De sonnetten‎ > ‎

Sonnet 2

Shakespeare


When forty winters shall besiege thy brow
And dig deep trenches in thy beauty's field,
Thy youth's proud livery, so gazed on now,
Will be a tattered weed of small worth held.
Then being asked where all thy beauty lies,
Where all the treasure of thy lusty days,
To say within thine own deep sunken eyes
Were an all-eating shame and thriftless praise.
How much more praise deserved thy beauty's use,
If thou couldst answer: 'This fair child of mine
Shall sum my count and make my old excuse',
Proving his beauty by succession thine.
  This were to be new made when thou art old,
  And see thy blood warm when thou feel'st it cold.

Vertaling van Jules Grandgagnage (2010)


Na veertig winters, je gezicht doorploegd
Van tijd en weer waar is je schoonheid nu?
Versleten als een kleed dat je eens droeg!
Verdwenen met je praal, jij parvenu!
Waar ligt je ware schoonheid dan verborgen,
Als iemand er om vraagt dan weet je 't niet.
Of wijs je dan op je verzonken ogen,
Waar schaamt' en spijt verteert wat niemand ziet?
Een zonde is het dat je zo verspilt
Wat voor je toekomst zoveel had betekend.
Als je kon zeggen:dit kind heb ik gewild,
Het gaf een zin en richting aan mijn leven:
  Zo vindt je bloed een warme levensstroom,
  Waar anders koude wacht als stervensloon.



auteursrecht: zie homepage