Een boom bestaat voor het grootste deel uit dood materiaal, het hout. Alleen een dunne laag onder de bast is levend materiaal en hier groeit de boom gestaag naar twee kanten, naar binnen en naar buiten. Naar binnen heet het xileem en vormt het kernhout. Bij veel boomsoorten is dit herkenbaar als spinthout. Buitenwaarde groei noemen we flueem (ook floeëem) en vormt de bast en schors. Het kernhout bevat aaneen geschakelde vaten waardoor water van de wortels naar de bladeren getransporteerd wordt. Dit kernhout zorgt tevens voor stevigheid, zodat de boom omhoog kan groeien zonder bij een zuchtje wind te breken of om te vallen. Hierbij zorgen de wortels tevens voor een stevige hechting in de bodem. Via het flueem stroomt met suikers verrijkt water terug naar de wortels en andere plaatsen waar de brandstof nodig is. De schors die zich uit het flueem ontwikkelt is een effectieve bescherming tegen beschadiging van het kwetsbare cambium en het watertransportsysteem.
Het meeste water dat omhoog gepompt wordt, verdampt via de bladeren. Een klein deel vervoert voedselrijk water terug naar de wortels. Onderweg wordt een deel gebruikt in het cambium om nieuwe cellen aan te maken.
In de bladeren worden via zonlicht en CO2 suikers aangemaakt. Het water dient voor transport. Dit proces kennen we als fotosynthese. De suikers vormen de brandstof voor de stofwisseling (en groei) van de boom. Daaruit worden onder andere lignine en cellulose gemaakt. Deze twee stoffen zorgen voor de stevigheid van het kernhout. Die stofwisseling is de reden waarom planten zelf ook zuurstof gebruiken. Overdag is er een overschot aan zuurstofproductie, 's nachts ligt de zuurstofproductie stil (zonder licht geen fotosynthese). Suikers die niet direct gebruikt worden, worden opgeslagen in de stam, de takken en de wortels. De wortels delen die suikervoorraad met schimmels (mycorrhiza), die de boom helpen mineralen uit de bodem op te nemen. Een voorbeeld van die samenwerking: Berken op zandgrond kunnen niet goed groeien zonder de hulp van de vliegenzwam.
Foto Pixabay. Jaarringen van een boom.
Bomen kenmerken zich door groei in twee richtingen. De hoogte (lengte) en de breedte, ofwel de primaire en secundaire groei.
De lengte groei vindt plaats vanuit de groeipunten van de twijgen. Dit zien we bij alle planten. Bijzonder bij bomen is de secundaire groei. Dit noemen we ook wel horizontale groei of dikte groei. Zoals we hierboven zagen, gebeurt dit vanuit het cambium, naar binnen en naar buiten. Jaarringen zoals op de foto hiernaast vormen zich als de boom perioden van snelle en langzame groei kent. Dit is typisch voor bomen in gematigd klimaat. Aan de ringen is goed te zien welke uitdagingen de boom in zijn leven zoal te verwerken had. Tropische boomsoorten hebben een gelijkmatigere groei en laten meestal geen, of nauwelijks jaarringen zien. Natte en droge perioden kunnen wel aanleiding voor verschil in dichtheid zijn.
In het kernhout bestaan vaak horizontale verbindingen die houtstralen genoemd worden. Hierdoor wordt water over de hele breedte verdeeld.
De jaarringen vormen bij het zagen van de stammen de tekening van het hout. Ook de houtstralen zijn zichtbaar in de tekening van het hout. Bij eikenhout zijn ze bijvoorbeeld herkenbaar aan de 'spiegels'.
Stofwisseling
Om te groeien heeft een boom een aantal zaken absoluut nodig: Water, CO2, (zon)licht, zuurstof, stikstof.
Water, licht en CO2 worden in de bladeren via de fotosynthese omgezet in koolhydraten. Voor dit proces heeft de boom echter ook stikstof nodig. Hij maakt er eiwitten van, die een functie hebben in de fotosynthese. Samen met nog andere stoffen worden er ook afweerstoffen van gemaakt.
