Kinder-Lyck is een grafschrift dat Joost van den Vondel schreef na de dood van zijn zoontje rond 1632. Hij nam het gedicht op in Verscheide gedichten (1644). In een gelovig land is troost te vinden in de gedachte dat het kindje is opgenomen in de hemel en vanuit die veilige hoogte in alle rust en tevredenheid het aardse leven aanschouwt. Constantijntje, het kindje, spreekt zijn moeder bijna vrolijk toe en geeft haar de boodschap mee dat het eeuwige belangrijker is dan het tijdelijke, het ogenblik.
Joost van den Vondel - Kinder-lyck
Constantijntje, 't zaligh kijntje,
Cherubijntje, van om hoogh,
D'ydelheden, hier beneden,
Vitlacht met een lodderoogh.
Moeder, zeit hy, waarom schreit ghy?
Waarom greit ghy, op mijn lijck?
Boven leef ick, boven zweef ick,
Engeltje van 't hemelrijck:
En ick blinck 'er, en ik drincker,
't Geen de schincker alles goets
Schenckt de zielen, die daar krielen,
Dertel van veel overvloets.
Leer dan reizen met gepeizen
Naar pallaizen, uit het slick
Dezer werrelt, die zoo dwerrelt.
Eeuwigh gaat voor oogenblick
Wie jong is, heeft in het algemeen weinig te maken met de dood. Leven doe je voor altijd, aftakeling, ziekte en dood zijn voor later. De dood speelt in het leven geen rol. Maar als zich dan onverhoeds een sterfgeval aandient, zijn de emoties des te heftiger: ontkenning en verdriet of dierbare herinneringen en de gedachte aan wat nu niet meer zal gebeuren, gaan hand in hand. Daarbij, hoeveel levenservaring heeft iemand om adequaat met verlies te kunnen omgaan? Kortom, verwarring alom. Het aardige is dat deze tegenstrijdige gedachten en emoties sterk terugkomen in het gedicht van Vondel. De vrolijke toon, die voor een belangrijk deel wordt veroorzaakt door het prachtige ritme, staat in schril contrast met het onderwerp van het gedicht: de dood van een jong kind, een baby nog. Waar je van een kind misschien een bittere klacht verwacht, spreekt hij zijn moeder juist troostend toe: ‘Boven leef ick, boven zweef ick, Engeltje van ’t hemelrijck’. Constantijntje is zelfs in staat een moraal uit te spreken in het laatste couplet: ‘Eeuwigh gaat voor oogenblick’ en dat in een wereld die ‘dwerrelt’, wat inhoudt dat het aardse een plaats is vol bedrieglijke vergankelijkheid. In dit verband is het meer dan aardig dat Vondel ‘Eeuwigh’ ook letterlijk in de zin plaatst vóór het woord ‘oogenblick.’
Er zijn meer tegenstellingen te vinden, waarin de lezer zich zou kunnen herkennen. Het kindje lacht de wereld uit, maar doet dat wel met een ‘lodderoogh’, een lief lachend oog. We worden op een aangename manier uitgelachen. De antithese tussen de hoge hemel en het lage aardse is op diverse plaatsen terug te vinden: ‘van omhoogh’ en een regel later zijn we ‘hier beneden’. Moeder ‘greit op het lyck’, maar ’t Engeltje leeft en zweeft boven en is ‘dertel van veel overvloets.’
Behalve verwarring en tegenstrijdige gevoelens heeft een jongere die te maken heeft met het overlijden van een persoon die dicht bij hem staat, ook zoveel levenslust in zich dat hij op een bepaald moment verder wil met leven. En dat moment is vaak eerder dan het ogenblik waarop de volwassene besluit weer voorwaarts te gaan. Er is een bepaald ongeduld, het verlies is verwerkt en dat was goed en troostend. In het hier en nu gaat leven vooral verder. Vondel verwoordt dit trappelend ongeduld in zijn Kinder-Lyck. Het kindje dat ons is ontvallen, laat weten dat het hem meer dan goed gaat, het wordt tijd voor moeder om te stoppen met schreien. De herinnering aan het voorbije leven is eeuwigh, het oogenblick van rouw is geweest.