inleiding
Ad Willems
Tot op de dag van vandaag zijn Schleiermachers Redevoeringen over de religie de aandacht blijven trekken. In de loop van twee eeuwen werden telkens weer mensen erdoor geboeid, anderen erdoor geschokt en geërgerd. Waarschijnlijk hangt dat samen met het feit, dat het jeugdwerk van de Berlijnse predikant de eerste meeslepende poging is om geloof en godsdienst een eigen plaats te geven binnen het moderne levensgevoel. Dat levensgevoel verspreidde zich door toedoen van de grote denkers van de 'Verlichting', Kant (1724-1804), Fichte (1762 1814), Hegel (1770 1831). Verschillende van hun werken verschenen in Schleiermachers studentenjaren en werden door hem en zijn tijdgenoten gretig gelezen en heftig besproken. Gretiger en heftiger, naarmate kerkelijke overheden de lectuur ervan verboden. Er ontstond een niet te stuiten geest van vernieuwing. Dat verlichte levensgevoel werd gedragen door een allesdoordringend en bevrijdend besef, dat de mens door middel van zijn eigen verstand zijn leven en samen leven zélf kon en moest gaan ordenen. Niet de autoriteiten van staat of kerk hadden het laatste woord, maar de rede. De samenhang tussen deze geestelijke omwenteling en de Franse revolutie is duidelijk. Het Pruisen van Kant en Schleiermacher was het Pruisen van Frederik de Grote, vriend van Voltaire, en van Frederik Willem III, die bij voorkeur Frans sprak. In hetzelfde Potsdam, waar de vorst zijn zomerresidentie 'Sans Souci' had, werden de Redevoeringen over de religie geschreven door Schleiermacher die daar in 1799 een hofprediker verving.
Maar Schleiermacher was ook gevoelig voor die tijdgenoten en vrienden, die de bevrijding en de emancipatie door de nadruk op de menselijke rede weliswaar begroetten, maar die tegelijkertijd een dreigende alleenheerschappij van de rede vreesden. Bij kunstenaars en dichters, met wie Schleiermacher eveneens nauwe betrekkingen onderhield, ontstond een tegenbeweging die de onvervangbare waarde van gevoel en ervaring beklemtoonde. Met Friedrich Schlegel (1772-1829), Novalis (1772-1801) en een aantal andere vroege romantici was ook Schleiermacher beducht voor de kille, alles steeds weer in hokjes indelende kracht van het intellect. Zij wilden het grotere geheel, de universele samenhang van geest en natuur, het mysterieuze in het detail, niet uit het oog verliezen. Daarom namen zij het op voor gevoel en ervaring. Dat zijn de menselijke vermogens die het contact bewerken met datgene wat uiteindelijk toch niet in definities en systemen is onder te brengen. Met deze opvatting hangt ook het gebruik van bepaalde uitdrukkingsmiddelen samen. Niet het tractaat, maar dialogen, gedichten, brieven en romans vormen de expressie van de gevoelens. Schleiermacher schreef ook gedichten. Maar vooral het aantal brieven van zijn hand is enorm. Zij geven een goed beeld van de verschillende perioden in zijn leven. De literaire vorm van de Redevoeringen hangt ook met deze romantische gevoeligheid samen.
