vele en beroemde pogingen gedaan een leven van Jezus te schrijven. Schweitzer heeft in zijn omvangrijk en vermaard geschrift 'Geschichte der Leben-Jesu-Forschung' al deze zogenaamde biografieën kritisch besproken en ontoereikend bevonden. De evangeliën bieden niet voldoende materiaal voor een levensbeschrijving. De evangelisten interesseerden zich niet voor biografische bijzonderheden.
Zij lieten het volle licht vallen op het openbaar optreden van Jezus. Het bestek van zijn werkzaamheid was uiterst beperkt. Het omvatte nauwelijks één jaar. En het was bovendien volgens Schweitzer op een eigenaardige wijze gekoppeld aan het ritme van het natuurleven. Het zou niet toevallig zijn, dat de beelden van zaaien en oogsten zo vaak in de gelijkenissen en de spreuken voorkomen.
Jezus trad op in de zaaitijd en zond zijn leerlingen uit bij het aanbreken van de oogst. Gedurende de herfst en de winter verbleef hij met zijn discipelen ten noorden van Palestina op heidens gebied. Hij stierf aan het kruis met Pasen van het daaropvolgende jaar. De verbintenis van de gang van zijn leven met het natuurritme openbaart haar zin vooral in het samenvallen van de oogst met het verwachte oordeel. Dit verband is niet slechts symbolisch, maar ook temporeel-reëel gedacht. Jezus verwachtte werkelijk het Godsrijk bij de rijping van het graan. Dit betekent dat men zijn handelen alleen begrijpt wanneer men het eschatologisch motief onderkent. Deze eschatologische verwachting was een dogmatisch idee, die door de gang van zaken werd gelogenstraft.
De leerlingen, die Jezus niet meer terugverwachtte, keerden wel terug, gezond en wel en voldaan over hun volbrachte taak. Het lijden had zich niet voorgedaan, de uitstorting van de Heilige Geest was niet gebeurd, de zogenaamde parousie, de terugkeer van de Mensenzoon bleef uit. Dit was een onloochenbaar feit, dat enerzijds een verstrekkende betekenis had voor de houding van Jezus en dat anderzijds de ontplooiing van de latere christelijke theologie bepaalde. Wat het laatste betreft, mag, om het gewicht van Schweitzers visie in een helder daglicht te stellen, in het voorbijgaan worden medegedeeld, dat een aantal bekende Zwitserse theologen, zoals prof. dr M. Werner, prof. dr F. Bun en dr A. Neuenschwander, de 'uitgebleven parousie' beschouwen als het beslissende feit in de geschiedenis van het oudste christendom. Werner wil zelfs de gehele dogmengeschiedenis, dus de gang van het leerstellige denken, van hier uit interpreteren.
De reactie van Jezus op het uitblijven van de 'parousie' was een vlucht voor de menigte. Hij week met de zijnen uit naar het noorden. Hij vluchtte niet voor de schriftgeleerden die hem vijandig gezind waren, maar hij vermeed het volk dat hem niet los wilde laten en dat met hem wilde wachten op de openbaring van het Godsrijk. In de eenzaamheid probeerde hij de raadsels te ontwarren. In de worsteling met het harde feit dat het Godsrijk niet op het verwachte tijdstip gekomen was, kwam het besef in hem op dat het pas kon komen, als hij, de toekomstige Messias, door zijn lijden en sterven de zoendood had ondergaan voor hen die tot het rijk uitverkoren waren en hen daardoor ervoor behoed had, de voor-Messiaanse verschrikking te moeten doormaken.
