De moraliserende boodschap in de zeventiende-eeuwse kunst blijft voor een oppervlakkig kijker verborgen, maar wie weet waar hij kijken moet, ontdekt een wereld aan boodschappen. Zeker gecombineerd met de emblematacultuur is de dubbele boodschap goed te achterhalen.
Het bijzondere van de Marskramer van Gerard Dou is dat er ogenschijnlijk niet veel aan de hand lijkt te zijn: een man vent zijn waren uit en een groepje mensen staat belangstellend te kijken. Wie maalt erom? Schilderijen als Stoeiend Paar van Jan Steen en bijvoorbeeld Kijvende Boeren van Abraham Diepraem laten weinig over aan de verbeelding van zowel de 17e-eeuwse als de moderne toeschouwer: in het eerste geval is er zonder twijfel liefde in de lucht, in het tweede ook, alleen moeten de boeren daar eerst onderling een robbertje om vechten.
Kyvende boeren, Abraham Diepraem ca. 1650
Stoeiend paar, circa 1660, Jan Steen, Museum De Lakenhal
Jan Steen is een van de beroemdste Leidse kunstenaars. Hij werd vooral bekend door zijn rumoerige genretaferelen die aanleiding gaven tot het gezegde: ‘Een huishouden van Jan Steen’. Deze werken worden vaak beschouwd als realistische weergaven van het volksleven, maar ze hebben daarnaast ook een diepere, zinnebeeldige betekenis. Dit schilderij bevat bijvoorbeeld allerlei erotische zinspelingen. De vogelkooi met het geopende deurtje staat symbool voor verlies van maagdelijkheid. Het konijn, symbool voor vruchtbaarheid, hoort bij het dolverliefde koppel dat zich onbespied waant. De knolrapen en de pot verwijzen naar de menselijke geslachtsorganen. Achter het vrolijke tafereel gaat een ernstige gedachte schuil: deze liefde is onkuis. Het Stoeiend paar heeft een pendant, dat zich nu in een privécollectie bevindt, met de voorstelling van een paartje onder een duiventil. Dat verbeeldt juist de ordentelijke liefde. Samen illustreerden de schilderijen de tegenstelling tussen bandeloze en vergeestelijkte liefde
Wat ziet de toeschouwer die De Kwakzalver van Gerard Dou eens nader bestudeert? Waarschijnlijk een afbeelding van een kwakzalver die aan een heel divers pluimage zijn waren probeert te slijten. Op de achtergrond prijkt een indrukwekkend bouwsel - de stadpoort van Leiden - , op de voorgrond scharrelen een hond en een vogel. De veronderstelling is dat de moderne toeschouwer het schilderij als een aardig tafereel beschouwt, omdat de mens in de 21e eeuw nu eenmaal meer geïnteresseerd is geraakt in de uitvoering van het kunstwerk, een erfenis van het negentiende-eeuwse l’art pour l’art-principe. Er is een verminderde belangstelling voor wat het kunstwerk nu precies voorstelt, terwijl het onderwerp voor de 17e-eeuwer juist van groot belang was. Dat wat de kijker zag, had een bepaalde betekenis in zowel positieve als negatieve zin. (De Jongh, 1967)
De compositie van Gerard Dou is een fraai voorbeeld van een schilderij dat ontraadseld moet worden. Met gebruikmaking van de emblematiek is het mogelijk een gedeelte van de achterliggende gedachten te achterhalen. Er is een boek vol te schrijven over de diverse verwijzingen, maar om een eerste indruk te krijgen van al wat mogelijk is, volstaat nu een handvol aanwijzingen.
