Veel Dalton scholen kiezen ervoor om met langere lesuren te werken. De overweging daarvoor is onder meer dat docenten dan meer mogelijkheden hebben om te zorgen voor afwisseling tussen instructie en verwerking, bijvoorbeeld via samenwerkingsopdrachten. Ook Dalton taken en praktische opdrachten zijn regelmatig expliciet geformuleerd als groepsopdrachten. Af en toe zijn er bovendien grotere, vak overstijgende projecten waarin leerlingen samenwerken. Daarbij wordt vaak een aantal didactische principes of middelen gehanteerd die leerlingen steunen in het leren samenwerken met anderen:
1. Wederzijdse afhankelijkheid. Dat is een basisprincipe van goede samenwerking. Een voorbeeld daarvan is om leerlingen bij het vak Engels ieder afzonderlijk een stukje van een tekst te laten lezen, waarna de groep gezamenlijk een opdracht maakt was de hele tekst voor nodig hebben. Een ander voorbeeld is om leerlingen te grote opdrachten te geven om in de gestelde tijd alleen uit te werken.
2. Ruimte geven om eigen oplossingen te vinden voor samenwerkend leren. Leerlingen moeten zelf kunnen ervaren wat wel of niet werkt, en gelegenheid krijgen om eigen problemen, zoals meeliften, op te lossen. Pas als dat niet lukt, volgt een meer actieve inbreng van de docent.
3. Groepsamenstelling en bewust kiezen voor samenwerking partners. De wijze waarop groepen tot stand komen verschilt: vaak is de keuze aan de leerlingen zelf, en meestal kiezen ze dan voor hun eigen vrienden of een vastmaak waarmee zal eerder goed hebben samengewerkt. Soms zijn er richtlijnen voor het aantal groepsleden en soms bepalen de docenten de groepsindeling.
4. Instructies voor het maken van een rolverdeling afspraken en planning. Leerlingen krijgen af en toe instructie over de verdeling van rollen in een groep en in de wijze waarop samenwerking beoordeeld wordt. Maar er zijn meer handvatten te geven bij samenwerkingsopdrachten. Zeker in de onderbouw is het bij groepsopdrachten belangrijk om duidelijk te maken dat er verschillende taken zijn, dat ze deadlines moeten bedenken voor wanneer ze wat af willen hebben, dat ze afspreken wie wat gaat doen en daarbij bedenken wie binnen de groep welke kracht heeft.
5. Reflecteren op het proces. Bij een deel van de groepsopdracht dan kun je leerlingen laten werken met een logboek waarin ze hun planning en taakverdeling noteren, en waarin ze bijhouden wat ieder van hen heeft bijgedragen.
6. Controle/beoordeling. Een lastig punt bij samenwerkingsopdrachten is de beoordeling. Er zijn meelifters en er zijn ook af en toe leerlingen die anderen eigenlijk geen kans geven omdat ze vinden dat zij zelf alles beter kunnen. Docenten kunnen dan leerlingen bijvoorbeeld zelf aan elkaar punten laten verdelen. In ieder geval is het belangrijk om als docent te laten merken dat je hen doorhebt. De leerlingen die niet profiteren vinden het prettig dat je hen het gevoel geeft dat je ziet wie wel werkt en wie niet.