De sonnetten‎ > ‎

Sonnet 6

Shakespeare


Then let not winter's ragged hand deface
In thee thy summer ere thou be distilled.
Make sweet some vial, treasure thou some place
With beauty's treasure ere it be self-killed.
That use is not forbidden usury
Which happies those that pay the willing loan;
That's for thyself to breed another thee,
Or ten times happier be it ten for one;
Ten times thyself were happier than thou art
If ten of thine ten times refigured thee.
Then what could death do if thou shouldst depart,
Leaving thee living in posterity?
  Be not self-willed, for thou art much too fair
  To be death's conquest and make worms thine heir.
Vertaling van Jules Grandgagnage (2011)


Laat toch niet toe dat winters ruwe klauw
Je zomer sloopt voor je hem distilleert.
Vul voor je sterft fiool met zoete dauw
Die ons je schat aan schoonheid conserveert.
Wat je dan wint dat is geen woekerwinst,
Als wie ontleent aan jou graag vrucht betaalt,
Je eigen evenbeeld dat wordt je kind
Of beter nog het geluk tienmaal herhaald;
Tienmaal gelukkiger dan je hier staat
Als tien van jou tienmaal je beeltenis wint,
Want wat vermag de dood zo je ons verlaat
Als elk kind ons met jouw beeld verbindt?
  Wees niet zo eigenwijs, je bent te mooi
  En noch voor dood of worm geschikte prooi.




auteursrecht: zie homepage