Vierde redevoering
Over het gemeenschapskarakter van de religie of over kerk en priesterschap
De protestantse kerk in het Pruisen van Frederik Willem Ill was een territoriaal georganiseerde staatskerk. Tegen deze achtergrond ontwikkelt Schleiermacher zijn kerkvisie. Daartoe begint hij met de overtuiging uit te spreken, dat religiositeit tot gemeenschapsvorming leidt. Dat is een natuurlijk proces. Wat iemand ten diepste beweegt kan hij niet voor zichzelf houden maar moet hij met anderen delen en aan de ervaring van anderen toetsen. Die communicatie vraagt vanwege haar verheven inhoud een eigen stijl. In de beschrijving van die religieuze uitwisseling is Schleiermachers jeugdherinnering aan zijn verblijf bij de broedergemeente van de Hernhutters te beluisteren. Zo'n gemeenschap is een gemeenschap van gelijken. Gaandeweg ontwikkelt hij dan zijn visioen van de ware kerk, waarbij hij zo ver gaat, dat hij niet alleen afscheidingen of sektevormingen afwijst, maar de hele mensheid zij het in mindere of meerdere mate aan die ene religieuze gemeenschap ziet deelhebben. In dit visioen van gelijkheid ruimt Schleiermacher toch nog plaats in voor 'priesters'. Dat zijn dan geen functionarissen van een organisatie, maar persoonlijkheden die meer dan anderen bezield zijn door hun religieuze ervaringen en daarom een uitstralingseffect hebben op anderen, in wie die religieuze ervaringen nog niet gewekt zijn. Voorlopig is het visioen van de ware kerk echter nog niet gerealiseerd. Wat doorgaans 'kerk' heet en waar de kritiek van de gecultiveerde tijdgenoten zich dikwijls tegen richt is een aaneensluiting van hen, die pas onderweg zijn naar religie. Na eerst het ideaalbeeld geschilderd te hebben heeft Schleiermacher nu met deze vaststelling de weg vrijgemaakt voor scherpe kritiek op de bestaande kerk. De volkskerk houdt mensen passief, afhankelijk, bevangen in mechanisch herhaalde rituelen en gehecht aan levenloze leerstellingen. Niettemin schrijft hij haar niet af. Zij is de concrete institutie waar bezielde voorgangers en zoekenden elkaar treffen. Maar het feit, dat de overgrote meerderheid van de kerk de religie nog niet heeft ontdekt, is wel de oorzaak van veel ellende. Het voert tot fanatisme en afscheidingen, tot institutioneel verschil tussen priester en leek, tot zieltjeswinnerij. En naarmate de organisatie groter wordt, overwoekert de institutie de eerste aanzetten tot nieuwe religie. De fei¬len van de kerk krijgen heilloze afmetingen door de inmenging van de staat. Deze ging natuurlijk pas tot die inmenging over, nadat de volkskerk groot was geworden en dus interessant voor de machthebbers. De gevolgen zijn rampzalig. De kerk wordt van haar vrijheid beroofd, de kernmomenten van het menselijk leven (geboorte, huwelijk, dood) worden ontdaan van hun mystieke dimensie en kerkelijke bedienaren worden volgzame staatsambtenaren. Daarom loopt deze verhandeling uit op een voor de tijdgenoten opzienbarend scherp pleidooi voor een radicale scheiding van kerk en staat.