Algemeen
De renaissance is in de 'dertiende, veertiende en vijftiende eeuw in Noord- en Midden-Italië ontstaan. In Italië ontstonden de republikeinse stadstaten, zoals Florence, Venetië en Genua, waarin een sterke behoefte bestond aan een intellectueel ontwikkelde leiding. Deze bestuurders werden gerekruteerd uit de bovenste lagen van de bevolking, waarin het Latijn en het Grieks nog steeds een belangrijke plaats innamen. Logischerwijs nam de belangstelling voor de Oudheid op deze manier sterk toe: niet alleen in de vorm van een wedergeboorte, maar meer nog als uitgangspunt voor een verdere ontwikkeling van de klassieke overlevering. In Italië begon de Renaissance in de loop van de veertiende eeuw, in de rest van Europa - en dus ook in Nederland - is deze culturele omslag pas later tot ontwikkeling gekomen. De term renaissance is in eerste instantie bedoeld als naam voor een bepaalde beweging in de kunst, de politieke laag is pas in de loop van de achttiende eeuw toegevoegd. Het is ook ten tijde van de opkomst van de renaissance dat de middeleeuwen werden gezien als een donkere periode van doodsheid en stilstand.
Empirisme
De term empirisme komt van het Griekse woord empeiria, wat zoveel betekent als ervaring, en is in eerste instantie vormgegeven door de Grieks filosoof Aristoteles. Het empirisme leert dan ook dat (zintuiglijke) ervaring de enige bron is van ware kennis. Het empirisme, ook wel bekend als de inductieve methode, gaat uit van meerdere losse waarnemingen – die zintuiglijk zijn gedaan – die resulteren in een hypothese. Bijvoorbeeld: ik zie dat alle tien kraaien die ik heb gezien zwart zijn, dus mijn hypothese is dat alle kraaien een zwarte kleur hebben. Dit is waar tot het moment dat er een kraai opduikt die niet zwart is. Volgens de empirische kennistheorie heeft de mens geen aangeboren kennis (innatisme), maar is het menselijke brein bij de geboorte leeg: de geest is een onbeschreven blad (tabula rasa).
Classicisme
De literatuur van de oudheid was in de renaissance het uitgangspunt, de maatstaf voor de eigen literatuur. Door middel van het maken van vertalingen van de klassieken - translatio - en het daarna zelfstandig navolgen van deze schrijvers - imitatio - hoopte men uiteindelijk de hoogste trap te bereiken: de oude literatuur overtreffen: aemulatio. Dit overtreffen kon worden bereikt door middel van electio: door de mooiste verbeeldingen van de natuur te verenigen kon de ware kunstenaar de natuur zelfs overtreffen.
Vondel:
De techniek van vertalen eist een uiterst nauwkeurig weergeven en voortreffelijke woordkeus. Het kan ook dienstig zijn geschriften in de eigen taal geschreven te parafraseren, een werkwijze die Cicero afkeurde. Vondel doelt op deze laatste leermethode als hij in zijn ‘Aenleidinge’ schrijft: ‘Het scherpt de zinnen, en maeckt een goede pen zich te gewennen een zelve zaeck en zin op verscheide manieren te bewoorden, en zierlijck uit te drucken.
Mee eens, leidt het vertaalwerk bij Latijn en Grieks inderdaad tot een beter resultaat en een dieper inzicht?
Etymologie:
Imitatio > Lat. imitatio = nabootsing < imitari = nabootsen.
Aemulatio > Lat. wedijver
Translatio >Lat. overdracht
Electio > Lat. e = uit Lat. lectus = gekozen
Titiaan: Maria Ter Hemelopneming (1516-1518. Frari, Venezia) Laocoön and his sons, kopie van origineel werk uit Rhodos, 200 B.C.
Plafond Chiesa San Pantalon, Venezia: the Martyrdom and Apotheosis of St Pantalon: Gian Antonio Fumiani 1680 - 1704,
Een ander - hedendaags - voorbeeld van een trompe d'oeil: