VRAGEN EN OPDRACHTEN bij de RENAISSANCE
Algemeen
1. Geef een aantal verklaringen voor het gegeven dat het denken in de Renaissance zich ontwikkelde van theocentrisch naar antropocentrisch.
2. Noem een aantal literaire genres die in de Renaissance werden beoefend en probeer ook aan te geven waarom juist deze genres werden beoefend.
3. Geef de belangrijkste kenmerken van de klassieke tragedie
Joost van den Vondel (1587–1679), Gijsbrecht van Aemstel
1. Lees in bijlage 1 “De vaderlandse geschiedenis als bron voor Gijsbrecht van Aemstel" en "Verhalen uit de klassieke oudheid als bron voor Gijsbrecht van Aemstel”.
2. Lees de samenvatting van de inhoud van het toneelstuk in bijlage 2.
3. Vondel zegt in zijn inleiding op de Gijsbrecht van Aemstel, dat hij het voorbeeld van Vergillius met diens beschrijving van de ondergang van Troje wil volgen. Vondel geeft zelf een aantal parallellen aan: Amsterdam is Troje, de volgelingen van Floris V, de Kennemers en Waterlanders, zijn de Grieken enz. Noem zoveel mogelijk andere parallellen tussen de werken van Vergillius en Vondel; gebruik daarvoor de gegevens uit de bijlagen 1 en 2.
4. Bij de bewondering voor klassieke voorbeelden is Vondel verder gegaan dan al-leen het maken van een mooie Nederlandse tekst over het klassieke verhaal, een vertaling. Hij wilde het verhaal ook in zekere zin evenaren (aemulatio) en liet zien dat een dergelijke geschiedenis ook in Nederland had plaatsgevonden; hij nationaliseerde a.h.w. het verhaal. Bovendien overtrof hij het klassieke verhaal nog in zijn ogen door het te verchristelijken. Welke christelijke boodschap van Vondel kun je afleiden uit het optreden van Gijsbrecht, vanaf het moment in het vijfde bedrijf, dat Gijsbrecht besluit zich tot zijn dood te verdedigen?
5. Lees in het algemene gedeelte het onderdeel 'Klassiek drama' en 'De opbouw
van Twee vrouwen'.
6. Geef in het kort aan wat in Gijsbrecht van Aemstel inhoudt:
a. de expositie b. de intrige c. climax d. catastrofe e. peripetie.
7. a. De belegering van Amsterdam en de val van de stad bestrijken een periode van een jaar. Vondel probeert de eenheid van tijd te handhaven. Welke truc hanteert hij daarvoor in het eerste bedrijf?
b. Met de eenheid van plaats heeft Vondel het wat moeilijker gehad. Hij zegt daarvan zelf: “Het toneel is voor en in de stad en op het kasteel”. Toch merk je dat hij de handeling probeert te concentreren op het kasteel, ook als het gaat om situaties die zich op allerlei plaatsen buiten het kasteel afspelen. Welke truc hanteert Vondel, vooral in het vierde en vijfde bedrijf, ter wille van de eenheid van plaats?
c. Als laatste kenmerk van het klassiek drama (punt e) wordt aangegeven dat het klassiek drama zich vooral richtte op de toehoorder i.p.v. de toeschouwer. Leg uit of dat klopt voor Gijsbrecht van Aemstel en betrek in je antwoord de antwoorden van 7a en 7b.
8. Lees, in je gedachten “vertalend”, regel 1 tot en met 44 op bijlage 3.
a. Welk gevoel, volgens Gijsbrecht heeft bij Geerraerdt van Velsen overheerst bij zijn plannen i.v.m. Floris V? (zie ook bijlage 1)
b. Welk bezwaar had Van Aemstel zelf tegen Floris?
c. Hoe ziet Van Aemstel zijn verantwoordelijkheid m.b.t. de moord op Floris?
Het zeegat uit
1. Welke verklaring kun je geven voor het feit dat reisverhalen zo populair waren in de zeventiende eeuw?
Lachen is gezond
1.Klik op Moppentappen en lees de mopjes. Leg de verschillende mopjes uit.