Staande op de drempel van de 19e eeuw, heen en weer geslingerd tussen hoop en vrees vanwege datgene wat zich in Frankrijk afspeelde, diep geraakt door de wending van het denken naar de menselijke persoon (rede én gevoel), geeft Schleiermacher er herhaaldelijk blijk van te beseffen, dat hij in een crisis tijd leeft. Klassieke patronen in de maatschappij, overgeleverde waarden in kerk en geloofsbeleving worden bedolven onder de vragen van de nieuwe tijd. Alles moet opnieuw doordacht worden. Als 31-jarige predikant, die in zijn persoonlijk leven dan al een aantal diepgaande problemen heeft verwerkt, zet hij zich aan het schrijven van deze Redevoeringen. Het eerste gedeelte vloeit aan één stuk uit zijn pen. Hij weet wat hij wil: laten zien, dat geloof en religie alles te maken hebben met de eigen ervaring van de mens. Sterker nog: ze hebben een onvervangbare waarde voor de mensheid als geheel. En ze zijn niet afhankelijk van overgeleverde systemen, dogma's of kerkelijke functionarissen. De stijl waarin dit wordt overgedragen is de stijl van die romantische periode: persoonlijk, emotioneel, soms wat overdadig en gezwollen, maar altijd eerlijk pogend zowel het verstand als het hart van zijn toehoorder/lezer te raken. Ook aan de huidige lezer, die zich vaag of scherp bewust is van de overgangsperiode waarin wij leven, kan de ernst van het aangesneden onderwerp, de verwantschap van problematiek en misschien ook de bezieling van de schrijver nauwelijks ontgaan. Maar daartoe is het wel nodig iets meer te weten over het leven van de schrijver. Als achtergrond van deze publicatie komt natuurlijk vooral Schleiermachers leven tot 1799 in aanmerking. Toen publiceerde hij de hier vertaalde eerste editie van de Redevoeringen. Omdat hijzelf in 1806, 1821 en 1831 nog latere uitgaven verzorgde, waarin een aantal veranderingen in de tekst van de eerste editie werden aangebracht, zullen ook enkele gegevens uit zijn latere levensjaren (zij het summier) worden weergegeven.
Leven
Op 21 november 1768 werd Friedrich Ernst Daniël Schleiermacher in Breslau geboren. Zijn eerste voornaam verwees naar de toenmalige koning van Pruisen, Frederik de Grote. Bij deze verlichte vorst was zijn vader in dienst als prediker. Zijn tweede naam had hij te danken aan zijn oom, een broer van zijn moeder. Deze was theologieprofessor in Halle. De derde naam ontleende hij aan zijn grootvader van vaders kant, die vanwege actief lidmaatschap van een fanatieke secte in conflict was gekomen met de overheid en daarom in 1749 naar Arnhem was uitgeweken. De lotgevallen van deze grootvader hadden een grote invloed op de vader van Friedrich. Deze werd wantrouwig tegen iedere vorm van dweperij op godsdienstig gebied en stelde zich steeds meer open voor de invloed van kritische filosofen. Maar toen hij in 1778 van nabij kennis maakte met een gemeenschap van de Moravische Broeders kwam hij in de ban van hun vrome leefwijze. Deze ging terug op graaf Von Zinzendorf (1700-1760) die in de befaamde kolonie Herrnhut gestalte had gegeven aan een piëtistisch luthers vroomheidstype dat zeer velen aantrok. Het gemeenschapsleven, de liturgie, de koralen, de aandacht voor het verzoenende lijden van Christus waren enkele elementen die een eigen sfeer verleenden aan een volstrekt geweldloze vorm van christendom. De vader van Friedrich was zozeer door de leefwijze in deze broederschap geraakt, dat hij samen met zijn vrouw besloot om de opvoeding van hun kinderen aan de broederschap van de Herrnhutters toe te vertrouwen.
Als 15 jarige jongen verbleef Schleiermacher dus in een soort reformatorische kloosterschool. De eerste twee jaren in Niesky (1783 1785) waren zijn beste jaren in die kring. Hij werd daar getroffen door de openheid van geest en de humane spiritualiteit van het gemeenschapsleven. De laatste twee jaren (1785 1787) betekenden echter een terugslag. In het seminarie van Barby maakte hij kennis met een veel strengere visie van het broederschapsleven. Beinvloedingen van buitenaf werden zoveel mogelijk geweerd. Het gevolg was echter, dat een aantal jonge studenten, onder wie ook Schleiermacher, zich in het geheim enkele werken van Kant, Wieland en Goethe aanschaften en die samen begonnen te lezen.Schleiermacher begon ernstig aan een aantal traditionele geloofsopvattingen te twijfelen. Het kwam tot een conflict met de leiding van het seminarie en tot groot ongenoegen van zijn vader besloot de jonge Friedrich naar elders te vertrekken. Uit deze bewogen periode bleef hem niet alleen de twijfel aan enkele orthodoxe dogma's bij. Ook zijn neiging tot zelfreflexie en een uitgesproken aandacht voor de plaats van de ervaring in het geloof zijn zeker met dit verblijf bij de Herrnhutters in verband te brengen. Soms heeft men in dit verband zelfs gesproken over een tendens tot mystiek bij Schleiermacher. Als men het woord mystiek niet laat samenvallen met buitenissige godsdienstige verschijnselen maar met een ervaringskennis van het goddelijke in deze wereld, dan kan deze aanduiding wel gebruikt worden. Later heeft Schleiermacher herhaaldelijk zijn verblijf in Niesky aangewezen als tijd en plaats waar voor het eerst een authentiek gevoel van religiositeit in hem geboren werd. Ook in de Redevoeringen zijn zulke verwijzingen te vinden.
