Niet alleen naar de inhoud richtten de Renaissancisten zich op de Klassieke Oudheid, ook naar de vormen deden ze dat. Zo zie je dichters die voor de vorm van hun gedichten klassieke versvormen gebruiken. Toneelschrijvers richten zich op toneelvormen uit de Klassieke oudheid. De Griekse Aristoteles, die veel voor het Griekse toneel geschreven had, werd daarbij als voorbeeld gebruikt.
Teatro Olimpico, Vicenza (het oudst nog bestaande overdekte theater uit de renaissance, 1580-1585)
De Gijsbreght van Aemstel is te beschouwen als een klassiek drama.
Het klassieke drama kent de volgende eigenschappen:
1. expositie: de uiteenzetting van wat voorafgegaan is om wat volgt te kunnen begrijpen;
2. intrige: de verwikkeling, de ontwikkeling van een probleem wordt geschetst;
3. climax: de spanning wordt opgevoerd;
4. catastrofe: de spanning komt tot ontlading en het begin van de ontknoping;
5. peripetie: de beslissende wending en de afwikkeling.
met het feit dat er vrijwel alleen hooggeplaatste personen in optreden.
Ook in moderne romans wordt nogal eens de opbouw van het klassieke drama gebruikt. Heel duidelijk is dat bijvoorbeeld in Het stenen bruidsbed van Harry Mulisch, waarin zelfs een soort “reien” voorkomen. Ook in ander werk van Mulisch is een opbouw in 5 fasen aan te wijzen. Ter toelichting geef ik beknopt de inhoud van Twee vrouwen weer, waardoor de reeks expositie – intrige – climax – catastrofe – peripetie wat duidelijker kan worden.
De opbouw van Twee vrouwen
Expositie
De ik-figuur presenteert zichzelf. Zij vertelt van een typerend incident uit haar jeugd en beschrijft hoe ze enkele maanden eerder met Sylvia in contact kwam, waarbij ze het gevoel had dat er iets wezenlijks in haar leven zou veranderen. Daarna beschrijft ze hoe er tussen hen een liefdesverhouding ontstaat. Na verloop van tijd durven de twee vrouwen ook met elkaar uit te gaan. “De meeste mensen wisten het nu wel van ons”. Dit fragment beslaat de eerste zeven hoofdstukken van de roman.
Intrige
In hoofdstuk 8 lezen we over Alfred Boeken, de ex-man van de Ik-figuur. In dit deel wordt ook getoond hoe de moeder van Sylvia reageert op de verhouding tussen de twee vrouwen, wat de reactie is van de twee mannen die op de versiertoer zijn, hoe kwaad de moeder van de ik-figuur is als ze door heeft wat voor een relatie er tussen de twee vrouwen bestaat. Hoofdstuk 14 beschrijft hoe Sylvia een gesprek begint over kinderen krijgen. Als Sylvia gehoord heeft dat de scheiding tussen Alfred en de ik-figuur veroorzaakt is door het feit dat de ik-figuur geen kinderen kon krijgen vraagt ze meteen: “Zou je willen dat ik een kind van je kreeg?” Daarna vertelt Sylvia een verhaal uit haar jeugd, dat duidelijk maakt hoe onverzettelijk zij kan zijn, als zij zich iets heeft voorgenomen.
Climax
In het deel van hoofdstuk 15-21 wordt beschreven hoe Alfred aan Sylvia wordt voorgesteld en vol bewondering van haar is. Tijdens een bezoek aan het museum, waar de ik-figuur werkt, spreekt Sylvia een min of meer bevreemdende liefdesverklaring uit aan de ik: “Ik zal altijd van je houden, zul je dat nooit vergeten?” Daarna zegt Sylvia dat ze naar haar ouders zal gaan. In hoofdstuk 21 wordt duidelijk dat Sylvia helemaal niet bij haar ouders is; voor de ik-figuur is het duidelijk dat Sylvia met een ander weg is.
Catastrofe
In het vierde deel, hoofdstuk 22-28, blijkt dat Sylvia met Alfred er vandoor is gegaan. Dat blijkt ook, als ze haar paspoort bij de ik-figuur komt ophalen om naar Engeland te gaan met Alfred. Als ze vertrekt kijkt ze de ik-figuur even aan met een onbegrijpelijk stralende blik.
Peripetie
De hoofdstukken 29-32 zijn op twee manieren te duiden als de fase van de peripetie, de ommekeer. In hoofdstuk 29 komt Sylvia opnieuw thuis. In dit hoofdstuk komen we voor het eerst de naam van de ik te weten: Laura. Sylvia heeft zich zwanger laten maken: “Van jou. Via Alfred”. Dit blijkt vanaf het begin de bedoeling te zijn geweest van Sylvia. Dan wil Alfred nog een keer met Sylvia praten; Laura wordt later door de politie opgebeld; als ze thuis komt blijkt dat Sylvia vermoord is door Alfred. Aan het slothoofdstuk kun je afleiden, dat de ik-figuur overweegt zelfmoord te plegen.
In dit verband is ook interessant, dat volgens Aristoteles de peripetie altijd gepaard moet gaan met agnitio, zelfinzicht van de held, inzicht in zijn werkelijke positie. Pas in het slotgedeelte begrijpt Laura de bedoelingen van Sylvia; je zou ook kunnen zeggen, dat ze nu pas werkelijk weet hoe anderen reageren op een relatie tussen twee vrouwen, wat daarvan voor haar de (on)mogelijkheden zijn.