TJEU VAN DEN BERK
HET NUMINEUZE
Ieder van ons heeft wel eens een mysterieuze ervaring gehad die de wereld als het ware even voor ons stilzette, een ervaring die een diep heimwee in ons raakte en een innerlijk verlangen in ons wekte. De auteur vertelt wat er gebeurt als het ons overkomt; hij geeft voorbeelden die hij aantrof bij schrijvers als Bomans, Mulisch, Otten, Virginia Woolf, Coetzee, Van Ruysbeek, Soyinka en Pavese. Het zijn ervaringen die de droomwereld van het kind raken, alsmede de verbeeldingswereld van de volwassene, ervaringen die de grens tussen de zichtbare wereld en het alomvattende waar wij deel van uitmaken voor een moment uitwissen, die het bestaansmysterie verhelderen en onzegbaar geluk behelzen. De term 'het numineuze' werd geijkt door Rudolf Otto en door Jung overgenomen. Van den Berk gaat breed in op Jungs visie op het onbewuste en verwerkt praktisch wat Otto theoretisch uiteenzette. Een waardevol en zeker niet te moeilijk boek!
(NBD|Biblion-recensie, Drs. J. Kleisen)
Is het numineuze per definitie religieus?
Een citaat uit Het numineuze van dr. Tjeu van den Berk:
"Ik wijs op een aspect in de visie van Rudolf Otto dat vanaf het begin tot discussies aanleiding heeft gegeven. Zijn grote bekommernis is duidelijk: aantonen dat de kern van elke religieus-gelovige ervaring, van elke godsdienst, numineus van aard is. Dat is echter iets anders dan te stellen dat de religieuze ervaring het exclusieve recht op numinositeit heeft. En Otto heeft in zijn boek sterk de neiging om dat te doen.
Zo houdt Otto steeds weer kunstzinnige en numineuze ervaringen fundamenteel uiteen. Hij geeft wel toe dat ze sterk met elkaar overeenkomen, elkaar 'entsprechen’ dat ze elkaar kunnen opwekken, maar als het er op aankomt, houdt hij ze scherp uit elkaar. Hetzelfde geldt, en nog veel sterker, voor het onderscheid tussen numineuze en seksuele ervaringen.
Verschillende auteurs hebben op deze krampachtige houding gewezen. Hier wreekt zich waarschijnlijk zijn toch ietwat enge kijk op het irrationele, waarin het biologisch driftmatige door hem snel als 'zwoel irrationalisme' wordt afgewezen. Misschien dat hij zich in theologisch drijfzand voelde komen als hij het numineuze prijs zou geven aan kunstzinnige en seksuele ervaringen. De kwestie is natuurlijk ook verre van eenvoudig.
Zijn alleen religieuze ervaringen numineus of kunnen kunstzinnige het ook zijn? Dit is natuurlijk niet de juiste vraag om mee te beginnen. Want hieraan vooraf gaat de vraag wat je onder religieus en kunstzinnig verstaat. Maar ook dan is het gevaar van een cirkelredenering nog levensgroot Als je ervan uitgaat dat een ervaring per definitie pas religieus is als men zich daarin op een of andere manier bewust is van de presentie van een god in de gebruikelijke zin van het woord, dan zal men ook per definitie elke ervaring die dat aspect niet bevat, verwerpen als niet-religieus. Men heeft dan steeds zijn antwoord al klaar. Speelt bij Otto niet ook zo iets? Als hij stelt dat het numineuze het specifieke hart vormt van een religieuze ervaring, dan kan dit dus al niet meer het geval zijn voor een kunstzinnige of een seksuele ervaring.
Neemt hij dan niet als bewijsgrond wat eerst nog bewezen moet worden? Ik kom op deze kwestie nog terug, en wel wanneer we scherp de fundamentele karakteristieken van het numineuze onderkend hebben.
Otto heeft volgens mij een buitengewoon scherpe visie op de ervaringen die ons hier voor ogen staan. Zijn karakterisering van een numineuze ervaring, als een zintuiglijke ervaring van een geheim dat zowel verbijsterend als fascinerend is, dat we niet met ons verstand maar met ons gevoel kunnen proeven."