Vanaf 1787 studeerde Schleiermacher enkele jaren theologie maar vooral filosofie aan de universiteit van Halle. De werken van Kant, die ten dele in deze jaren verschenen, werden enthousiast onthaald en intensief bestudeerd. Vooral de belangrijke plaats van de ethiek trok Schleiermachers aandacht. Tegelijkertijd hield hij zich intensief bezig met Plato en met Aristoteles' ethiek. De vader volgde intussen de vorderingen van zijn zoon met argusogen. Bezorgd raadde hij hem aan Engels en Frans erbij te gaan studeren. Dat zou hem later als privé-docent van pas kunnen komen. En inderdaad, na enig zoeken en zwerven kreeg Schleiermacher in october 1790 een aanstelling als huisleraar bij de adellijke familie zu Dohna in Oostpruisen. Door de goede contacten met de familie en de duidelijke zinvolheid van zijn pedagogische activiteiten leefde Schleiermacher op. In zijn vrije uren schreef hij al enkele verhandelingen over de vrijheid van de mens en over de waarde van het leven. Maar zijn peinzen en studeren over de zin van het leven maakten van hem geen kamergeleerde. Tien jaar later zal hij aan een vriendin schrijven, dat de jonge gravin Friederike zu Dohna bij hem in deze jaren de gevoeligheid voor vrouwen heeft doen ontwaken. Hoewel de verhouding met de graaf aanvankelijk zeer goed was, bleek op den duur toch een steeds groter wordend verschil van politieke inzichten. Als conservatieve monarchist kon Friedrich Alexander zu Dohna er niet mee instemmen, dat zijn kinderen allerlei 'buitensporige' ideeën bij hun docent opdeden over de grote geestelijke en politieke omwentelingen die ook in Pruisen voor de deur zouden staan. De Franse revolutie was een zeer omstreden gespreksonderwerp. Als gevolg van dit conflict nam Schleiermacher zelf ontslag. Maar met verschillende leden van de familie bleef hij ook later op goede voet. De beide zonen, Wilhelm en Alexander, zouden Schleiermacher later in Berlijn nog vaak behulpzaam zijn.
