De sonnetten‎ > ‎

Sonnet 146

Shakespeare


Poor soul, the centre of my sinful earth,
[Why feed'st] these rebel powers that thee array?
Why dost thou pine within, and suffer dearth,
Painting thy outward walls so costly gay?
Why so large cost, having so short a lease,
Dost thou upon thy fading mansion spend?
Shall worms, inheritors of this excess,
Eat up thy charge? is this thy body's end?
Then soul, live thou upon thy servant's loss,
And let that pine to aggravate thy store;
Buy terms divine in selling hours of dross;
Within be fed, without be rich no more:
   So shalt thou feed on Death, that feeds on men,
   And, Death once dead, there's no more dying then. 

Vertaling Jules Grandgagnage (2015)


Arme ziel, spil van mijn zondige stof,
Wat voed je de rebelse macht die je omhult,
Waarom kwijn je vanbinnen en lijd je zo,
En is je buitenkant zo vrolijk uitgedost? 
Waarom zoveel besteed in korte pacht,
Als deze fraaie woonst toch snel verkrot? 
Want wormen zijn de erven van die praal.
Wordt dit je dragers lot, je lichaams eind?
Teer liever zelf op je dienaars leed,
En laat zijn honger je eigen schat vergroten;
Verkoop dat schuim, beleg in eeuwigheid;
Wees innerlijk doorvoed en uiterlijk arm:
  Zo wordt de dood je voedster, die zelf de mens verteert,
  En eens Dood is gestorven, is er geen sterven meer.