Een archetypische werkelijkheid
De hoofdinteresse van mijn werk ligt niet zozeer in de behandeling van de neurose als wel in het in aanraking komen met het numineuze.
(Carl Gustav Jung)
"Vanaf 1934 wordt 'numinositeit' een sleutelbegrip in Jungs werk. Uitgenodigd voor de prestigieuze Terry Lectures aan de Yale Universiteit (1937) om een aantal lezingen te houden over religie, en wel vanuit zijn vakgebied, betreedt hij met een paukenslag de door Otto ingeslagen weg. Onomwonden stelt hij daar dat het hart van de religie wordt gevormd door het numineuze, een verzameling ideeën en beelden dus, geclusterd vanuit het collectief onbewuste, die zich autonoom en sterk gevoelsbeladen ('geweld-dadig') openbaren aan de ziel. Zijn toehoorders moeten begrepen hebben hoe ver hij daarmee verwijderd was van de opvatting van Freud, die religie zag als de projectie van verdrongen seksuele wensen en illusies, vanuit het persoonlijk onbewuste. Het is een kardinale passage:
«Wanneer ik over religie spreek, moet ik eerst duidelijk maken, wat ik met dit begrip bedoel. Religie is, zoals het Latijnse woord religere aanduidt, een zorgvuldig en gewetensvol beschouwen van wat Rudolf Otto zo treffend het 'Numinosum' heeft genoemd. Een dynamische existentie of werking, die niet door een willekeurige daad veroorzaakt wordt, maar integendeel het menselijk subject aangrijpt en beheerst. De mens is eerder het slachtoffer dan de schepper ervan. Het numineuze – wat de oorzaak ervan ook mag zijn is eerder een voorwaarde voor het bestaan van het subject. Het subject is afhankelijk van diens wil. In ieder geval verklaart zowel de religieuze leer alsook de consensus gentium [de gemeenschappelijke overtuiging van de mensheid] altijd en overal, dat deze voorwaarde aan een oorzaak buiten het individuele moet worden toegeschreven. Het numineuze is of de eigenschap van een zichtbaar object of het is de invloed van een onzichtbare tegenwoordigheid, die een bijzondere verandering in het bewustzijn veroorzaakt. (...)
Ik zou er nadrukkelijk op willen wijzen, dat ik met de uitdrukking 'religie' niet een bepaalde geloofsbelijdenis bedoel. Wel is het juist, dat enerzijds iedere confessie van oorsprong op de ervaring van het numineuze berust, anderzijds echter op een bepaalde historische ervaring die een numineuze uitwerking had (...). De bekering van Paulus is daar een treffend voorbeeld van. Men zou kunnen zeggen: de uitdrukking 'religie' is karakteristiek voor een bijzondere instelling van het bewustzijn, namelijk een die door de ervaring van het numineuze veranderd is.
Geloofsbelijdenissen zijn gecodificeerde en gedogmatiseerde vormen van oorspronkelijke religieuze ervaringen. De inhouden van deze ervaring zijn geheiligd en tot een onbuigzame, dikwijls gecompliceerde gedachtewereld verstard. Het uitoefenen en het opnieuw in leven roepen van de oorspronkelijke ervaring is een rite en een onveranderlijke instelling geworden. Dit hoeft niet noodzakelijk een dode verstarring te zijn. Integendeel, het kan eeuwenlang en voor ontelbare mensen dé vorm van religieuze ervaring bij uitstek blijven, zonder dat een vitale noodzaak ontstaat die te veranderen (Psychologie en religie, in Mensbeeld en Godsbeeld).»
De lezer zal zonder moeite de gedachtewereld van Otto in bovenstaande herkend hebben. Hij zou in grote lijnen deze gedachten ook beaamd hebben, maar zeker ook vraagtekens geplaatst hebben bij de psychologische én theologische consequenties die Jung aan deze uitgangspunten verbond. Want Jung beperkt numinositeit zeker niet tot het religieuze."
Beschouwing met talrijke voorbeelden over 'het numineuze': momenten waarop een mens ervaart dat de grenzen tussen de zichtbare wereld en het alomvattende vervagen en waarop het bestaansmysterie wordt verhelderd; momenten die onzegbaar geluk teweegbrengen.