Na het predikantenexamen te hebben afgelegd oefende Schleiermacher twee jaar het ambt van hulppredikant in Landsberg uit. We weten, dat hij zich in die jaren al intensief bezig hield met de ideeën wereld van Spinoza, die uitkomst bood, toen de al te labiele devotie van de Herrnhutters geen voldoening meer kon bieden. In de Redevoeringen zal blijken, hoezeer Schleiermacher Spinoza bewonderde. In 1796 kreeg hij een aanstelling als ziekenhuispredikant in Berlijn. Daarmee begint een nieuwe en zeer vruchtbare periode in zijn leven. Verschillende uiterlijke omstandigheden hebben daarbij stimulerend gewerkt. Twee namen staan centraal: Henriette Herz en Friedrich Schlegel. Beiden hebben op hun eigen manier er zeer toe bijgedragen, dat Schleiermacher in de eerste maanden van 1799 in hoog tempo zijn Redevoeringen ontwierp en publiceerde. In 1797 leerde Schleiermacher hen kennen. De omstandigheden van die kennismaking tekenen het verlichte Berlijnse milieu van die dagen en daarmee ook de achtergrond van de Redevoeringen. Door toedoen van graaf Alexander zu Dohna werd de jonge predikant geïntroduceerd bij de joodse familie Herz. Het huis van deze beroemde arts, die zelf een enthousiaste leerling van Kant en vriend van Lessing was, was een middelpunt van het toenmalige gezelschapsleven. Zijn vrouw Henriette nam daar actief aan deel maar hield ook eigen bijeenkomsten in haar huis, waarvoor zij vooral dichters en kunstenaars uitnodigde. Die Leiden des jungen Werthers van Goethe had in die kringen enorme indruk gemaakt en diens onlangs verschenen Wilhelm Meister werd in de salons van Berlijn gretig gelezen. Op Schleiermacher heeft Hennette Herz zo'n diepe indruk gemaakt, dat hij tot zijn dood innig met haar bevriend bleef. In de periode dat Schleiermacher aan zijn Redevoeringen werkte, schreef hij ook nog bijna dagelijks een brief aan haar, waardoor we vrij nauwkeurig op de hoogte zijn van de vorderingen en onderbrekingen van zijn geschrift.
In een van de 'woensdagavondgezelschappen' leerde Schleiermacher toen ook Friedrich Schlegel kennen, die al heel snel in Berlijnse kringen gevierd werd als de woordvoerder bij uitstek voor de jongere romantische generatie. Hij had rechten en kunstgeschiedenis gestudeerd, een in ruzie eindigende vriendschap met Schiller gehad en opzien gebaard door zijn publicaties over de Griekse en Romeinse literatuur. De filosoof Fichte had met zijn bespiegelingen over het menselijk 'ik' als bron van alle kennis in Jena diepe indruk op hem gemaakt. Hij was van mening, dat zijn tijd bepaald werd door drie grote gebeurtenissen: de Franse revolutie, de publicatie van Fichte's Wissenschaftslehre en Goethe's Wilhelm Meister. Schleiermacher werd onmiddellijk geboeid door deze stormachtige persoonlijkheid. Hij bewonderde diens enorme belezenheid en bijna koortsachtige activiteit, die er op uit was om via allerlei publicitaire initiatieven (o.a. oprichting van het tijdschrift Athenaeum) de geboorte van een nieuwe tijd te bespoedigen. Zij werden zo bevriend, dat Schlegel bij Schleiermacher ging wonen. Dat duurde, met enige onderbrekingen, anderhalf jaar. In die periode publiceerde Schleiermacher op instigatie van Schlegel al een aantal kortere fragmenten o.a. over Leibniz en recensies, o.a. over Kant's Anthropologie. Intussen leerde hij ook italiaans, las met Henriette Herz Shakespeare en verdiepte zich in de recente vorderingen van de chemie en de natuurwetenschappen. Naar aanleiding van een scherpe kritiek op sociale toestanden in het ziekenhuis waar hij predikant was, mengde hij zich ook in de daardoor ontstane polemiek, waarbij hij de zijde van de critici koos. Op een feestje ter ere van zijn 29e verjaardag drongen zijn beste vrienden en vriendinnen (Friedrich Schlegel, Henriette Herz en Alexander zu Dohna) er bij Schleiermacher op aan, dat hij in een kort geschrift zijn visie zou geven op de verhouding tussen religie en moraal. Waarschijnlijk waren ze nieuwsgierig gemaakt door Schleiermachers afwijzing van de toen gangbare vereenzelviging van religie en kunst en zijn gelijktijdige kritiek op Kant, die naar zijn oordeel godsdienst en ethiek vrijwel identificeerde. Maar als godsdienst noch kunst noch ethiek is, wat dan wél? Dat is dus ook de vraag van zijn beste vrienden. Waarschijnlijk verwijst Schleiermacher met de in die tijd gebruikelijke ironie naar hen als hij zijn Redevoeringen in de titel adresseert aan de gevormde en ontwikkelde verachters van de religie.