In Roemer Visschers’ Sinnepoppen is een emblema te vinden, genaamd Keur baart Angst, waarop dezelfde bomen te zijn zijn als bij De Marskramer. De teneur van het emblema is dat gebrek aan kennis kan leiden tot het maken van een verkeerde keuze: de keurboom verandert in een vuylboom. (De Jongh, 1967)
In een ander emblema laat Roemer Visscher zien dat een zegel vertrouwen schenkt: Dat cera fidem. Vergelijk dat nu eens met het buitensporig grote document dat voor de marskramer ligt: een document van een dergelijke grootte moet toch wel gefalsifieerd zijn. Het enige doel van een document dat er zo officieel uitziet, is de mensen te overtuigen van de werking van het wondermiddel. De pannenkoekenbakster vervult een dubbelfunctie als we mogen afgaan op een emblema van Ian van der Veen. Deze vrouwfiguur wordt in dit embleem geschetst als een tegenstelling tussen het zoete en het verdorvene, iets wat in de Marskramer terugkomt in haar rol als bakster en moeder. Een embleem van Johan de Brune gaat verder in op de tegenstelling: “Dit lijf, wat ist, als stanck en mist?’ (De Jongh, 1967) En inderdaad de bakster veegt de poep weg van het achterwerk van de baby: een schoon uiterlijk verhult een vuil innerlijk. Het zaakje stinkt! Op de tafel zit een aap, dat wil zeggen: het publiek staat voor aap. De boodschap van het schilderij is dan ook: laat je niet beetnemen.
Met behulp van teksten uit de emblematiek zijn nog vele elementen uit het schilderij van Dou te duiden: een jongetje probeert een vogel te vangen, een ander kereltje steelt een beurs, vanuit het open raam kijkt de schilder contemplatief naar buiten - naar de toeschouwer - en het statige gebouw blijkt de Leidse Blauwpoort te zijn. (De Jongh, 1967) Alles heeft betekenis, alles heeft een waarde die de zeventiende-eeuwer moet hebben herkend, maar waar de hedendaagse mens aan voorbijgaat. Dankzij de literatuur is de toeschouwer in staat een gedeelte van de betekenis achter het schilderij te herleiden.
Wat zien we als wij naar dit oestereetstertje kijken?
“De schrandere blik van het meisje trekt meteen de aandacht en van daar uit tasten onze ogen verrukt het hele paneeltje af. De sfeer van het schilderij is die van een feestelijk verwachten, van welvaart, charme, jeugd, zorgeloosheid en het goede van deze wereld.”
Als we naar het oester-eetstertje kijken, staan we oog in oog met de seksuele verleiding in persoon. De aanwezigheid van het bed neemt hij wel waar, nota bene, maar hij heeft niet in de gaten dat er tegen het raam van dit schilderij wordt getikt en dat hij door dit meisje wordt uitgenodigd de liefde te komen bedrijven. Ze kijkt niet schrander, kom nou, ze kijkt verleidend.
Niet alleen in haar zeventiende eeuw, maar nog steeds, tot op de dag van vandaag wekken oesters lust op, eetlust, maar ook seksuele lust; ze zijn een afrodisiacum. Een geopende oester in de hand van een vrouw roept het verlangen op, bij de man, om met haar naar bed te gaan.
Het schilderijtje van Steen is geen onschuldige voorstelling, maar beeldt een verleidingsscène uit en het meisje is, voor wie het zo beschouwt, een hoer.
'Het oester-eetstertje' is een zuiver voorbeeld van de dubbelzinnigheid die veel schilderijen van Steen aankleeft. De fijngeschilderde, intieme en inderdaad uitnodigende voorstelling - zeer geschikt voor een herenkabinet met erotische snuisterijen, suggereert de Steen-catalogus - trekt onmiskenaar aan, is ook als schilderij verleidelijk, maar heeft tegelijkertijd een moralistische bedoeling en wil waarschuwen voor de gevaren van vrouwenlist en wellust.
Een uitdaging:
Onderstaand schilderij van Jan Steen behoort zonder twijfel tot het schijnrealisme. Welke boodschappen zijn in de afbeelding verborgen?
In weelde siet toe - ca. 1670
Een typisch 'Huishouden van Jan Steen'. Een slapende moeder links, een losbandig echtpaar in het midden en kinderen die zich nergens iets van aantrekken. Ook de dieren doen lustig mee: de hond op tafel en rechts een varken. De eend op de schouder van de man duidt erop dat de man lid is van de Quackers, een protestantse sekte die op deze wijze op de hak wordt genomen. De mand aan het plafond voorspelt dat het niet goed gaat aflopen met dit gezin. In de mand bevinden zich een kruk, roe en leprozenklepper. Het gezin staat straf, ziekte en armoede te wachten. In de kamer rechts brandt een haardvuur zonder dat iemand in de ruimte aanwezig is: verkwisting. De kruik op de voorgrond is naar voren gericht, een aanduiding van seksuele ontvankelijkheid.