Er komen steeds minder houtkanten en houtwallen (een kant op een verhoging) voor omdat
landbouwgrond ingenomen wordt door woningen of industrie
de landbouw zelf intensiever wordt?.
Houtkanten zijn ecologisch belangrijk want ze
vormen een habitat voor dieren en planten
kunnen functioneren als corridors die de verspreiding van dier- als plantensoorten bevorderen
zorgen voor minder wind
zuiveren de lucht
slaan CO2 op
verminderen erosie
Ze hebben een culturele en historische waarde; ze deden in het verleden vaak dienst als
grens voor het vee
grens tussen eigendommen
opslag van hout
Tussen 1974 en 2015 zijn in de omgeving van Turnhout
35% van de houtkanten verdwenen
24% had zijn ecologisch waardevolle structuur verloren
de gemiddelde soortenrijkdom daalde van 7.3 soorten in 1974 tot 5.7 in 2015
Verschillen
bij de bomen en struiken
vooral lijsterbes en sporkehout waren verminderd ten gunste van Amerikaanse vogelkers en Amerikaanse eik; wel bleef de zomereik het meest aanwezig
de kruidlaag
telde in 1974 79 soorten, in 2015 121 soorten. In 2015 was er een hoger aandeel van bossoorten en pionierssoorten, maar kwamen er minder graslandsoorten en ruigtesoorten voor. Er heeft een evolutie plaatsgevonden van soorten die eerder een zure, droge bodem met lage voedingswaarde verkozen naar soorten die groeiden op een minder zure, maar vochtiger en meer voedselrijke bodem. Vooral stikstof is in de bodem gestegen.
Waarschijnlijk komt dit mede doordat de houtkanten meer en meer versnipperd geraken. Daardoor komen er andere milieu-invloeden meespelen.
Schaduwtolerante soorten, vnl bossoorten, kunnen zich nog midden in de houtkant handhaven
Meer open betekent meer invloed van de omgeving; meer verstoorde bodems aan de kanten ... dus meer pionierssoorten. Het betekent ook meer kansen voor Amerikaanse vogelkers en Amerikaanse eik; ook brandnetel, braam, geel nagelkruid en riet floreren ten nadele van de verdwenen gewone dophei, valse salie, bleeksporig bosviooltje, schapengras en hennepgras
Er wordt verwacht dat de dominantie van snelgroeiende competitieve planten zal leiden tot een verdringing van de oorspronkelijk aanwezige planten.
De zuurte van de bodem is afgenomen; waarschijnlijk door een verbeterde strooiselkwaliteit (o.a. door vogelkers, es en vlier), een vermindering van de uitstoot, en/of bekalking van de landbouwgrond.
(bron)