Op 14 februari 1799 ging Schleiermacher op verzoek van zijn kerkelijke overheden naar Potsdam om daar tijdelijk de hofpredikant te vervangen. Hij voelde zich er eenzaam en abrupt afgesneden van de vele inspirerende contacten die hij als ziekenhuispredikant en salonbezoeker in Berlijn onderhield. Zowel Henriette Herz als Friedrich Schlegel bezwoeren hem de tijd te gebruiken om het gevraagde geschrift over de religie te vervaardigen. Hij nam deze raadgevingen ter harte en voltooide in twee maanden zijn manuscript. De eerste twee redevoeringen vloeiden hem vrijwel in één stuk uit de pen. Helder stond hem voor ogen, wat hij wilde bepleiten. Religie, godsdienstigheid is een aparte, eigen provincie in het gemoed van een mens. Noch kunst, noch wijsbegeerte, noch ethiek kunnen iemand die speciale oerverbondenheid met het oneindige geven, die we religie noemen. De wezenskern ervan bestaat dus uit een intuïtie of contemplatie van de oneindigheid in het eindige en een daaraan corresponderend gevoel van vervuldheid. Na de tweede redevoering raakte Schleiermacher korte tijd geblokkeerd, zoals uit zijn correspondentie met Henriette Herz blijkt. Ook Friedrich Schlegel en zijn zus Charlotte werden door Schleiermacher regelmatig op de hoogte gehouden van zijn vorderingen. Het schrijven van de derde redevoering verliep wat moeizaam. Hij bleef naar Berlijn verlangen en vooral naar de mensen daar, in wie hij naar eigen zeggen 'het oneindige, het universum' kon ervaren, wat hem in de eenzaamheid van Potsdam niet lukte. Schlegel bemoedigde hem en schreef, dat hij ook de derde redevoering die over ontstaan en groei van de religie handelde, uitstekend vond. De vierde redevoering vorderde weer snel. Over de noodzaak van een scheiding tussen kerk en staat had hij pertinente ideeën, die zeker beïnvloed waren door het feit, dat de Pruisische staat zich onder Frederik Willem II ingrijpend in de kerkelijke verkondiging had gemengd (Religionsedict van 1788). De Pruisische regering stelde toen alles in het werk dus ook beïnvloeding van de kerkelijke organen om het overslaan van de Franse revolutie naar Pruisen te verhinderen. Schleiermacher was sterk gekant tegen deze conservatieve richting en betreurde daarom niet alleen principieel, maar ook op inhoudelijke gronden de staatsbemoeienis met de kerk. Uit zijn brieven weten we, dat hij zich na beëindiging van de vierde redevoering afvroeg, of hij niet te fel van leer was getrokken en of hij toch ook de positieve kanten van de ware kerk wel voldoende had belicht. Tijdens het schrijven van de vijfde rede verheugde hij zich erop, na afwijzing van de natuurlijke religie, uitbundig over Christus te kunnen schrijven. Op maandag 15 april 1799 meldde hij bijna uitgelaten aan Henriette Herz, dat hij het werk de afgelopen nacht had voltooid. Daarna kon hij onmogelijk in slaap komen. Dat kwam niet zozeer door de inspanning maar door 'een opwelling van vaderlijke vreugde en tegelijk angst om dood te gaan'.
