De sonnetten‎ > ‎

Sonnet 19

Shakespeare


Devouring time, blunt thou the lion's paws,
And make the earth devour her own sweet brood;
Pluck the keen teeth from the fierce tiger's jaws,
And burn the long-lived phoenix, in her blood.
Make glad and sorry seasons as thou fleet'st,
And do whate'er thou wilt, swift-footed time,
To the wide world and all her fading sweets.
But I forbid thee one most heinous crime:
O, carve not with thy hours my love's fair brow,
Nor draw no lines there with thine antique pen.
Him in thy course untainted do allow
For beauty's pattern to succeeding men.
   Yet do thy worst, old time; despite thy wrong
   My love shall in my verse ever live young.
Vertaling in blanke verzen van Jules Grandgagnage (2014)


Verslijt, verterende tijd, de leeuwenklauw
En laat de aarde haar zoete broed verzwelgen;
Trek tanden uit de kaken van de tijger,
Veras de feniks in zijn eigen bloed.
Laat de seizoenen vlieden, goed en kwaad,
Doe wat je wil, snelvoetige, de wereld
En haar vluchtig goed buigt naar je wil.
Maar spaar me van éen gruwelijke daad:
Kerf niet je uren in zijn mooi gelaat,
Noch kras met oude pen er lijnen in.
Laat hem onaangeroerd in je passage
Als het patroon voor later mannelijk schoon.
   Doe, oude tijd, maar wat je kan, je leed
   Deert niet dit vers waar liefde eeuwig leeft.