Deze zwenking in het geloofsdenken van Jezus luidt de tweede periode van zijn leven in. Om goed te laten uitkomen in hoeverre Schweitzers opvatting afwijkt van de voorstelling die men zich in bepaalde kringen maakte en nog maakt van het verloop van de openbare werkzaamheid van Jezus, speciaal van de tweede helft daarvan, is het goed te herinneren dat er vaak is beweerd dat Jezus een vergeestelijkte vertolking van het komende Godsrijk predikte. De Godsrijkverwachting van het merendeel van zijn tijdgenoten, zo zegt men, was tegelijkertijd aards en miraculeus getint. Jezus verkondigde echter een ethisch Godsrijk, dat hij op aarde wilde grondvesten. Zijn toehoorders probeerde hij op te voeden tot het geloof in een geestelijke, ethische Messias. Aanvankelijk had hij succes met zijn prediking. Later viel de menigte, door de Farizeeërs en de machthebbers te Jeruzalem opgestookt, hem af. Het treurige feit van deze miskenning, van deze onverdiende tegenstand wekte hij hem de overtuiging, dat hij volgens Gods wil voor de zaak van het Koninkrijk Gods zou moeten sterven. Zo trok hij tegen het naderend paasfeest naar Jeruzalem om zich in de handen van zijn vijanden over te geven en de kruisdood te ondergaan.
Schweitzer meende, dat deze voorstelling van zaken niet klopt met de feiten.
Zoals wij reeds zagen ontkende Schweitzer dat het ooit de bedoeling van Jezus is geweest een geestelijk rijk te stichten. Jezus dacht geheel in het kader van de laat-Joodse apocalyptiek die het komende Godsrijk reëel en bovennatuurlijk zag. Toen dit rijk niet kwam op het aangekondigde tijdstip verliet hij de schare van zijn aanhangers. Niet uit vrees voor zijn vijanden, maar om tot klaarheid te komen met dit feit. Hij wijzigde zijn houding radicaal. De eerste periode van zijn optreden stond als het ware in het teken van het woord uit Mattheüs 11: 12: 'van de dagen van Johannes de Doper af tot nu toe wordt stormgelopen op het Koninkrijk der hemelen en bestormers grijpen er met geweld naar.' Het was de tijd van de activisten die door het geweld van hun boete en ethische vernieuwing de komst van het Godsrijk wilden forceren. Nu begreep Jezus, dat zijn weg zou voeren naar het verzoenend sterven. In zekere zin schaarde hij zich naast de 'geweldenaars'. Het geweld dat hij hanteerde, was het hoogst denkbare: zijn eigen leven. Tot deze visie zou hij gekomen zijn onder de invloed van een bekende passage uit hoofdstuk 53 van de geschriften van de profeet Jesaja, waar een merkwaardige figuur wordt getekend, nl. de 'lijdende knecht des Heren'. Van hem wordt o.a. gezegd:
Maar hij was het die onze ziekten droeg,
die ons lijden op zich nam.
Wij echter zagen hem als een verstoteling,
door God geslagen en vernederd.
Om onze zonden werd hij doorboord,
om onze wandaden gebroken.
Voor ons welzijn werd hij getuchtigd,
zijn striemen brachten ons genezing...
Naar alle waarschijnlijkheid stelt deze figuur het vrome, verdrukte volk Israël voor. Jezus zou in deze woorden een vingerwijzing hebben gezien voor de weg die hij moest volgen. Hij voelde zich geroepen om het lijden, dat volgens de gangbare joodse leer allen die tot de heerlijkheid van het Godsrijk wilden ingaan, moesten doormaken geheel alleen op zich te nemen. Deze waarheid van het lijden bewaarde hij als een geheim, evenals hij de wetenschap, dat hij bij het aanbreken van het Godsrijk aan de zijnen zou verschijnen als de Messias, de Zoon des Mensen, verborgen hield.
