De sonnetten‎ > ‎

Sonnet 29

Shakespeare


When, in disgrace with Fortune and men's eyes,
I all alone beweep my outcast state,
And trouble deaf heaven with my bootless cries,
And look upon myself and curse my fate,
Wishing me like to one more rich in hope,
Featured like him, like him with friends possessed,
Desiring this man's art and that man's scope,
With what I most enjoy contented least:
Yet in these thoughts myself almost despising,
Haply I think on thee, and then my state,
Like to the lark at break of day arising
From sullen earth, sings hymns at heaven's gate;
   For thy sweet love remembered such wealth brings
   That then I scorn to change my state with kings'.
Jules Grandgagnage -Vertaling in blanke verzen (2010)


Verdoemd door het lot en door de mens verlaten
Beween ik eenzaam mijn ellendigheid
En krijs mijn ijdele klacht ten doven hemel
Minacht mezelf en vloek om wat ik ben,
Verlangend hem te zijn die alles heeft,
Rijk aan hoop, met schoonheid en met vrienden,
Door afgunst om diens kunst, diens macht of lief
Vergeet ik het genot van wat ik heb:
Maar zelfs nu ik mezelf hierom veracht,
Klimt als ik blij aan u denk mijn gemoed
Gelijk een leeuwerik in de dageraad
Die vrij van d'aarde zingt aan d' hemelpoort;
   Zo rijk maakt mij d' herinnering aan uw liefde 
   Dat ruil met 's koningstroon mij zou verarmen.