De sonnetten‎ > ‎

Sonnet 3

Shakespeare


Look in thy glass and tell the face thou viewest
Now is the time that face should form another,
Whose fresh repair if now thou not renewest,
Thou dost beguile the world, unbless some mother.
For where is she so fair whose uneared womb
Disdains the tillage of thy husbandry?
Or who is he so fond will be the tomb
Of his self-love to stop posterity?
Thou art thy mother's glass, and she in thee
Calls back the lovely April of her prime;
So thou through windows of thine age shalt see,
Despite of wrinkles, this thy golden time.
  But if thou live remembered not to be,
  Die single and thine Image dies with thee.

Vertaling van Jules Grandgagnage (2011)


Wat zegt de spiegel waar je nu in kijkt?
Dat je gelaat nu gauw een ander maakt,
Voordat je eens geroemde schoonheid wijkt.
Een dief ben je als je hierin verzaakt.
Want waar is zij wier ongebruikte schoot
Het planten van jouw schone zaad versmaadt?
En wie is die narcist die in de dood
Ons in zijn zelfzucht geen kind nalaat?
Je bent je eigen moeders spiegelbeeld,
En in jouw jeugd ziet men haar schoonheid prijken:
Zo zal ook jij door ouderdom vereelt
Doorheen je rimpels naar jezelf kijken.
  Maar ben je met dit leventje tevree,
  Sterf dan eenzaam, en neem je schoonheid mee.




auteursrecht: zie homepage