Wat de boze atheïsten verkeerd zien
Religie vereist geen geloof in God
Onderwerp:
Geloof & Dogma – Het begrijpen van religie
Published on Jewcy.com (http://www.jewcy.com)
Door:
Scott Korb & Peter Bebergal
Vertaald door:
Juliëtte Boulanger & Eliëzer Kolthoff
Vertaling citaten: Daniël Mok
Juli 2007
Recente polemieken door zelfverzekerde en boze atheïsten hebben velen van ons – zowel gelovigen als sceptici – stevig aan het denken gezet over het godsgeloof. Boeken zoals die van Sam Harris’ Brief aan een christelijke natie; het geloof op de proef gesteld (Amsterdam 2007), Richard Dawkins' God als misvatting (Amsterdam 2006) en het meest recent, Christopher Hitchens’ God is niet groot (Amsterdam (2007) beweren dat het simpelweg onredelijk is om te geloven. Ze leren ons dat de wetenschap de historische aanspraken van een heilige tekst ontmaskeren en dat religieuze moraal in tegenspraak is met de moderne tijdgeest. Zelfs wanneer de heilige geschriften ons met een morele vernieuwer van het geloof confronteren, dwingt louter geloofsvertrouwen gelovigen zelden om dienovereenkomstig te leven. Deze boze atheïsten bewaren een gedeelte van hun scherpste kritiek voor religieuze gematigden met als argument dat een met redenen omkleed en kritisch respect voor religie kruit aandraagt voor de vijand. De verschillen tussen Jimmy Carter en de conservatieve Tv-dominee Jerry Falwell – of, nu we het er toch over hebben, tussen Reza Aslan (Geen god dan God; oorsprong, ontwikkeling en toekomst van de islam, Amsterdam 2005) en Osama Bin Laden – zijn eenvoudigweg te moeilijk om te hanteren.
Harris, Dawkins, en Hitchens zien het niet verkeerd. Religie is vaak bedenkelijk en irrationeel, en de zonden van religieuzen zijn vaak religieus functioneel. Maar onze wegen scheiden zich wanneer ze gaan beweren dat de kern van het probleem niet het extremisme is, maar het geloof zelf. Hierin verschillen fundamentalisten en atheïsten niet veel van elkaar. Uit de geschiedenis weten we dat religieuze extremisten, die onbuigzaam de waarheid opeisten voor hun eigen specifieke overtuiging, – zoals God is Eén, of Drie-enig, of dat er geen God is behalve God – dreigend reageren op deze aanspraken door te proberen andere godsdiensten te vernietigen. Ook dogmatische atheïsten, die menen dat religie zelfs van de meest liberale aanhangers eist dat er ten minste een fundamenteel geloof in God is, reageren op soortgelijke wijze door het einde van het geloof zelf te eisen.
Browsers van het heilige: Het begint allemaal met de zoekopdracht
Wij zien dit allemaal anders. Godsdienst hoeft niet te beginnen met een overtuiging, maar eerder met het begrip dat ontmoetingen met het heilige in de wereld een metaforische structuur nodig heeft – en altijd nodig heeft gehad – om het te kunnen bevatten en het betekenis te geven. Met andere woorden, religie moet haar mythen wel serieus, maar niet letterlijk nemen in het zelfbewuste besef dat zich achter deze verhalen werkelijke wereldse ontmoetingen bevinden met iets verbluffends en vaak angstaanjagends. Bij het geven van betekenis aan onze waarnemingen brengen religieuze mythen ons samen. En wanneer overtuiging naar achteren wordt geschoven kan morele vernieuwing, het beste wat religie de wereld te bieden heeft, de definitieve maatstaf van de verdienste van het geloofsvertrouwen worden.
We beginnen met de veronderstelling dat feitelijk geloof in God niet nodig is voor de religieuze verbeeldingskracht. Het is binnen de religieuze verbeelding eigenlijk dat de ware idee van God ontstaat. Of God nu wel of niet echt bestaat – wat God zelfs mogelijk maakt is dat via onze ontmoetingen met anderen en de wereld, wij worden opgeroepen om iets voor te stellen dat geheel buiten onszelf ligt. We vormen een beeld van het heilige.
In zijn klassieke en verhelderende boek, Het heilige, beschrijft Rudolf Otto het buitenredelijke moment dat voorafgaat aan geloofsvertrouwen. Hij merkt dat moment op in onze ontmoetingen met wat hij zou willen noemen heiligheid, of het mysterium tremendum & fascinans. Voor de antieken zou heiligheid kunnen worden gevonden in een blikseminslag of een kudde bizons of net zo makkelijk in een moment van geboorte of overlijden. Dus ook voor ons modernen: Vanuit het diepste bereik van de kosmos tot aan de kronkelende diepten van een stukje DNA, de schepping vervult ons met ontzag. (En het leidt geen twijfel, tegenover een kudde bizons zijn we nog steeds doodsbenauwd.)