In het licht van deze opvatting verklaart Schweitzer de bekende gebeurtenissen die zich in de laatste week van het leven van Jezus te Jeruzalem voltrokken. Zo beschouwt hij het laatste avondmaal als een plechtigheid met een eschatologisch perspectief. Hij merkte op dat in de beide oudste evangeliën het gebod tot herhaling van deze maaltijd ontbreekt. De jongeren hebben dus later deze maaltijd op eigen initiatief herhaald. In elk geval was het geen sacramentele herhaling of symbolische voorstelling van de zoendood van Jezus. De grondslag vormden niet de zogenaamde inzettingswoorden van Jezus over brood en wijn die zijn verbroken lichaam en zijn vergoten bloed zouden voorstellen (Marc. 14 : 22 vlg.; Matth. 26 : 26 vlg.; Luc. 22: 15 vlg.), maar de dankzeggingsbeden over brood en wijn. Zo is het ook te verklaren dat de avonclmaalsplechtigheid oudtijds 'eucharistie', d.i. dankzegging werd genoemd en dat zij niet jaarlijks op Witte Donderdag, maar vroeg in de morgen van elke zondag, die als dag van de opstanding van Jezus gold, werd gehouden omdat men dan uitzag naar zijn terugkomst bij het aanbreken van het Koninkrijk Gods. Want Jezus heeft, naar Schweitzers mening, bij de viering van zijn laatste avondmaal duidelijk verwezen naar de komende eschatologische gebeurtenissen, zoals blijkt uit zijn woorden:
Ik verzeker jullie: ik zal niet meer van de vrucht van de wijnstok drinken tot de dag komt dat ik er opnieuw van zal drinken in het koninkrijk van God.
(Marc. 14 : 25)
Trouwens, er bestaat een ideële relatie tussen dit laatste avondmaal en de wonderbare spijziging, waarbij enkele duizenden mensen werden gespijzigd met vijf broden en twee vissen, waarna men twaalf korven kon vullen met de overgeschoten brokken (Marc. 6 :34-44, 8 : 1 -10; Matth. 14 15-21, 15 : 32-39; Luc. 9 10-17). Beide zijn een Vorfeier, feestje voor het echte feest, van het komende Messiaanse maal, in de gemeenschap van hen die in het Rijk geloven. Schweitzer past ook hier de exegese naar eschatologisch gezichtspunt toe. Deze spijziging was oorspronkelijk een cultusmaal, dat pas later een wonderbaarlijk karakter verkreeg door de toevoeging dat allen verzadigd werden.
De oorspronkelijke betekenis lag in het samen in geloof uitzien naar de komst van het Rijk en in de ontvangst van de spijze die Jezus door de dankzegging gewijd had en waardoor de menigte, die niet doorzag dat Jezus de komende Messias was, zonder het te beseffen een voorproefje kreeg van de Messiaanse heerlijkheid. Ook aan de vierde bede van het Onze Vader ligt dit gedachtenpatroon ten grondslag. Schweitzer vertaalt nl. Matth. 6 : 11: 'Ons brood, het komende, geef ons heden.' Deze bede heeft een eschatologische strekking.
Overweldigende gebeurtenissen hebben aan Jezus geleidelijk zijn geheim ontrukt. Een tipje van de sluier werd voor de drie meest vertrouwde leerlingen, Petrus, Jacobus en Johannes, opgelicht bij de verheerlijking op de berg (Marc. 9 2-18; Matth. 17 : 1-8; Luc. 9 : 28-36). De evangeliën vertellen, dat Jezus op een hoge berg voor de ogen van de drie discipelen plotseling een andere gedaante kreeg en gekleed was in blinkend witte kleren. Zij zagen Mozes en Elia in gesprek met Jezus. Petrus stelde aan zijn meester voor om drie tenten te maken. Een wolk overschaduwde hen, waarin een stem klonk: 'Dit is mijn geliefde zoon; luister naar hem.' Toen zij om zich heen zagen, ontwaarden zij niemand dan Jezus die bij hen stond. Volgens Schweitzer zou deze gebeurtenis, die in de weken na de uitzending, op een berg in de buurt van Bethsaïda plaatsvond, begrepen moeten worden vanuit de sterke eschatologische bewogenheid. De drie leerlingen ontvingen het Messiasgeheim in extase en niet bij monde van Jezus zelf. Tijdens het bekende gesprek van Jezus met zijn leerlingen te Cesarea Filippi (Marc. 8 :27-9 : 1; Matth. 16: 13-28; Luc. 9 : 18-27) sprak Petrus het uit. Jezus lokte deze belijdenis uit, zonder het te willen, met zijn vraag: 'Wie zeggen de mensen, dat ik ben?' De andere leerlingen gaven het antwoord dat voor de hand lag: Johannes de Doper, Elia, één der profeten. Petrus had intuïtief het geheim van zijn Meester doorzien, toen hij antwoordde: 'U bent de Christus.' Daarop wijdde Jezus hen in in het lijdensgeheim: dat hij, voor wie de waardigheid van de Christus was weggelegd, zou moeten lijden en sterven en dat daarom zijn volgelingen in zelfverloochening het kruis op zich zouden moeten nemen.
