Rederijkersliteratuur
Rederijkers experimenteren met literaire technieken. Na 1600 geven de rederijkerskamers hun besloten karakter op.
Rederijkersliteratuur werd in de Nederlanden al sinds de vijftiende eeuw gemaakt door burgers en ambachtslieden die in amateurverenigingen (rederijkerskamers) bijeenkwamen. Dichten was voor hen geen beroep, maar een hobby, die in dienst stond van het algemeen belang. De kamers organiseerden regelmatig landjuwelen, literaire wedstrijden. De deelnemers konden dan in verschillende categorieën een gedicht of een toneelstuk inbrengen. Het wedstrijdthema was altijd een godsdienstige, politieke of morele vraag of stelling. Zoals bij de huidige poetry slams waren de voordrachten en opvoeringen openbaar, maar de andere activiteiten van de rederijkerskamers waren besloten en alleen toegankelijk voor leden.
Rederijkers besteedden veel aandacht aan de vormgeving van hun teksten. Ze hadden er tal van uitdagende regels voor. Het ging erom wie binnen de gestelde grenzen de mogelijkheden van de taal het ‘kunstigst’ wist te gebruiken om zijn boodschap over te dragen. Achter die vormvastheid zat ook een diepere gedachte. Men ging ervan uit dat God orde in de schepping had aangebracht, van macroniveau (de kosmos, het heelal) tot op microniveau (het menselijk lichaam). De mens moest in de kunsten (bijvoorbeeld poëzie, muziek, architectuur) proberen deze goddelijke harmonie, deze perfecte verhoudingen te weerspiegelen in inhoud en vorm. Aandacht voor de vorm ging niet ten koste van de inhoud, maar was daar juist een eerbetoon aan.
Bij het zoeken naar die harmonie richtten de rederijkers zich vooral op de herhaling van versregels en rijmklanken en op de volgorde van versregels en woorden. Zo is er het refrein, een gedicht van meerdere strofen waarbij aan het slot van iedere strofe dezelfde regel (de ‘stokregel’) herhaald wordt. De stok geeft ook de kern van het gedicht, zoals in een zestiende-eeuws refrein van de Bosschenaar Jacob Cassiere: ‘’S werelds samblant is als drijfzand: niet zonder God’ (de uiterlijke schijn van de wereld is als drijfzand: niets zonder God). Cassiere schreef een ‘vroed’ (wijs, ernstig) refrein, maar het kon ook ‘in ’t amoureuze’ (over de liefde), zoals in: ‘Lief, stoet mij om, oft ik vall’ allijne’ (Liefste, duw mij op mijn rug, anders ga ik zelf liggen). De derde mogelijkheid was ‘in ’t zotte’ (komisch) zoals in een refrein waarin gespot wordt met het kloosterleven. Elke strofe loopt uit op de grap ‘dat Christus ter bruiloft was, en nooit in geen profes’ (dat Christus wel op een bruiloft was (te Kana), maar nooit in een klooster). De laatste strofe van het refrein wordt traditioneel gericht aan de ‘Prins’: de voorzitter van de rederijkerskamer.
Een moeilijkere dichtvorm met herhaling is het rondeel. Zoals de naam aangeeft, loopt het rond en vormen de regels een cirkel. Een rondeel bestaat meestal uit acht regels waarvan de eerste twee ook de laatste twee zijn, en de eerste regel bovendien herhaald wordt in de vierde. Hoewel er prachtige rondelen bestaan, zoals van de vijftiende-eeuwse Brugse dichter Anthonis de Roovere (‘Wie door de wereld wil geraken, die moet kunnen huilen met de honden’), doen ze ook vaak geforceerd aan. Bredero laat in Klucht van de koe (1612) een domme boer trots een drakerig rondeel afsteken, compleet met moeilijke en verhaspelde woorden. De boer zinspeelt ook nog eens op de drankzucht die buitenstaanders de rederijkers graag verweten:
Ik brengt u eens met discordatie*, (*verdeeldheid van meningen) Ik drink u toe met discordatie
en ik hoop, gij zultet wachten plaan, En ik hoop dat u daar prijs op stelt
al en is dit geen fraaie arguwatie. Ook al is dit geen fraaie redenatie
Ik brengt u eens met discordatie, Ik drink u toe met discordatie
ja, al maak ik weinig dispensatie**, (**vrijstelling van deelname) En ook al geef ik weinig dispensatie
so sult gij het annemen saan. Mijn wens is dat u mij erbij vergezeld
Ik brengt u eens met discordatie, Ik drink u toe met discordatie
en ik hoop, gij zultet wachten plaan, En ik hoop dat u daar prijs op stelt
gij zijt mijn alderliefste graan. Want u bent mijn uitverkoren held
Discordatie´ is een verschil, een twist en het slaat in dit verband nergens op, maar het rijmt wel. De optrekker vraagt waar boer Dirk dat mooie ‘Frans’ geleerd heeft, zoals hij deze dikdoenerij opvat, waarop de boer antwoordt dat hij niet voor niets bij de Vlaamse rederijkerskamer is geweest. Met de rederijkerskamer werd in dit geval waarschijnlijk de Brabantse rederijkerskamer ’t Wit Lavendel bedoeld. Deze rederijkerskamer stond erom bekend dat ze een erg veel rijmelarij gebruikten vol beeldspraak en verwijzingen naar mythologie. Het is echter niet zeker of het waar is dat de boer, zoals hij beweert inderdaad lid is geweest van de rederijkerskamer of dat hij het rondeel ter plekke verzint. Voor een boer lag het lidmaatschap van de Brabantse Kamer niet erg voor de hand, het waren meestal middenstanders of ambachtslieden. Door de rijmende onzin die Bredero de boer hier laat uitkramen wordt duidelijk dat Bredero deze rederijkers niet heel hoog aanslaat. Daarnaast wordt ook de boer zelf hier voor schut gezet. Hij is degene die hier het rondeel opzegt om goede sier te maken, maar kraamt onzin uit, of hij het rondeel nu zelf heeft verzonnen of niet.
