Godsdienstwaanzin
«Er moet nog veel werk worden verricht, voordat het psychiatrische begrip ziekte, het juridische begrip schuld en het theologisch begrip zonde in een nieuw gevormd brandpunt één en ondeelbaar zullen samenkomen.»
Dr. F. J. Tolsma: Inductie, religieuze groepsvorming en godsdienstwaanzin, een klinische en phaenomenologische studie, Amsterdam 1945
_______________________________________________
Wie zich wil bezinnen op religie, kan niet om Rudolf Otto (1869-1937) heen. Zijn 'Das Heilige' 'behoort tot die boeken, die nimmer genoeg kunnen worden gelezen' (Gerardus van der Leeuw). Het is een onvergankelijke klassieker met fundamentele betekenis voor met name de godsdienstwetenschap, maar waaruit ook andere wetenschappen en filosofie graag putten. Wel iedereen kent zijn typering van het goddelijke, het numineuze, als een mysterie dat tegelijk fascineert en doet beven, vertrouwen inboezemt en angst aanjaagt. Daniël Mok stelde een bloemlezing samen met tientallen teksten over Otto's boek van de hand van denkers, wijzen en literaire auteurs - een ware goudmijn. Maar het is ook een grabbelton in zoverre teksten, aantekeningen, notities, citaten, citaten betreffende citaten, redactionele opmerkingen en gedichten over elkaar heen buitelen. Wie geïnteresseerd is in godsgeloof en metafysica, neemt dit graag voor lief, want hij krijgt inzicht in het gecompliceerde karakter van het heilige. Citaten in vreemde talen worden vertaald. Mok opent met een biografie van Otto en een overzicht van diens godsdienstwetenschappelijk werk. Duidelijke druk.
Het religieus beleven en de religieuze verhouding
Door Walter Schubart (Erotiek en religie, 1941) wordt de ambivalente gevoelsrelatie in het religieuze sterk op de voorgrond geplaatst, welke enerzijds voert tot een positieve relatie, tot liefde, verering en aanbidding, anderzijds tot negatief gekleurde reacties: afkeer, haten, vervloeken, atheïsme enz.
Deze ambivalente gevoelsrelatie echter is in zijn fenomenologische structuur wel het diepst geschouwd door Rudolf Otto in zijn boek Das Heilige. Hij wijst erop dat men vaak de ogen gesloten heeft voor het geheel eigen karakter van de religieuze beleving, zoals die ook overal bij de schriftlozen gevonden wordt.
Uitgangspunt van zijn beschouwingen is het heilige dat door Otto nader wordt aangeduid als het numineuze. Dit numineuze komt in alle godsdiensten voor als haar meest eigen innerlijkheid, zij heeft met ethische kwaliteiten als zodanig niets te maken. Passend bij de beleving van het numineuze is die affectieve (op het gevoel werkende) toestand, die Otto de numineuze gemoedsstemming noemt.
Omdat de categorie van het numineuze volkomen sui generis (van eigen soort) is, kan ze evenmin als ieder ander oorspronkelijk gegeven feit in strenge zin worden gedefinieerd. In het numineuze, ook het gans andere genoemd (de betekenis van gans is meer dan geheel of volstrekt, er zit ook een toon in van oprechtheid en ongeschondenheid), komen dan verschillende belevingscomponenten voor, die streng gescheiden behoren te worden van het gevoel van moreel-ethische verheffing. Het plechtig vrome wordt niet gekenmerkt door begrippen als dankbaarheid, vertrouwen, liefde, overgave, berusting. In de 'vrees' stoot het ik tegen een object dat buiten hem ligt. Dit object is het numineuze, de drager van das Ganz Andere. Waar dit numen (bovennatuurlijk wezen nog zonder preciese voorstelling) als aanwezig wordt beleefd, ontstaat als reflectie in het zelfbewustzijn het creatuurgevoel, het gevoel schuldig schepsel te zijn.
