De sonnetten‎ > ‎

Sonnet 4

Shakespeare


Unthrifty loveliness, why dost thou spend
Upon thyself thy beauty's legacy?
Nature's bequest gives nothing, but doth lend,
And being frank, she lends to those are free.
Then, beauteous niggard, why dost thou abuse
The bounteous largesse given thee to give?
Profitless usurer, why dost thou use
So great a sum of sums yet canst not live?
For having traffic with thy self alone,
Thou of thyself thy sweet self dost deceive.
Then how when nature calls thee to be gone,
What acceptable audit canst thou leave?
   Thy unused beauty must be tombed with thee,
   Which, usèd, lives th' executor to be.
Vertaling van Jules Grandgagnage (2011)


Waarom verspil jij dit legaat alleen?
Jouw schoonheidserfenis duurt slechts één leven.
Wat je bezit gaf de natuur in leen,
Met gulle hand, aan hen die zelf geven.
Ik snap niet dat een vrek met mooie snoet, 
Van haar royaal geschenk zo misbruik maakt,
Die som op som leent waar hij niets mee doet,
En toch niets vindt dat hart en leven raakt.
Wie slechts zichzelve mint in het verkeer
Verraadt daardoor zijn eigen mooie ziel,
Want, komt de laatste dag, hoe haal je eer,
Als je niets nalaat, want je bleef steriel?
   Je onbenutte schoonheid sterft in ‘t graf
   Tenzij je die op tijd aan anderen gaf.




auteursrecht: zie homepage