Met deze aantekeningen zijn enkele grote lijnen geschetst van de periode die de achtergrond vormt van de hier vertaalde editie van de Redevoeringen. Men noemt dit geschrift wel een van zijn jeugdwerken, die dan soms op allerlei manieren vergeleken worden met de werken uit zijn 'rijpere' periode. Na de beëindiging van de Redevoeringen ging Schleiermacher inderdaad snel voort met publiceren. Een jaar later al verschenen zijn Monologen (1800), die wel de ethische pendant van de Redevoeringen worden genoemd. Ze gaan niet uit van een schouwing van het universum maar van een zelf beschouwing, die de basis voor een hernieuwd ethos moet vormen. In 1802 verliet Schleiermacher Berlijn en na een tussenperiode als hofpredikant in Stolp aanvaardde hij in 1804 een professoraat in Halle. Daar hield hij zich bezig met de reeds eerder begonnen uitgave van een Plato vertaling. Hij publiceerde zijn Weihnachtsfeier, een romantisch gesprek in een vriendenkring over de zin van kerstmis. Na de overwinning van Napoleon op Pruisen werd in 1806 de universiteit van Halle gesloten. Schleiermacher wilde er aanvankelijk in afwachting van betere tijden blijven, maar besloot in 1807 toch weer naar Berlijn te vertrekken. Samen met Wilhelm von Humboldt zette hij zich in voor de stichting van een nieuwe universiteit aldaar. In 1810 werd hijzelf er professor voor theologie, naast Fichte en (later) Hegel voor de filosofie. Zijn verdere leven werd getekend door een opeenhoping van kerkelijke en maatschappelijke functies. Zo was hij rector van de universiteit, meermalen deken van de theologische faculteit en secretaris van de Pruisische Academie van wetenschappen. Daarnaast bleef hij een onvermoeibaar predikant. Als præses van de synode bleek hij een fervent voorstander van een (beperkte) cultus-hereniging tussen gereformeerden en lutheranen, wat tot stevige confessionele polemieken voerde en tot zijn verdriet ook tot een conflict met koning Frederik Willem III vanwege diens kerkordelijke aanspraken. Ook op persoonlijk gebied waren deze Berlijnse jaren veelbewogen. Hij huwde met Henriette von Willich, de jonge weduwe van een gestorven vriend. Hun zoon Nathanael stierf al op negenjarige leeftijd. Temidden van die drukke bezigheden schreef Schleiermacher in 1811 nog een verhandeling over de aard en opzet van de theologie als wetenschap. Deze worden bepaald door het doel van de theologie en dat is de toerusting van de kerkelijke ambtsdragers. Het belangrijkste geschrift uit deze periode van zijn leven is Het christelijk geloof, dat in 1821 verscheen. Daarin wordt de leerstellige inhoud van de dogmatiek uitvoerig en zeer systematisch behandeld. Het gaat daarbij volgens Schleiermacher om de reflexie op het vrome zelfbewustzijn. Daarom is uitgangspunt en 'grondvorm' van iedere theologische leeruitspraak het onmiddellijke zelfbewustzijn van de gelovige mens. Daarin is het gevoel van onvoorwaardelijke afhankelijkheid dominant.
Op zondag 2 februari 1834 hield Schleiermacher zijn laatste preek, op 6 februari gaf hij zijn laatste college. Wat eerst nog een hevige verkoudheid leek verergerde snel tot longontsteking. Schleiermacher voelde, dat zijn dood nabij was. Op zijn sterfbed hield hij met zijn vrouw en stiefkinderen het avondmaal. Daarna overleed hij op 12 februari. Vele duizenden Berlijners begeleidden hem naar zijn laatste rustplaats. Een groot aantal tijdgenoten getuigde, dat het alleen aan Schleiermachers nieuwe interpretatie van het oude geloof te danken was, dat zij het geloof niet vaarwel hadden gezegd.
De verschillende edities
In 1799 verscheen bij Johann Friedrich Unger in Berlijn de eerste uitgave van de Redevoeringen. Een eeuw lang, van 1799 tot 1899, is er voor déze uitgave nauwelijks belangstelling geweest. Dat is begrijpelijk, omdat Schleiermacher zelf tijdens zijn leven deze tekst verschillende keren vrij ingrijpend heeft gewijzigd. Het lag daarom voor de hand die gecorrigeerde tekst te gebruiken. Bij het eerste eeuwfeest van de Redevoeringen heeft Rudolf Otto echter de oorspronkelijke tekst van de 31¬jarige Schleiermacher opnieuw uitgegeven. De belangstelling was groot en groeide, omdat men tot de ontdekking kwam, dat Schleiermacher in zijn later leven een aantal van zijn oorspronkelijke visies zodanig had bijgeschaafd, dat ze wat minder schokkend overkwamen. Eigenlijk had men daarvan al kennis kunnen nemen door een editie van Pünjer in 1879, die de verschillende uitgaven samen had uitgegeven. Misschien heeft de onoverzichtelijkheid van die publicatie veel lezers afgeschrikt. Na 1899 heeft men zich, in tegenstelling tot de eeuw ervoor, weer hoofdzakelijk op de eerste uitgave van de Redevoeringen geconcentreerd. Een gemakkelijk bereikbare tekst ervan werd verzorgd door Hans Joachim Rothert (Hamburg 1958) in Band 255 van de Philosophische Bibliothek. In 1984 verscheen de tekst in de Kritische Gesamtausgabe (KGA) I, 2, p. 185 326 (Walter de Gruyter, Berlijn New York 1984). De historische toelichtingen daarbij en kritische noten werden verzorgd door Günther Meckenstock.
