De sonnetten‎ > ‎

Sonnet 11

Shakespeare


As fast as thou shalt wane so fast thou grow'st,
In one of thine, from that which thou departest,
And that fresh blood which youngly thou bestow'st,
Thou mayst call thine, when thou from youth convertest.
Herein lives wisdom, beauty, and increase,
Without this folly, age, and cold decay.
If all were minded so, the times should cease
And threescore year would make the world away.
Let those whom nature hath not made for store,
Harsh, featureless, and rude, barrenly perish.
Look whom she best endowed: she gave thee more,
Which bounteous gift thou shouldst in bounty cherish.
   She carved thee for her seal, and meant thereby
   Thou shouldst print more, not let that copy die.
Vertaling door Jules Grandgagnage (2014)


Wat snel verwelkt groeit weer in nageslacht,
Als deel van jou uit wat jou heeft verlaten
Met 't  jonge bloed, door jong bloed voortgebracht
Als jij je jeugd al lang hebt losgelaten.
Zo doet wie wijs is en hij blijft bestaan,
De dwaas kiest kille ouderdom en sneven.
Dacht iedereen zo, dan zou de tijd vergaan
En eindigde de wereld na één leven.
Want wie niet schenkt wat de natuur hem vraagt
Zal spoorloos kwijnen zonder evenbeeld.
Jij bent de gunsteling die zij behaagt
En gul gegeven dient ook gul gedeeld.
  Ze maakte jou haar zegel en wacht verrukt
  Naar meer van jou, als je andere zelven drukt.