Tegen deze achtergrond krijgt het tafereel in Gethsemane (Marc. 14 : 32-42; Matth. 26 : 36-46; Luc. 22 : 39-46) een aangrijpende betekenis. Men heeft dit het zwakke uur van Jezus genoemd. In werkelijkheid treedt hier in zijn diep menselijke compassie, zijn bovenmenselijke grandeur aan de dag. Want hij werd aangegrepen door een grote angst dat zijn intimi het lijden dat over hen zou komen, niet konden doorstaan.
Het is hem gelukt om wat Schweitzer noemt de 'dogmatische idee van de zin van zijn lijden in een handeling om te zetten en werkelijk alléén te sterven. En dat terwijl de menigte niet vermoedde wie hij was. Bij zijn feestelijke intocht in Jeruzalem (Marc. 11: 1-10; Matth. 21: 1-9; Luc. 19 :26-38) gold het gejubel niet de Messias, maar de profeet uit Nazareth uit het geslacht van David. Pas het verraad van Judas bracht hem aan het kruis. Nadat Petrus het Christusgeheim had geraden, heeft Judas het verraden en het prijsgegeven aan de hogepriester. Het verraad bestond niet hierin, dat hij de schuilplaats van Jezus in Gethsemane aanwees, maar dat hem ontmaskerde als de Messias. Tijdens het proces bekende Jezus dit en bevestigde het met de voorrI1ing. dat hij spoedig zou verschijnen als de Mensenzoon (Matth. 26 : 64). Zo stierf hij op Golgotha na de bedwelmingsdrank geweigerd te hebben om tot het laatst toe bij het volle bewustzijn te blijven. De jongeren vonden zijn graf leeg op de ochtend na de sabbat. In hun enthousiaste verwachting zagen zij hem visionair als de opgestane voor zich. Daardoor raakten zij ervan overtuigd, dat hij bij God in de hemel was en weldra als Messias zou verschijnen om het Koninkrijk der hemelen te doen aanbreken.
Om deze korte weergave van Schweitzers eschatologische interpretatie van de evangeliën af te ronden, kan nog worden vermeld, dat hij deze lijn ook doortrekt bij de uitleg van de gelijkenissen, bij de beoordeling van de ethische geboden van Jezus en bij de beantwoording van de vraag: voor wie is het Godsrijk eigenlijk bestemd? De gelijkenissen zijn geen leerredenen; zij vragen niet om een uitleg; zij verhullen een geheim; zij duiden voor de toehoorders de mysterieuze aard van het Godsrijk aan, die gelijk is aan wat er in de natuur gebeurt bij de uitzaai en het groeiproces. De ethische geboden die Jezus geeft, willen boetedoening bewerken als voorbereiding tot het komende Rijk. Het zijn de verscherpte eisen van een zogenaamde 'interimethiek', de morele eisen voor een exceptionele periode. Onder dit kopje staat ook de Bergrede (Matth. 5-7). Het komende Rijk is niet voor iedereen bestemd, maar alleen voor de uitverkorenen (Marc. 4 : 11, 12). Deze predestinatiegedachte straalt o.a. door in de zaligsprekingen (Matth. 5 3-10). Men verdient het Rijk niet doordat men zich de armoede van geest, de zuiverheid of de zachtmoedigheid verwerft, maar men wordt ertoe geroepen door het bezit van de genoemde kwaliteiten. In de woorden van Schweitzer: 'Jezus heeft niet geleerd, dat alle mensen kinderen Gods zijn. Die genade komt alleen de uitverkorenen toe.'