De wijzigingen, die Schleiermacher in 1806, 1821 en 1831 in zijn tekst aanbracht, hebben, zoals te verwachten, ook hun oorzaak in de veranderde omstandigheden. Voor de schrijver van een apologie is de aard van het publiek tot wie hij zich richt van wezenlijk belang. Welnu, tussen 1799 en 1831 hebben zich zowel in het openbare leven als in de persoonlijke levensgeschiedenis van Schleiermacher grote veranderingen voltrokken. Met het oog op zijn Redevoeringen zou men kunnen wijzen op het grote aanzien dat Schleiermacher in Berlijn kreeg als kerkelijk leider, op de dood van Kant (1804) en Fichte (1814), van Novalis (1801) en Schiller (1805), wier invloed op het oorspronkelijke concept van de Redevoeringen aanzienlijk was, op de overgang van zijn oude vriend Friedrich Schlegel tot het rooms katholicisme (1808), op de opkomst van een onkritisch en bijgelovig soort piëtisme, dat hij in de voorrede van de editie van 1821 vermeldt, en uiteraard op de veroveringen en de uiteindelijke ondergang van Napoleon. Men is het er niet over eens, of de wijzigingen die Schleiermacher in de latere uitgaven van zijn tekst aanbracht een breuk met de opvattingen uit zijn jonge jaren betekenen of toch meer in continuiteit met die opvattingen gezien kunnen worden. Duidelijk is in ieder geval, dat hij de overdadigheid van zijn stijl heeft bijgewerkt. Ook is zijn woordkeus soms voorzichtiger geworden en in de presentatie van bepaalde ideeën hield hij in latere jaren meer rekening met de leertradities van de kerk. Dat alles ging dus wel ten koste van de jeugdige onbevangenheid en overrompelende trefzekerheid waarmee hij in 1799 velen verraste. In de tweede editie werd vooral de tweede redevoering aangepast. Het woord 'universum' werd meestal vervangen door 'wereld' en het woord 'schouwing' soms door 'gevoel'. De passage aan het slot over de (niet-) noodzakelijkheid van het godsbegrip voor religie heeft Schleiermacher van enkele nuanceringen voorzien. Een typerend voorbeeld: In 1799 schreef hij onbekommerd: 'God is niet alles in de religie'. In de latere edities wordt dat: 'God, zoals men hem gewoonlijk denkt, nl. als een apart wezen dat buiten en achter de wereld bestaat, is niet alles in de religie'. In de derde en vierde editie werd vooral de vierde redevoering herzien. Schleiermacher heeft zich toen wat voorzichtiger over de kerk uitgelaten. Een later toegevoegde epiloog uitte zich – gedwongen door de feitelijke ontwikkelingen – veel terughoudender over een wedergeboorte van de ware kerk.
