Heide is een verzamelnaam voor een variatie aan vegetatietypen op niet ontgonnen woeste grond waar geen of slechts weinig bomen staan.
De mogelijkheden van het terrein hangen ook af van bodem, grondwater, reliëf, het historisch gebruik van het terrein, enz.
Het hangt ook af van de omgeving: overgangen zijn belangrijk naar bossen, cultuurlanden...
Variatie is belangrijk: variatie in voedselrijkdom, buffering, leeftijd, gebruiksgeschiedenis.
In vroegere tijden werden de vruchtbaarste gedeelten omgezet in landbouwgrond en bos; dan trad verzuring op van de restanten.
Hoofdlijnen van het beheer zijn: het verwijderen van voedingsstoffen, terugdringen monoculturen hoge grassen, tegengaan van boomopslag.
Heide kent intensief gebruikte standplaatsen, maar ook relatief onbeheerde, oude bodems en vegetaties met een geleidelijke ontwikkeling naar bos. Beide types en ook de gradiënt ertussen leveren totaal verschillende levensgemeenschappen op.
Naast echt voedselarme heidevegetaties horen ook voedselrijkere plekken, zoals akkertjes, thuis in het heidelandschap. Dit draagt bij tot groter diversiteit en zijn belangrijk voor het herstel.
Het gebruik van de heide is steeds gevarieerd en dynamisch geweest: periodes van sterk gebruik, afgewisseld met relatieve rust.
Oude heide kent een ander klimaat dan jonge heide, ook andere planten- en diersoorten.
Verzuring (achteruitgang van buffering) is een even groot probleem dan vermesting.
Veel soorten van droge heischrale vegetaties hebben een kort levende zaadbank en slecht verspreidingsvermogen. Het behouden van bronpopulaties belangrijk, evt inbrengen van zaden of maaisel belangrijk.
Plaggen voert niet alleen de stikstof af, maar ook alle daarin opgeslagen elementen: fosfaten en andere bufferstoffen. Plaggen leidt tot versterking van het onevenwicht in het voedselaanbod van planten en tot een sterke uitspoeling van bufferstoffen. Plaggen wordt dus steeds minder toegepast, en als het gebeurt kleinschalig, met veel variatie.
De voedselkwaliteit is voor herbivoren zeer laag. Voedselrijkere bloemrijkere plaatsen verdwijnen door heide maar ook door vermesting en verzuring. Dit leidt tot weinig kevers, veldkrekels en vlinders; er is dus weinig voedsel voor vogels.
Intensieve begrazing vormt geen probleem omdat veel soorten warmteminnend en bestand zijn tegen droogte. Ze planten zich snel voor zijn mobiel en/of graven ze zich in.
kies voor jonge of oude heide:
oude heidestruiken en ongestoord podzolbodem; dikke strooisellaag, vaak rijke mossenflora en bosbessen; vaak rijk aan reptielen en amfibieën, gebaat bij relatief gebufferde, vochtige omstandigheden;
of
zeer open en droge stuifzandheide; veel soorten optimum, pioniersheide: kan ook bekomen worden door intensief te laten begrazen
ontwikkel geleidelijke overgangen naar bos
geleidelijke overgangen naar bos zijn zeer waardevol in een heideterrein en solitaire bomen bieden belangrijke uitkijk- en zangposten voor sommige vogels
opslag in zuidwesten toestaan, in noordoost-zijde kappen, hierdoor kunnen verschillende stadia aanwezig blijven zonder dat heideterrein dichtgroeit; dit kan zowel met loof- als naaldbomen; alhoewel loofbomen voor meer leven zorgen
open het heidelandschap
door het maken van corridors en kapvlaktes verbindingen met begeleidende landschappen (beekdalen, essencomplexen) tot stand te brengen; ook kunnen landbouwgronden in de rand terug hun natuurfunctie gegeven worden (maaien en afvoeren kost 10-20j) of steeds extensiever gebruiken en als voedselbron voor vogels laten dienen
geef geel de ruimte
heischrale graslanden komen voor op matig voedselarme plaatsen met een goede zuurbuffering; kleileem kan dicht onder de oppervlakte zitten
bloemen: valkruid, brem, gewoon biggenkruid, havikskruid, tormentil , andere: tandjesgras, borstelgras, hondsviooltje; vergrassing met struisgras, bochtige smele, braam (leemrijker bodem)
eventueel toedienen van kalk of steenmeel
is er nog genoeg zaad beschikbaar? evt nieuw zaad inbrengen (ammoniumgehalte van bodem in het oog houden); maaien of begrazen blijft nodig
koppel voedselarme en voedselrijke delen
vroeger: tijdelijke akkers en schraalgraslanden in heide, vooral op grens tussen heide en andere landbouwgronden; dragen bij tot biodiversiteit
veldleeuwerik, kneu, geelgors maken graag gebruik van akkertjes
ook aangeplante naaldbossen kunnen worden omgezet worden in akkers
gebruik medegebruik
ruiterroutes, bermen, fiets- en wandelpaden, rommelhoekjes zijn meestal voedselrijker; meestal heischrale tot grazige vegetatie; dus beheer gericht op kruidenrijke bermen, aansluitend bij landschap; kunnen dienen als corridors tussen heidegebiedjes; kunnen ook als brandgang dienen
zandige steilranden, microreliëf, dood hout, oude opengevallen struikheidepollen zorgen voor grotere variatie, nest- en schuilgelegenheid
graas in gradiënten
begrazing kan op verschillende manieren worden gedaan, hoe meer variatie hoe meer verschillende vegetatie
ontwikkeling van oude heide: extensieve begrazing het jaar rond met grote grazers; bij sterke vergrassing evt gecontroleerde beheerbrand (verwijdert stikstof) en daarna begrazing
begrazing door schapen voor variatie schapen
tijdelijke overbegrazing gunstig voor warmteminnende diersoorten zoals mieren,m aar nefast voor levendbarende hagedis, groot dikkopje
(bron)
zie beschrijving habitat