De boom groeit dus van CO2 en je zou zeggen, hoe meer CO2 hoe meer groei. Maar dat gebeurt alleen in goed gecontroleerde omstandigheden, zoals in de tuinbouwkassen. Daar kunnen temperatuur, water en stikstoffen aan de hogere koolstofassimilatie worden aangepast. In de natuur neemt een plant (boom) zoveel CO2 als hij nodig heeft en kan verwerken. Het overschot in de lucht negeert hij. Dit geldt ook voor stikstoffen, maar dan net even anders: De boom krijgt stikstof vanuit de wortels met water via de vaten in het xileem aangevoerd. Hij gebruikt daarvan wat nodig is voor de fotosynthese.
Normaal zitten er in de bodem stoffen die een rem zetten op deze stikstofassimilatie. Bijvoorbeeld mangaan. Dit kan door zure regen uitspoelen tot buiten het bereik van de wortels. Het stikstofoverschot blijft nu in de boom. Hij moet hier iets mee en verwerkt het dan in de celwanden. Dit is nadelig voor de dieren die van de boom leven. Ze krijgen nu onevenwichtig, slecht verteerbaar voedsel. Veel dieren sterven daardoor van de honger. Dit treft vooral insecten, maar indirect ook de dieren die van deze insecten leven. Vooral diverse vogelsoorten worden hierdoor hard getroffen.
Ook voor de boom zelf kan dit nadelig voor zijn gezondheid zijn. Dit verschijnsel is mede de oorzaak van massale sterfte van zomereiken in onze bossen. Maar ook andere boomsoorten worden hierdoor kwetsbaarder voor ziekten (zoals schimmels, bacteriën en virussen) en vraat.
Mensen kijken vaak naar andere levende wezens met zichzelf als maatstaf. Hoewel die vergelijking in vrijwel alle gevallen mank gaat, past het bij bomen op geen enkele wijze. Zij kunnen in principe oneindig doorgroeien. Dat er op verschillende plaatsen op aarde bomen gevonden zijn in leeftijden van 10.000 jaar of meer is daar wel een bewijs van. Het duurt ook lang voordat bomen volwassen zijn, bijvoorbeeld eiken doen daar 150-200 jaar over.
Zolang het cambium goed beschermd wordt tegen gevaren van buitenaf en vitaal blijft, blijft het zichzelf regenereren. Natuurlijk moet ook de fotosynthese ongehinderd door kunnen gaan. Hiervoor heeft de boom CO2, water en licht (rode en blauwe golflengten) nodig. Zelfs als het kernhout gedeeltelijk wordt verteerd, bijvoorbeeld door schimmels, blijft de boom overeind en vitaal. Holle bomen zijn daarom geen reden om te kappen. Sterker, de holte speelt in de natuur een belangrijke rol voor andere wezens, bijvoorbeeld dieren die er een nest- of rustplaats van maken. Of opslagplaats voor eekhoorns.
Bomen zijn ook goed in staat zich tegen gevaren te weren. Als er een wond ontstaat, bijvoorbeeld door snoeien of breuk, kunnen schadelijke schimmels binnendringen. De boom zal in eerste instantie het openliggende cambium afsluiten door te drogen. Vervolgens groeit hij over de wond heen en kapselt de besmetting in. Als dit proces goed verloopt zal de indringer stikken en afsterven. Op de foto hiernaast is goed te zien dat de bast al zo'n tien jaar gewoon over de besmette plek heen groeit. Dat heeft wel vier jaar geduurd.
Als dit proces te langzaam gaat kan de indringer overleven en het hout langzaam verteren. Zo ontstaan vaak holtes in bomen. Dat is op zichzelf niet verkeerd. Uitholling is vaak een voorwaarde voor bomen om oud te worden, omdat zo de massa van de stam afneemt en het hele systeem minder krachten te verwerken heeft. Maar een te zwakke wand zal moeite hebben om de kroon te dragen en dat vormt dan wel gevaar voor breuk.
Alle planten maken soortspecifieke afweerstoffen aan. Daarmee maken ze met name hun bladeren ongenietbaar en weren zich zo tegen vraat. Sommige stoffen veroorzaken alleen een vieze afstotende smaak, andere zijn ronduit giftig.