Abraham Joshua Heschel stemt hiermee in. In God zoekt de mens; een filosofie van het jodendom schrijft Heschel: "Geloof wordt voorafgegaan door ontzag, door verbazing over wat we waarnemen maar niet kunnen begrijpen... We moeten leren hoe ‘de wonderen, die ons dagelijks omringen’ te zien, we moeten leren hoe in ontzag te leven om de inzichten van het geloof te verkrijgen."
De oergedachte van de heilige gaat niet over ethiek en moraal, of zelfs wonderen, maar simpelweg over huivering en ontzag. Dergelijke ontmoetingen kunnen gevoelens van de hoogste empathie, mededogen of liefde voortbrengen, maar zelfs deze bevatten in en van zichzelf geen morele aanwijzingen. Alleen als de religieuze gedachte verder evolueert – door middel van mythen of religieuze wetten – wordt de morele conditie welbekend als ‘vrees en beven’ geassocieerd met God.
Voordat er geloof is, is er ontzag: Perma-tan God komt pas later in het beeld
Religie begint wanneer mensen deze ideeën van heiligheid met elkaar delen, meestal door middel van het vertellen en hervertellen van mythen. Aangenomen dat anderen net zo geconfronteerd worden met de wereld als wij – dat wil zeggen, dat ze het soms net zo ontzagwekkend vinden – en dat zij beschikken over dezelfde verbeelding, wordt het zinvol dat we kunnen beginnen te overwegen of er sprake is van enige sociale waarde bij onze ontmoeting met het heilige. Achter elke individuele ervaring die gedachten van heiligheid inspireert, ‘hebben we mythen nodig’, schrijft godsdienstwetenschapper Karen Armstrong, ‘die ons helpen bij het vormen van een spirituele houding om verder te kijken dan onze onmiddellijke behoeften, en ons in staat stellen om een transcendente waarde te ervaren die de uitdagingen van onze solipsistische egoïsme overstijgt.' Religieus vertrouwen, vervolgens, hangt af van een ieders beslissing – of, zoals kinderen, het besluit dat wij voor onszelf hebben genomen – om ons aan te sluiten bij een bepaalde kring van metaforen en, wie weet, een grotere mythe.
In de beschrijving van ontmoetingen met het heilige en de transformatie die dergelijke ontmoetingen bewerkstelligen in iets van de transcendente waarde, houden Heschel, Otto, en Armstrong zich in de eerste plaats bezig met de momenten die vooraf gingen aan de geloofsovertuiging. Dus zelfs na de gemeenschappen beginnen vorm en specifieke overtuigingen in de richting te gaan van de manier waarop we de wereld zien; de werkelijke overtuiging zelf komt niet totdat we religieuze sociale afspraken of ethiek hebben gevormd. Immers, religie is alleen duurzaam in de maatschappij. God kan (of niet) bestaan zonder mensen. Religie kan dat niet.
Zodra mythen zijn geschreven en gecompileerd en beginnen met het vormen van moraal – wanneer ontzag gekoppeld wordt aan schuld of ons geweten uit de wolken galmt als de stem van God – beginnen godsdiensten zich te vormen rond de bijbelse bevelen: doe goed en vrees God. Dit gebeurt wanneer een systeem van mythen overgaat in een vorm van religie waarvan Dawkins, Harris, en Hitchens zo’n vurig tegenstander zijn.
Nogmaals, de atheïsten hebben het niet bij het verkeerde eind. Onvoorwaardelijk geloof in God – de lat waarmee zowel atheïsten als verblinde fundamentalisten de religieuze verbintenis lijken te meten – is niet het beste echte teken van religiositeit. Immers, zodra geloofsovertuiging de diepste kennis voor religieuze gemeenschappen wordt, de absolute begrippen van wat ‘goed’ is en hoe letterlijk we God vrezen, komen we in de problemen. Net zo min zoals een ontmoeting met het heilige kan betekenen ‘voedt de hongerigen’ of ‘heb uw naaste lief’; Rudolf Otto zou ook nooit beweren dat het betekent ‘doodt de ongelovigen’. De mensheid is verantwoordelijk voor het voeden, liefhebben en doden. Religie drukt onze eigen wensen uit, niet de wensen van God.
Mythen helpen ons om de wereld te begrijpen: Hier helpt Zeus ons te begrijpen wat de effecten van 3000 beslismomenten per dag betekenen
Geloof kan individuen afzonderen van de rest van de wereld – die van ketters en ongelovigen. Maar gemeenschappen kunnen zeker niet afhangen op welke leden dan ook die geloven op precies dezelfde manier. Een dergelijke controle zou onmogelijk zijn. Dus geloof is van minder belang voor religieuze instituties dan de gemeenschappelijke erkenning van het feit dat een reeks van rituelen, liturgie, en gemeenschapsacties zich beroepen op heiligheid in een zinvolle en in het algemeen coherente manier.
