De sonnetten‎ > ‎

Sonnet 12

Shakespeare


When I do count the clock that tells the time,
And see the brave day sunk in hideous night;
When I behold the violet past prime,
And sable curls all silvered o'er with white;
When lofty trees I see barren of leaves,
Which erst from heat did canopy the herd,
And summer's green all girded up in sheaves
Borne on the bier with white and bristly beard:
Then of thy beauty do I question make
That thou among the wastes of time must go,
Since sweets and beauties do themselves forsake,
And die so fast as they see others grow;
   And nothing 'gainst time's scythe can make defense
   Save breed to brave him when he takes thee hence.

Vertaling in blanke verzen door Jules Grandgagnage (2014)


Hoor ik de klok die uur na uur vermaalt
En zie ik heldere dag vergaan in nacht,
Viooltjes na hun tijd de strijd opgeven,
En zilveren haren woekeren in het zwart;
Zie ik geboomte van zijn blad beroofd
Dat eertijds lommer aan de kudde bood,
En zomergroen, nu schoof aan schoof gebonden,
Als opgebaard met witte stoppels weggedragen,
Dan voel ik vrees dat eens de tijd je schoon
Zal treffen tot er niets van overblijft,
Want al wat lief en schoon is gaat teloor,
En sterft zo snel als t' anderen ziet bloeien;
   De zeis des tijds kent geen verweer, tenzij
   Je kinderen maakt en zo de dood trotseert.