De sonnetten‎ > ‎

Sonnet 8

Shakespeare


Music to hear, why hear'st thou music sadly?
Sweets with sweets war not, joy delights in joy;
Why lov'st thou that which thou receiv'st not gladly,
Or else receiv'st with pleasure thine annoy?
If the true concord of well-tuned sounds,
By unions married, do offend thine ear,
They do but sweetly chide thee, who confounds
In singleness the parts that thou shouldst bear.
Mark how one string, sweet husband to another,
Strikes each in each by mutual ordering;
Resembling sire, and child, and happy mother,
Who all in one, one pleasing note do sing,
  Whose speechless song, being many, seeming one,
  Sings this to thee: 'thou single wilt prove none.'
Vertaling van Jules Grandgagnage (2014)


Je hoort muziek maar droefheid treft je ziel;
Heeft zoet of vreugd dan ooit zichzelf geweerd?
Waarom bemin je wat je mijden wil,
Of neem je met plezier aan wat je deert? 
Als het akkoord van zoetgevooisd gepraat 
In harmonie vereend jouw oor niet streelt,
En jij hun zoete unisono versmaadt
Klinkt zacht verwijt omdat je eenzaam speelt.
Hoor toch hoe elke snaar, als zielenbroeder
Naar orde voor en door de andere klinkt
Als waar het koning, kind en blijde moeder,
Verbonden in één mooie stem die zingt,
  Wier woordeloze lied, met velen één,
  Verzucht : "Niets ben je, want je bent alleen".




auteursrecht: zie homepage