Schweitzer betitelt zijn standpunt als consequente eschatologie. Hij is ook hierin consequent, dat hij eveneens de apostel Paulus in het raam van deze zienswijze plaatst. Het beknopte bestek van dit hoofdstuk staat niet toe diep in te gaan op de inhoud van zijn omvangrijke studie over 'Die Mystik des Apostels Paulus'. Het betoog zou dan ook allicht te specialistisch worden. Toch is de hoofdstelling van dit werk gemakkelijk te formuleren. Men dient dan allereerst te weten, dat de verhouding tussen de boodschap van Jezus en de leer van Paulus een veelbesproken probleem is. Sommigen zien hier een kloof gapen en menen, dat de Christologie van Paulus, d.w.z. zijn geloof in Jezus als de Christus, onder de invloed staat van hellenistische godsdienstige denkbeelden. Nu kan men in de theologie van Paulus twee lijnen ontdekken:
enerzijds predikt hij de rechtvaardiging van de zondige mens tegenover God, niet door de werken der wet, maar op grond van Gods genade - en hierin polemiseert hij tegen de joden;
anderzijds leert hij de mystiek van het 'zijn-in-Christus' en van het 'gestorven-en-opgestaan-zijn-met-Christus'.
Schweitzer is van oordeel, dat zowel de verzoeningsleer van Paulus als zijn mystiek uit de geest van het latere Jodendom begrepen moeten worden en dan met name uit het eschatologisch pathos.
Paulus geloofde, dat zij die Jezus verwachtten als de komende Christus, sinds zijn dood en opstanding op mystieke wijze met hem verbonden waren. Zij waren niet langer natuurlijke wezens zoals andere mensen. Op geheimzinnige wijze waren zij reeds met Christus gestorven en opgestaan, zoals zij immers ook weldra met hem in de bestaansvorm van opstanding en heerlijkheid zouden leven. Van hieruit valt volgens Schweitzer ook de leer van de rechtvaardiging door het geloof en de genade te begrijpen. Tegenover zijn joodse tegenstanders heeft Paulus de verlossende betekenis van de offerdood van Jezus geaccentueerd om zo de verzekerdheid te funderen dat de joodse wet vervallen is, een overtuiging die uit de mystiek van de gemeenschap met Christus voortvloeit.
Wie deze gedachten van Schweitzer op zich laat inwerken, voelt hun stoutmoedige kracht en revolutionaire werking. Waarschijnlijk zal hij niet direct bereid zijn zich daaraan over te geven. Want zij weerspreken te zeer het vertrouwde beeld van Jezus. Inderdaad verrijst hier een geheel andere Jezus-gestalte dan die van de humane verkondiger van een innerlijk Godsrijk of van de Zoon Gods die ter verzoening van de zondige mens met de heilige God op Golgotha de offerdood stierf.
Schweitzer was er zich van bewust, dat hij heilige huisjes aantastte. Het heeft hem met name verdriet gedaan dat hij het liberale jezusbeeld van zijn oudere medestanders moest afbreken. Hij heeft zich ook afgevraagd: wat komt daarvoor in de plaats? De lezer kent het antwoord. Het is het beeld van een Jezus die niet alleen in eschatologische denkcategorieën leefde, maar zich ook door eschatologische motieven in zijn handelen liet bewegen. Deze gedachten, deze motieven zijn ons totaal vreemd. Het effect is, dat Jezus eerder verder van ons weg wijkt, dan dat hij ons naderbij komt. Wordt Jezus niet totaal een vreemdeling voor ons? Schweitzer meent van niet. Integendeel, voor hem is de ethische religie van de liefde de kern van de prediking van Jezus. Hij ziet het zo, dat Jezus deze ethische religie goot in de vormen van de laat-Joodse Messiaanse verwachtingen. Het vuur van dit geloof moet in ons ontbranden. De eschatologische conceptie van het Godsrijk kan ons een aanmoediging zijn ons geestelijk los te maken van de wereld die wij al te gemakkelijk nemen zoals zij is. Het christendom is wereldaanvaarding, maar dan wereldaanvaarding die door wereldontkenning is heengegaan. In de eschatologische wereldbeschouwing van de wereldontkenning ontvouwde Jezus de ethiek van de daadkrachtige liefde. De christen krijgt pas de echte relatie tot Jezus, wanneer hij door hem gegrepen is, wanneer zijn wil de wil van Jezus verstaat. Daarvan getuigt Schweitzer in de beroemde slotwoorden van zijn 'Geschichte der Leben-Jesu-Forschung':
'Als een onbekende en ongenoemde komt hij tot ons, evenals hij aan de oever van het meer op die mannen toetrad, die niet wisten wie hij was. Hij spreekt hetzelfde woord: Gij echter, volgt mij! En hij stelt ons voor de problemen die wij in onze tijd moeten oplossen. Hij gebiedt. En aan hen die hem gehoorzamen, aan wijzen en eenvoudigen, zal hij zich openbaren, door wat zij in zijn gemeenschap mogen ervaren aan vrede, arbeid, strijd en leed, en als een onuitsprekelijk geheim zullen ze ondervinden wie hij is...'