Centraal voor de samenhang van geloofsgemeenschappen zijn aanbidding en in de bredere realiteit de religieuze taal. En in tegenstelling tot de taal van de wetenschap en de politiek is het doel van de religieuze taal om te mythologiseren, om hen die spreken een verbinding aan te bieden op het meest fundamentele niveau, naar de ‘eeuwige’ cyclus van het steeds weer nieuwe begin. Hier hebben zowel de fundamentalist en de atheïst het bij het verkeerde eind. Een christelijke fundi leest het boek Genesis en zegt: ‘Er staat hier de wereld werd geschapen in zes dagen, dus het moet waar zijn’. De fundamentalist die probeert wetenschappelijke taal te spreken, maakt de fatale intellectuele fout om de bewijsplaats uit precies dezelfde tekst zelf te halen. De atheïst leest het boek Genesis en zegt ‘Er staat hier dat de wereld werd geschapen in zes dagen. Alleen een gek zou deze onzin geloven’. Door de weigering om toe te geven dat de Schrift een grotere metaforische waarheid kan bevatten, zoals de fundamentalist doet, kan de atheïst Genesis slechts op één manier lezen, namelijk als een verkeerde historische uiteenzetting over het begin van de tijd.
Maar zowel fundamentalistische gelovigen en niet-gelovigen zouden er goed aan doen om te onthouden dat Genesis helemaal niet over het geloof gaat. Het is een mythische visie over een ontmoeting met de majesteit en de verbazing over de wereld. Het heeft ook te maken met het menselijk leed en de verleiding, en zoals elke goede mythe, maakt het gebruik van een contrasterende achtergrond, een bedrieger in de vorm van een slang, om de zonden van de mensheid te verklaren.
Hedendaagse religieuze aanhangers hebben alleen maar hun voorouders om deze verwarring te verwijten. Thora begon een proces dat de Evangeliën en Brieven, de Koran, en, het meest recent, het Boek van Mormon voortzet: het ontmythologiseren van onze ontmoetingen met het heilige door deze stevig in de geschiedenis te plaatsen. Bijvoorbeeld, hoewel Pesach poogt om de uittocht van de Israëlieten te vereeuwigen door middel van ritueel, de bevrijding van de slaven voelt stevig verankerd in de geschiedenis. Vandaag, ten minste aan de oppervlakte, worden de meeste religieuze feesten gevierd naar aanleiding van historische gebeurtenissen. Kerstmis en Pasen zijn de meest opvallende. Vandaar dat het heel verleidelijk is om de mythen achter deze herdenkingen letterlijk te nemen.
Mythen kunnen begrepen worden, in dat geval dan, als religieuze verbeeldingskracht zonder overtuiging. Het jodendom begrijpt dit meer intuïtief dan het christendom, omdat haar ontwikkeling – historisch en cultureel – dichterbij het klassieke begrip van mythologie lag. Bepaalde gedeelten van de Joodse geschriften, vooral Genesis, hebben die klassieke legendarische kwaliteit behouden, met de nadruk op de Eeuwige. ‘In den beginne...’ is perfect a-historisch. Het christendom echter maakte zich resoluut los van de klassieke wereld door haar verhaal absoluut met de geschiedenis te verbinden. ‘En het geschiedde in diezelfde dagen, dat er een gebod uitging van den keizer Augustus, dat de gehele wereld beschreven zou worden.’ Deze openingszin van Lucas over Jezus’ geboorte is historisch.
Bovendien, naast eenvoudigweg de focus op een historische leven te richten, verlaat het christelijke verhaal het mythische door voorrang te geven aan de vijand van de mythe, de eschatologie. Eschatologie kijkt binnen de geschiedenis vooruit in de richting van de eindtijd. Voor de beoogde christelijke bewoners van het duizendjarig vredesrijk vaak binnen hun eigen leven. Mythe impliceert eeuwigheid. Persephone is ontvoerd door Hades en om haar te redden stopt Demeter de regen en creëert de seizoenen. Deze cyclus wordt eeuwig omdat de deal die Demeter sluit met Hades om haar dochter te redden voor eeuwig bindend is. Ook Osiris gaat steeds maar weer door, om te sterven en weer herboren te worden.