© Uitgeverij Meinema, 's-Gravenhage 1990
T E R U G
Apologie
Van oudsher, maar vooral in de 17e en 18e eeuw, werden religie, christendom en kerk dikwijls 'apologetisch' verdedigd. D.w.z. de schrijver/spreker begon zijn betoog niet zozeer als een verkondiging vanuit een onwankelbaar geloof in eigen gelijk. Hij zette zijn uiteenzetting meer op vanuit zijn gehoor: als een verantwoording tegenover de sceptische vragen die men hem stelde en die hij zich ook zelf had eigen gemaakt. De invloed van de kritische filosofie vooral van Kant en Fichte, maar ook die van de romantici, die elke positieve religie als achterhaald beschouwden, was voor de jonge Berlijnse predikant Schleiermacher, die door eigen studie en door nadere kennismaking in de regelmatige bijeenkomsten ten huize van de familie Herz geheel vervuld was van de vragen van zijn tijdgenoten, aanleiding tot dit geschrift. Hij kent de vragen en twijfels, is er zelf ook door geraakt, maar is ook doordrongen van het goed recht van de religie. Gaandeweg is hij zelfs diep overtuigd geraakt van het 'nut' van de religie voor de ontwikkeling van de mensheid, mits men dat nut niet oppervlakkig verstaat.
Schleiermacher schaart zich nu als verdediger van de religie in de rij van wat hij 'middelaars' noemt, mensen die een middenpositie innemen tussen speculatieve filosofen die zich eindeloos met abstracties bezig houden, en bij uitstek bedrijvige lieden, die alleen maar bedacht zijn op het concrete leven van alledag. Met zijn apologie voor de religie wil hij een bijdrage leveren om temidden van alle geestelijke en politieke onrust 'de sluimerende kiem van de betere mensheid te wekken'. Schleiermacher schrijft daarmee aan de religie een functie toe, die Schlegel, Schiller en Novalis voor de kunst reserveerden. Zelf verklaart hij die keuze mede door de diep religieuze indrukken, die hij als kind in de gemeenschap van de Herrnhutters opdeed. Daardoor gevoed wil hij zijn gecultiveerde toehoorders sympathie bijbrengen voor het meest oorspronkelijke van de religie, zoals die in een ontvankelijk gemoed ontstaat. Om dat te kunnen doen zoekt hij in zijn betoog een aanknopingspunt juist in de verachting die men religie toedroeg. Hij toont aan, dat die verachting bijkomstigheden en toevallige historische verschijningsvormen, maar niet het wezenlijke van de religie raakte. Dat wezenlijke werd ook verduisterd door de systeemzucht van de filosofen en door religie zelf te identificeren met recht en ethiek. Religie is iets dat op zichzelf staat evenals recht en moraal. Wie religie als een stoplap beschouwt, als een laatste fundament van beide, doet zowel de religie als recht en ethiek tekort.
Dr. Ad Willems
Over de religie: redevoeringen tot de ontwikkelden onder haar verachters
Friedrich Schleiermacher ; vert. [uit het Duits], ingel. en van aant. voorz. door A.A. Willems
Auteur: Friedrich Daniel Ernst Schleiermacher (1768-1834); Boniface Ad Willems (1926-)
Jaar: cop. 1990
Uitgever: 's-Gravenhage : Meinema
Reeks: Sleutelteksten in godsdienst en theologie ; dl. 11
Annotatie: Vert. van: Über die Religion: Reden an die Gebildeten unter ihren Verächtern. - Berlin : Unger, 1799
Omvang: 206 p
Formaat: 22 cm
ISBN: 90-211-6110-9
Samenvatting:
Theologisch-filosofische verhandeling van de vader van de moderne theologie (1768-1834).
Recensie:
De jonge Duitse theoloog en predikant Schleiermacher constateerde aan het einde van de 18de eeuw dat het denken over en de beleving van de godsdienst in een crisis was geraakt. Vooral onder kunstenaars en intellectuelen bestond de neiging het kerkelijk christendom vaarwel te zeggen en de godsdienst te reduceren tot hetzij verstandelijk moralisme hetzij hyper-individuele vroomheidsbeleving. In een vijftal redevoeringen (tenminste, dat is de literaire vorm; ze zijn nooit als zodanig uitgesproken) probeert Schleiermacher de ontwikkelde a-religieuzen (de 'verachters') ervan te overtuigen dat religie behoort tot de wezenlijkste kenmerken van de mens en dat een grondige bezinning op de menselijke ervaring noodzakelijk moet leiden tot het inzicht dat de mens een bij uitstek religieus wezen is. Vertaling, annotatie en inleiding zijn helder.