Ook het communicatie systeem van bomen is onderdeel van de afweer. De communicatie tussen cellen gebeurt van een signaalstof, die we ook kennen uit de keuken: glutamaat. Het bericht van geïnfecteerde cellen verspreidt zich zo razend snel door de gehele plant. Planten maken daarop onder andere 2 soorten vluchtige stoffen (feromonen) aan om hun soortgenoten te waarschuwen voor gevaar. Zo is één stof gebaseerd op methyl, dat waarschuwt soortgenoten voor gevaren, vaak ook specifieke gevaren, bijvoorbeeld de vraat van een bepaald insect. Overigens begrijpen roofinsecten die taal ook en schieten te hulp. Een andere stof is ethyleen. Deze stof is niet soortspecifiek en verhoogde concentraties in de lucht zetten planten aan tot versnelde vruchtrijping. Zo zorgt het ethyleen uit tomaten ervoor dat bananen in de buurt snel (over)rijp worden. Zo worden groene sinaasappelen voor transport naar de winkels oranje gemaakt.
Bodemschimmels helpen bij het doorgeven van de signaalstoffen, via een ondergronds netwerk van schimmeldraden. Dit is een elektrochemisch proces. Bovendien kunnen bomen via de schimmeldraden ook voedsel uitwisselen, zodat een plant (of boom) die in de schaduw staat en minder fotosynthese heeft, toch voldoende voeding krijgt om te overleven. Ook zaailingen worden zo ondersteund door volwassen bomen in hun omgeving.
Ook zijn er aanwijzingen gevonden dat bomen via de 'ether' communiceren. Iedere stofwisseling (een chemisch proces) veroorzaakt elektromagnetische straling. Veranderingen in die straling, bijvoorbeeld frequentie of amplitude, worden door andere bomen waargenomen. De elektrochemische processen tussen de cellen zijn daar gevoelig voor. Planten reageren dan door hun afweer te versterken.
Loofbomen hebben 'platte' bladeren en coniferen hebben doorgaans naaldvormige bladeren. In het blad vindt de fotosynthese plaats.
Het blad heeft aan de buitenkant een bovenste en onderste opperhuid of epidermis. Tussen die twee lagen zit het bladmoes. Aan de oppervlakte zit ook nog een dunne waslaag, de culicuta. Deze waslaag zorgt voor een goede vochtregulatie, voorkomt onnodig uitdrogen en is een barrière tegen besmettingen.
In het bladmoes zitten onder andere de cellen die voor fotosynthese verantwoordelijk zijn, het chlorofyl. Deze cellen weerkaatsen het groene ligt, waardoor bladeren de groene kleur krijgen. Als in de herfst het chlorofyl uit de bladeren wordt teruggetrokken blijven alleen de structuurcellen over die doorgaans een andere kleur hebben, bijvoorbeeld rood, oranje of geel.
Via de onderkant van het blad vindt gasuitwisseling plaats. Dit gebeurt door microscopisch kleine bladmondjes, stomata genoemd. De boom kan die stomata openen en sluiten als dat nodig is. Via deze bladmondjes komt CO2 naar binnen en gaat zuurstof als afvalproduct naar buiten. Bij droogte wordt op water gespaard door de mondjes te sluiten. Als dit te lang duurt bestaat het gevaar dat de bladeren uitdrogen en dat kan zelfs tot afsterven van de boom leiden.
Bomen ontwikkelden een vrijwel eindeloze variatie aan bladvormen. Deze vormen zijn afgestemd op de boomsoort en zijn (ideale) groeiomstandigheden. Zo zorgt de naaldvorm ervoor dat de boom beter vocht kan vasthouden, wat in koudere, droge streken nodig is. Hier is vaak ook de waslaag dikker dan bij andere boomsoorten.
Recent onderzoek heeft aangetoond dat planten gevoelig voor aanraking zijn. Dat geldt dus ook voor bomen. Door aanraking wordt de groei verstoord. Hoe dat precies werkt is nog niet duidelijk. Maar deze kennis kan wel helpen om te zorgen dat planten beter groeien. Denk daarbij vooral aan de teelt van voedingsgewassen. Door ze niet te dicht op elkaar te poten kunnen ze groter en gezonder opgroeien.
Bij bomen zien we dit ook. Denk bijvoorbeeld aan bomen die te dicht bij elkaar staan. Als soortgenoten elkaar raken remt dit de groei op die plek. Als er een andere boomsoort geraakt wordt, gaan de bomen de concurrentie aan en dan zie je dat takken soms tot diep in elkanders kroon doordringen. Wie erin slaagt desondanks de meeste fotosynthese te waarborgen wint de strijd. De verliezer moet takken afstoten om te overleven (ruien). Onder de grond, bij de wortels, gebeurt iets soortgelijks. De verliezer blijft dan ook achter in groei, is minder vitaal en gevoeliger voor besmetting.