Vijfde redevoering
Over de religies
In het voorafgaande heeft Schleiermacher zijn gehoor ontvankelijk gemaakt voor de eigenlijke kern van alle religiositeit en van verregaande maatschappelijke consequenties, die uit dat inzicht voortvloeien. Nu aan het slot ziet hij zich genoodzaakt de verhouding van die kern tot de feitelijk bestaande religies en vooral tot het christendom uitdrukkelijk aan de orde te stellen. De veelheid van kerken veroordeelt hij, maar de veelheid van religies bepleit en beargumenteert hij. Ieder mens kan immers slechts op eigen, beperkte manier 'de' religie realiseren, daarom hebben we de religie van anderen nodig om enig idee van de oneindigheid te krijgen. Maar niet alles wat religie genoemd wordt is ook religie. Datgene wat zijn gecultiveerde tijdgenoten 'natuurreligie' noemen wordt door Schleiermacher afgewezen. Die 'religie' vindt hij meer een combinatie van burgermansfatsoen en wijsgerige ethiek. Zo'n religie, die hij ook wel 'verstandsreligie' noemt, vertoont ook geen individuele karakteristieken maar blijft steken in kleurloze vrijblijvendheid. De religie in de ware zin van het woord is alleen te vinden in de positieve, historische religies. Die zijn, zoals in de vorige redevoering wel bleek, de draagsters van veel misvormingen, die ten dele een onvermijdelijk gevolg zijn van de historische periode waarin zij optreden. Anderzijds zijn ze de enige concrete vorm, waarin religie in de historie verschijnt, zodat we door alle misvormingen heen op zoek moeten gaan naar de centrale visie, van waaruit de positieve religies leven. Zo'n centrale visie moet niet verward worden met begrippelijke onderscheidingen die tot bepaalde typologieën kunnen voeren. Zo zijn deïsme en pantheïsme typen van religiositeit die dwars door alle positieve religies kunnen heenlopen. Hetzelfde geldt voor de kijk op het universum als chaos, als systeem of als een veelheid. Daaruit vloeien eerder modellen van religiositeit dan afzonderlijke religies voort. Ook samenhangende leerstelsels die als een school aangeduid kunnen worden en overeenkomen in de aanvaarding van Schrift en dogma's vormen op zichzelf nog geen aparte, individuele religie. Die kan alleen maar ontstaan vanuit een originele intuïtie, die dan veelal het begin vormt van een beweging. Dat prille begin kan ook omschreven worden als een inwerking van de godheid en een inspiratie van Gods geest.
Voor het jodendom was die centrale visie de algemene rechtvaardiging. Het christendom ontstond vanuit de intuïtie, dat heelheid alleen maar bereikt kan worden door bemiddeling tussen uitersten, die elkaar in onze wereld altijd weerstreven. Dit wordt toegelicht vanuit de fysieke, de morele en de religieuze wereld. Vanuit deze grondvisie, die een voortdurende kritiek en zelfkritiek met zich meebrengt, is de melancholie of weemoed als grondstemming van het christendom verklaarbaar. Zoals iedere positieve religie kan ook het christendom afsterven als de tijd daarvoor gekomen is. Maar misschien ligt dat moment toch eigenlijk 'buiten de tijd'. Want komt er wel een periode, waarin er geen bemiddeling meer nodig is? Maar een garantie voor het voortbestaan van het christendom in zijn bepaalde gestalte bestaat er niet. Na de huidige omwentelingen zullen er nieuwe vormen van religie ontstaan.
A. Willems