Het heeft Schweitzer niet aan kritiek ontbroken. Zijn gewaagde beweringen lokken daartoe uit. Laten wij enkele punten aanstippen. Men doet niet af aan de originaliteit van zijn denken, wanneer men opmerkt, dat hij niet de eerste was die zag dat de eschatologie het gedachtenleven van Jezus beheerste. Maar hij was wel de eerste die vanuit deze idee consequent het gehele optreden van Jezus trachtte te verklaren. Zijn bewijsvoering is zó knap en logisch, dat geen enkele beoefenaar van de nieuw-testamentische wetenschap deze theorieën naast zich neer kan leggen. Hij wordt gedwongen zijn houding tegenover Schweitzers studies te bepalen. Nu is het nog aan niemand gelukt Schweitzer geheel te verslaan en volledig te weerleggen. Men kan echter wel gegronde en toch vrij diep insnijdende detailkritiek hebben. Zo kan men er ten eerste op wijzen, dat de consequente eschatologie de feiten verwringt. Het valt niet te ontkennen, dat het N.T. nog andere elementen bevat dan de zuiver eschatologische. Naast de oproep tot bekering, omdat de komst van het Godsrijk zeer nabij is, komen er in de evangeliën spreuken en voorschriften voor die een rustige en geleidelijke voortgang van de gebeurtenissen veronderstellen. De gedachtenwereld van het evangelie is gecompliceerd en daarin bestaat juist haar rijkdom. Ten tweede zal de deskundige spoedig ontwaren dat Schweitzer te weinig aandacht heeft besteed aan de gegevens van de evangeliën van Lucas en van Johannes. Dit verzuim verzwakt zijn positie, in het bijzonder wat Lucas betreft. Want het kader van Lucas is een geheel ander dan dat van Marcus en Mattheüs. Dit weerspreekt de periodisering van het optreden van Jezus die Schweitzer voordraagt.
In het algemeen kan men zeggen, dat zijn visie gebaseerd is op de juistheid van een bepaalde theorie over de compositie van de evangeliën. Er zijn geleerden die betwijfelen of men voor de uitleg van bepaalde perikopen (fragmenten uit de H. Schrift, dat in de eredienst wordt voorgelezen) bijzondere waarde moet toekennen aan het raam waarin zij voorkomen. Als dit juist is, dan kan men zich niet onttrekken aan de indruk dat de reconstructie van het optreden van Jezus die Schweitzer aanbiedt niet zó hecht gefundeerd is als het lijkt.
Ten slotte kan men de vraag opwerpen of Schweitzer de godsdienstige betekenis van Jezus wel ten volle heeft verstaan. Zijn woorden over het gegrepen zijn door Jezus, zijn beschrijving van de mystiek van Paulus, voeren tot het hart van het evangelie. Maar de verhouding van de Christen tot Jezus is rijker. Een christologie, d.i. een leer over de godsdienstige betekenis van Jezus, omvat meer. Ook de oudste christenen, die hem Kurios, Heer, noemden, hebben nog andere facetten aan de persoon van Jezus ontdekt dan Schweitzer blijkbaar heeft gezien.