Tweede redevoering
Over het wezen van religie
De eigenlijke kern van religie is moeilijk herkenbaar volgens Schleiermacher. Al te vaak noemt men datgene religie wat eigenlijk filosofie ('metafysiek') of moraal is.
Impliciet is Schleiermacher hier in gesprek met Fichte en Kant. Filosofie en moraal beperken zich tot de eindige mens, ze houden zich bezig met abstracte bespiegelingen of met de dagelijkse praktijk. Maar religie heeft betrekking op het oneindige, op het 'universum'. In de religie gaat het niet om denken of handelen, maar om een combinatie van 'schouwing' en 'gevoel'. Het woord dat Schleiermacher voor 'schouwing' gebruikt kan ook met intuïtie, beschouwing of soms zelfs contemplatie vertaald worden. De schouwende of ziende ondergaat de werking van het universum. In een flits ervaart hij al het afzonderlijke als één oneindige totaliteit, waarvan ook de schouwer zelf deel uitmaakt. Een dergelijke gewaarwording gaat uiteraard gepaard met een gevoel van verrukking: men verwijlt bij de ervaren eenheid. Het samengaan van schouwen en voelen wordt door Schleiermacher beschreven in een beroemde passage [73] [75] die men de 'Liefdesscène' noemt. Zelf voelde Schleiermacher zich bij deze visie verwant aan Spinoza, reden temeer voor tegenstanders om hem van pantheïsme te verdenken. Hij preciseert tegenover Schelling, dat religie niet samenvalt met natuuraanbidding, want de natuur kan/moet bedwongen worden. Op zoek naar een nauwkeuriger bepaling van het eigen object van de religie vraagt hij zich dan af, of als de natuur het niet is die tijdgenoten misschien gelijk hebben voor wie de mensheid het eigenlijke object van de religie vormt.
Schleiermacher gaat hierin ten dele mee, mits men maar niet bij kwaliteiten of gebreken van afzonderlijke individuen blijft staan, maar de totaliteit van de mensheid en heel haar 'eeuwige' geschiedenis op het oog heeft. Tenslotte blijkt ook die mensheid niet samen te vallen met het gezochte object van de religie. Uiteindelijk gaat het om iets dat ook die mensheid te boven gaat. Schleiermacher duidt het aan met verschillende benamingen: het ene, het oneindige, het universum, de wereldziel, de wereldgeest. Het gaat de natuur en de mensheid te boven, maar kan zich daarin wel openbaren. Aan het slot van deze uiteenzetting behandelt Schleiermacher een aantal onderwerpen die vrij¬wel iedereen toen (en ook nu nog) wezenlijk achtte voor religie. Dogma's, wonderen, inspiratie, openbaringen en genade ondergaan dan bij hem een nieuwe uitleg ('hermeneutiek'), waardoor ze in nauw verband gebracht worden met de menselijke ervaring, zodat ze ook in zijn opvatting van religie kunnen worden opgenomen. Hetzelfde gebeurt met de van oudsher centrale begrippen 'onsterfelijkheid' en 'godheid', waaraan een verrassende en voor sommigen schokkende betekenis wordt gegeven. In latere edities heeft Schleiermacher deze opvattingen nader gepreciseerd en in overeenstemming met zijn verder ontwikkelde denkbeelden gebracht, echter zonder afbreuk te doen aan zijn fundamentele visie.
Ad Willems
T E R U G