Zoeken staat vrij, maar religieuze zoekers zullen God nooit vinden. Het bewijzen van het bestaan van God is een waardeloos en werkelijk onheilige onderneming. We moeten onze inspanningen ombuigen, weg van zozeer in God te geloven naar inzicht in wat God kan betekenen. We moeten erkennen dat religieuze verhalen hun grootste potentieel bevatten in het toekennen, door metaforen, van eeuwige betekenis én voor natuurlijke gebeurtenissen en onze ontmoetingen met de wereld – de geboorte en dood en alles wat daar tussen ligt. (Natuurlijk, het is van cruciaal belang te bedenken dat ondanks de waarheidsclaims die mythen schijnen te stellen, ze bestaan als uitingen van onze religieuze verbeelding – wat Dawkins mag beschrijven als een evolutionair bijproduct – ze geen noodzakelijke relatie met de wetenschappelijke waarheid hebben.) Het hermythologiseren van deze verhalen – op een wijze van bewust herverbeelden van de mythe als mythe – zou ze weer hechten aan het eeuwige. Ritueel zou haar kracht herwinnen als onze band met de eindeloos terugkerende cycli van het leven. En nooit meer zouden we die dodelijke en banale zin horen: Dat is gewoon een mythe. Mythen zijn geen leugens. Ze zijn, om een zin van Joan Didion te citeren, de verhalen die wij onszelf vertellen om te kunnen leven.
Zelfs de bijbel zegt het zo. Heschels idee dat ontzag komt vóór het geloof, vinden we op passende wijze in het eerste gebod, dat vereist dat we God liefhebben, níet dat we in Hem geloven. De religieuze overtuiging dat geloof niet relevant is – en de bewering dat een dergelijke vordering eigenlijk Bijbels is – hangt af van de verdere en even bijbelse claim dat ethisch gedrag noodzakelijk is voor het religieuze leven.
Het probleem met Bijbelse letterlijkheid: En voorwaar, een plaag van kinderen in dweepzieke T-shirts, bracht een bezoek aan Sodom
Gebaseerd op het prilste begin in de irrelevantie van geloof, die zelf de auteursmanier van het eren van het metaforische karakter van de mythe kan zijn, liet de Thora de joden niet aan hun lot over en bood een verzameling van 613 mitzvot, of geboden aan dat het Jodendom vestigde – en vervolgt net zoals het christendom en de islam als een godsdienst van doen. Of je nu gelooft dat deze geboden echt nuttig zijn, of zelfs helemaal goed - homoseksualiteit, bijvoorbeeld, is verboden door de geboden 157-159 – om een jood te zijn, zegt de Thora, ben je niet verplicht om te geloven in het heilige, maar moet je heiligheid leven.
Hoewel we standvastig moeten zijn in het oordelen over kwaadaardigheden die vroeger als correct werden beschouwd – slavernij, bijvoorbeeld, is en is altijd een zonde geweest – spreekt het vanzelf dat ethiek de loop van de tijd zou veranderen. En als dat wat ons religieus maakt niet ons geloof in het heilige is, maar het heilige zelf te leven, is het ook vanzelfsprekend dat religieus leven zou leiden tot de ontwikkeling van ethische standpunten om het hoofd te bieden aan de moderne problemen. Hoewel het wellicht heel zinnig is, zoals gebod 501 poneert, ‘om niet te beledigen of iemand schade te berokkenen met woorden’, en we laten nog steeds niet familieleden van verdachten getuigen voor de rechtbank (575), kunnen we terecht bezwaar maken tegen rechtbanken die tovenaars doden (552) of het gebod uitvaardigen tot het wegvagen van de nakomelingen van Amalek (598). Religieus zijn is de verantwoordelijkheid nemen van niet alleen het claimen van en het leven door een stel ethische gedragsregels, maar ook deze ethiek de ruimte geven zich aan te passen aan de wereld en zijn omstandigheden - in feite, de ethiek eist dit op.
Als gematigden religieuzen, vinden we niets meer verontrustend dan de overtuiging dat ‘geloofsvertrouwen alleen’ het enige is dat ons verbindt met God en gelovigen van ons maakt. In dit scenario lijkt God behoeftig en jaloers en al helemaal geen model voor ethisch leven. Dat wil niet zeggen dat we niet kunnen geloven – alleen dat het niet echt belangrijk is. Het benadrukken van geloof draagt het risico met zich mee dat religieus handelen niet ter zake doet. Zowel atheïsten als religieuzen zouden er goed aan doen niet te vergeten dat het de ethiek was en niet het geloof dat vanaf de eerste momenten van religieus leven gelovigen samenbond. En het is nog steeds hier – in de verhalen van godsdienstige vriendschappen, de geboorte van de kinderen, de cycli van leven en dood, en de behoefte aan morele vernieuwing, nodig om onze synagogen en kerken meer alomvattend te maken – waar de betekenis van God wordt gevonden.
URL:http://www.jewcy.com/feature/2007-07-20/what_the_angry_atheists_get_wrong