Het primaire, waaruit als reflexie het creatuurgevoel ontstaat, is het mysterium tremendum, het gevoel van huiveringwekkende geheimenis. Dit mysterium tremendum kan zich op verschillende wijzen uiten, als een verheven stille gedragen stemming, die lang aanhoudt en natrilt, maar ook kan ze stootsgewijze naar voren komen en voert dan tot een vreemde opwinding, tot roestoestanden en extase. Het tremendum is een geheel eigen gevoelsreactie, verwant aan de vrees, maar in werkelijkheid is het geheel iets anders. De numineuze kwalificatie wordt teruggevonden in het Engelse awe (ontzag) en het Duitse Grausen (huivering). De zuivere en lagere gradaties van dit gevoel vinden we in onze eigen taal terug in het griezelen en het huiveren. Huiveringwekkend staat de mens tegenover het numineuze. Van dit gevoel in zijn ruwe, ongecompliceerde primitieve vorm, het gevoel van iets engs, iets griezeligs, dat vreemd en nieuw in het binnenste van de oermensheid opdook, is alle godsdiensthistorische ontwikkeling uitgegaan. Goden en demonen vinden hierin hun oorsprong. En als men dit niet als de eerste kwalitatief specifieke, uit iets anders niet afleidbare grootheid en kracht van het gehele godsdiensthistorische proces wil aanvaarden, komt men volgens Rudolf Otto met alle animistische (animisme: leer volgens welke de ziel de oorzaak is van alle levensfuncties), magische en volkenpsychologische verklaringen over het ontstaan van religie onmiddellijk op dwaalwegen en glijdt aan het eigenlijke probleem voorbij.
Het wezenlijke kenmerk van de schriftloze religie is de demonische vrees. Echter ook in de hogere religieuze vormen ontbreekt ze niet. Otto geeft dan aan, dat het mysterium tremendum in de moderne tijd een vrij zeldzaam fenomeen is. In deze oervorm, waarin Otto het beschrijft, komt het inderdaad weinig meer voor, maar in mildere vormen is ze nog steeds vaak aanwezig. De goden hebben nog iets spookachtigs behouden; het angstig geduchte, dat hun verhevenheid uitmaakt. In het tremendum straalt steeds de afwerende houding door. Rationeel ingevuld, vinden we het terug in de begrippen gerechtigheid, vergelding en straf bij verstoring van de afgesproken orde.
Het tremendum kan samengevat worden in het ideogram (beeldteken): volstrekte ongenaakbaarheid. Volgens Otto moet aan het tremendum het moment majestas toegevoegd worden, het moment van macht en overmacht. Naast het afwerende van het tremendum wijst Otto in de beleving van het numineuze op een ander aspect, het fascinosum, dat met het tremendum in een wonderlijke contrastharmonie staat. Het goddelijke is tevens aantrekkelijk en betoverend. Het is het tot de roes voortjagende, het dionysische (uitbundige) van de werkingen van de numen.
De rationele voorstellingen die hiermee samengaan zijn geschematiseerd: liefde en medelijden. Vanuit de demonische vrees alleen is geen overgang mogelijk naar de positieve gevoelens. Steeds komen beide facetten echter meer of minder innig vermengd naast elkaar voor.
___________________________________
In dit boek ontwaart de schrijver het ontzagwekkende en heilige in de natuur met expliciete verwijzing naar ideeën van Rudolf Otto.
_______________________________________________
Ieder van ons heeft wel eens een mysterieuze ervaring gehad die de wereld als het ware even voor ons stilzette, een ervaring die een diep heimwee in ons raakte en een innerlijk verlangen in ons wekte. De auteur vertelt wat er gebeurt als het ons overkomt; hij geeft voorbeelden die hij aantrof bij schrijvers als Bomans, Mulisch, Otten, Virginia Woolf, Coetzee, Van Ruysbeek, Soyinka en Pavese. Het zijn ervaringen die de droomwereld van het kind raken, alsmede de verbeeldingswereld van de volwassene, ervaringen die de grens tussen de zichtbare wereld en het alomvattende waar wij deel van uitmaken voor een moment uitwissen, die het bestaansmysterie verhelderen en onzegbaar geluk behelzen. De term 'het numineuze' werd geijkt door Rudolf Otto en door Jung overgenomen. Van den Berk gaat breed in op Jungs visie op het onbewuste en verwerkt praktisch wat Otto theoretisch uiteenzette. Een waardevol en zeker niet te moeilijk boek!