De literatuur in de Renaissance vindt inspiratie in de klassieke oudheid én in de bijbelboeken.
De humanisten die de wetenschappelijke richting in de Renaissance vertegenwoordigen gebruikten het Latijn, maar voor literatuur gebruikten de schrijvers de volkstaal. De vader van de humanisten Francesco Petrarca schreef zijn geleerde werken in het Latijn, maar voor zijn hoofse sonnetten opgedragen aan Laura (Il Canzoniere) gebruikte hij het Italiaans. Het petrarkisme gaat uit van een platonische liefdesopvatting: de geestelijke, zuivere liefde zegeviert over de puur zinnelijke, lichamelijke liefde. de aanbeden onbereikbare vrouw wordt stereotiep beschreven: rozenrode lippen, donkere en vurige ogen, glanzend haar.
Jan Mijtens (1614-1670), Portret van een echtpaar als Granida en Daifilo, ca. 1650, Rijksmuseum Amsterdam
Granida - Hooft
Hooft deed het idee voor het toneelstuk Granida op tijdens zijn reis door Italië: het herderinnetje Dorilea en haar vriend Daifilo keuvelen wat over de liefde. Maar de prinses die langskomt, krijgt Daifilo's volle aandacht. Daifilo vertrekt naar het hof, Dorilea alleen achterlatend. Hij is verliefd geworden op de prinses. Om in haar buurt te komen wordt hij de knecht van Tisiphernus, een edelman die naar de hand van Granida dingt. Deze edelman krijgt ruzie met een mededinger: Ostrobas. Wanneer de laatsten zullen gaan duelleren om Granida, biedt Daifilo aan in Tisiphernus' plaats te vechten. Natuurlijk delft Ostrobus het onderspit.
Nu krijgt Daifilo er moeite mee dat Tisphereus Granida krijgt en hij verklaart de laatste zijn liefde, die wederzijds blijkt te zijn. Na wat verwikkelingen krijgen de twee geliefden elkaar en blijkt Tisipherus er totaal geen moeite mee te hebben.
In de renaissanceliteratuur worden andere accenten gelegd dan in de middeleeuwse. Men beoefent kunst om haar schoonheid, daarom legt men zich toe op regelmatige vormen en op stilistische kwaliteiten. Het estheticisme wordt de nieuwe norm.
In de lyriek is er een voorkeur voor strakke regelmaat, met name in het sonnet dat in de mode komt. Hieronder staat een voorbeeld naar een sonnet van Petrarca. Andere genres zijn de ode (lofdicht) en de Anakreontische lyriek die met veel aandacht voor wijn en vrouwen de invloed verraden van de klassieken. Ook het herdersdicht (arcadische poëzie) en de emblemata (plaatjes met een wijze tekst) worden druk beoefend. Puntigheid leent zich voor sneldichten.
De tragedie komt opnieuw tot bloei; in dit treurspel laat men zich inspireren door oude Griekse tragedies (bijvoorbeeld over het huis Agamemnon en koning Oidipus), door het Oude Testament (bijvoorbeeld Lucifer van Vondel) of door de vaderlandse geschiedenis (zoals de koningsdrama’s van Shakespeare zoals Henry II en Macbeth).
Daarnaast leeft de komedie weer op, bijvoorbeeld naar een Latijns stuk van Plautus over een vrek (L’avare van Molière en ook Warenar van Hooft) welke meestal eindigt met een wijze les. De middeleeuwse klucht leeft nog voort onder meer als de Klucht van de Molenaar van Bredero.
In de epiek komt het heldenepos terug (op voorbeeld van de Ilias/Aeneas en Odyssee) en vanuit zuidelijke landen duikt de schelmenroman op.
Tot de grote werken die in de overgang van middeleeuwen en renaissance zijn gemaakt behoren onder andere Boccacio: Decamerone; Dante Alighieri: Divina Commedia en Cervantes: Don Quichotte de la Mancha.
Hieronder een voorbeeld van een Petrarkiaans sonnet (een Nederlandse bewerking) waarvan we de kenmerken naar vorm en inhoud analyseren.
Helaes wat ist? Wat pijn voel ik bij vlaghen?
Is dat Liefde. Wat dingh mach liefde wesen?
Is hy goed? Waarom wil ick dan voor hem vreesen?
Is hy quaet? Hoe zyn my soo soet syn slaghen.
Brant ick met myn wil? T’onrecht is al mijn claghen.
En ist teghen myn danck dat ick dees God moet wijcken?
Hoe doet hij soo homoedigh aen my zyn homoet blijcken?
Mach hy soo gebieden sonder oorlof te vragen?
O vliegende kint, hoe vreemt is u gheweyde?
Ick dryf inde zee en dat op u gheleyde,
Sonder zeyl, sonder roer, sonder Ancker of touwe,
Ghy voet my met suchten, al lachende ween ick,
’T leven my verdriet, al singhende steen ick,
In de winter lijd ick hitte en inde somer couwe.