Ook rijmvormen zijn in rederijkersliteratuur volop te vinden. Naast het gebruikelijke eindrijm is er ook kettingrijm (het laatste woord van een regel rijmt op het eerste woord van de volgende regel) en dubbelrijm (de laatste twee woorden van een regel rijmen op de laatste twee van de volgende regel). Het extreemst is het aldicht, waarbij alle woorden van een regel rijmen op alle woorden van de volgende regel. Met de rijm- en woordvolgorde wordt geëxperimenteerd in een retrograde: zo’n gedicht kun je probleemloos van achter naar voren lezen. In 1612 verscheen een lofdicht op prins Maurits, in de vorm van een retrograde:
Eel Belgica vruchtbaar geeft Gode lof en prijs
veel Helden vroom baart gij ook scheepsvolk kloek end’ wijs
wijck geen neemt Mars vivit Prinsen Heren op waakt
rijk en sterk Nederland krijg en zeevaart maakt.
Aandacht voor de volgorde van de versregels is er ook in het acrostichon, waarbij iedere versregel of iedere strofe begint met de letter van iemands naam (zoals het Wilhelmus). Matthijs de Castelein, die allerlei dichttechnieken en versvormen beschreef in zijn Const van Rhetoriken uit 1555, nodigde de lezer uit om zélf de volgorde van de regels te bepalen: hij biedt een schaakbord aan waarvan ieder vakje gevuld is met één versregel. Door verschillende routes te kiezen, kun je er volgens hem 38 balladen mee samenstellen.
Retrogade van ...?
Confoorteert mij nu, och Heer laudabel,1
Ontrent ons zijn die vianden fier;2
Regeert doch tvleesch, ghenesende curabel;3
Negligent en onachtsaem zijn wij schier.4
[5]
Exellent prinche, ghij bevrijdt tangier,5
Leeft ons inwendich ende smenscheit spaert,6
In prent liefde deur tgheloove hier,
Sneeft ons van boosheit, alle quaetheit verhaert,8
Cleeft aen ons vastelick, wij sijn bewaert;9
[10]
Rustich voorvechtere, thoevlucht ghemeene,10
Vergheeft zonde, die bermherticheit baert;11
Lustich domineert ghij, o God, alleene.12
1Confoorteert mij: Sterk mij; laudabel: lofwaardig.
2Ontrent: Dicht bij; fier: trots.
3Regeert: Beheers, bedwing; curabel: als een zorgvolle geneesheer? Curabilis in middeleeuws Latijn betekent eigenlijk geneeslijk.
4negligent: nalatig; schier: ten enen male.
5Exellent prinche: Uitmuntende, verheven vorst; ghij bevrijdt tangier: Gij weert het gevaar af (tangier: t dangier, het dangier: het gevaar).
6Leeft ons inwendich: Leef binnen in ons.
8Sneeft ons van boosheit: Doe ons de boosheid verlaten; verhaert: verdelg.
9wij sijn bewaert: dan blijven wij bewaard.
10Rustich: Uitgerust, strijdvaardig, flink; ghemeene: algemene, voor iedereen.
11die: Gij, die.
12Lustich: Schoon, m
Bij al die aandacht voor de structuur van poëzie is het opvallend dat rederijkers lang geen metrum gebruikten. Pas in de tweede helft van de zestiende eeuw gingen ze zich toeleggen op metrische verzen, vooral in sonnetten en liederen.