Derde redevoering
Over de vorming van religie
Mensen, voor wie religie een belangrijke plaats in hun leven inneemt, willen ook anderen graag in hun religiositeit laten delen.
Dat is zeker het geval als de samenleving op alle mogelijke manieren in onrust verkeert. Schleiermacher is echter de overtuiging toegedaan, dat echte religie van binnenuit moet komen. In het gemoed van de mens wekt het universum zélf die aanleg tot beschouwing en bewondering van de totaliteit op. Van echt onderricht of vorming tot religiositeit kan daarom volgens hem geen sprake zijn, zoals iemand ook geen kunstzinnigheid kan worden bijgebracht als hij er geen aanleg voor heeft. Wel is het mogelijk en zeer wenselijk, dat religieuze mensen anderen gidsen naar het gebied in hun eigen gemoed, waar die aanleg gevonden kan worden. Schleiermacher beklaagt zich er fel over, dat het onderricht en de vorming in zijn tijd en zijn omgeving eerder afbreuk doet aan de religiositeit dan dat zij mensen er dichterbij brengen. De oorzaak daarvan noemt hij 'de passie om te begrijpen'. De filosofen van de Verlichting hebben de rede en het oordeelsvermogen, het begrijpen en onderscheidingen aanbrengen centraal geplaatst in het onderricht. Daarmee worden het zicht op het geheel en het aanvoelen van een allesoverstijgende totaliteit onmogelijk gemaakt. Door de rationalisering van de samenleving ontstaat ook een eenzijdige aandacht voor het maakbare en het strikt nuttige. Een dergelijke nuttigheidscultus voert tot een doe mentaliteit, die een beschouwende levenshouding steeds moeilijker maakt. Het onvermogen tot religie blijkt zowel b hen, die vanuit hun innerlijk ertoe willen doordringen, als bij hen, die dit vanuit verschijnselen in de buitenwereld proberen. In beide gevallen heeft het onderricht de weg naar de religieuze aanleg geblokkeerd. De zelfkennis komt niet buiten vaste, geprefabriceerde schema's, de kennis van de buitenwereld zoekt religie in buitennissigheden. Toch houdt Schleiermacher er ook aan vast, dat zijn periode niet ongunstiger is voor de religie dan andere perioden van de geschiedenis. Hij leidt dat af uit de toenemende kritiek op de afwezigheid van oriëntatie bij een encyclopedisch ken ideaal en ook uit de toenemende idealisering van de kunst (o.a. bij Novalis en Friedrich Schlegel). Hoewel de kunst zelf nog geen religie is, toch kan ze het ontstaan ervan bevorderen. Dat geldt zowel voor de religie die voortkomt uit de zelfbeschouwing (voorbeeld: oosterste mystiek), als die welke voortkomt uit eerbied voor de natuur (voorbeeld: de oude Grieken).