verhaal van: Willem
Het zal omstreeks oktober 1983 zijn geweest dat Reinate, zomaar in een opwelling*, vroeg of het ik leuk vond om met haar vader een reis te maken.
Aangezien ik geen enkele praktische ervaring met binnenvaartschepen had, was ik van mening dat het schippersleven een romantisch bestaan was met zware shag en oude genever, soms hard aanpakken en soms mijmeren over van alles.
Ik ging dan ook grif in op het verzoek, en de afspraak was dat we elkaar ’s morgens vroeg bij de eerste trein naar Leiden zouden treffen.
Ik was net op tijd. De trein stond er al. Ik kon echter niet zien of Pa Fernhout er was. Ten eerste omdat ik hem daarvoor alleen uit de verte had gezien (ik wist dus niet precies hoe hij eruit zag), maar ook omdat hij alvast was ingestapt, zonder te checken of ik er al was. Gelukkig was het een korte trein, waar maar 1 persoon in zat met een schippershoofd.
In de Leidsche binnenhaven, wees hij vol trots naar een (in mijn ogen) onooglijk klein bootje. ”Dat is de Gerda; een binnensleper“. Ik was erg benieuwd wat we met dat ding moesten en waar we heen zouden varen. “Dat komt straks, eerst de motor starten”. Hij dook een donker hol in en ging druk met een enorme moersleutel in de weer. Net toen ik dacht dat hij na een intensieve controle een serieus motorprobleem had ontdekt, sprong hij weer op het dek, met de mededeling dat de compressor aan moest. Toen ik, ondanks zijn verzoek, niet reageerde dook hij zelf de kajuit in en drukte op een knop. Prut prut prut… niks. “Ja jongen, zo gaat dat met die machines”, en hij drukte opnieuw de knop in. Nu was er helemaal niks. “Nou dan zal ik eerst maar de accu opladen”. Anderhalf uur later wist ik dat er nog steeds motoren bestonden die met lonten aangestoken moesten worden.
Om tijd te winnen ging pa Fernhout langs de vracht (een binnenvaartschip zonder motor, ook al zoiets!) heen en weer varen om met de schipper te spreken. Dat werd geen vlot gesprek. Hij moest iedere keer uit de kajuit stappen om de man te kunnen verstaan, waarbij hij het roer onbeheerd liet, terwijl de Gerda vrolijk doortufte. Na meerdere keren heen en weer varen werd een lijn gegooid, die ik behendig in het water liet vallen, maar die door pa Fernhout uit het water werd gevist (waarbij hij het roer weer in de steek liet en daarbij rakelings de boot miste) en vast werd gelegd. We waren eindelijk op weg!
Onderweg naar Rotterdam, in een kanaal met van die lange palen, zei pa Fernhout dat hij honger had, en of ik even het roer wilde nemen. Ik taxeerde de uitdaging (gewoon rechtdoor, geen bochten) en ging accoord. Terwijl de lucht van karbonades beneden steeds meer in de kajuit doordrong, merkte ik iets vreemds: Als ik het roer naar rechts draaide ging de boeg naar links (en andersom). Ik ging dus corrigeren, maar hoe meer ik dat deed hoe meer de Gerda en de sleep gingen slingeren, waarbij de grote palen in het kanaal angstig dichtbij kwamen. Gelukkig stond pa Fernhout opeens met twee karbonades achter me, en met het bord nog in zijn hand corrigeerde hij de zaak. Onaangedaan legde hij uit wat er was gebeurd. Ik dacht dat ik het nu wel snapte, maar toen hij de aardappelen maakte en later de groenten (we aten dus in 3 gangen!), was ik elke keer weer blij dat hij achter me stond.
We hebben in Rotterdam overnacht, naast een groter gelegen schip. Pa Fernhout ging netjes bij de schipper vragen of we ernaast konden. In het aardedonker liep ik achter hem aan. Dat was dom van mij want ik struikelde een paar keer venijnig over allerlei spullen die aan boord lagen. Ik zou hebben gezworen dat ik die ouwe hoorde grinniken, want hij bewoog zich aanzienlijk vlugger over de obstakels. Zonder borrel en plichtplegingen gingen we daarna de kooi in. Ik riep nog lollig “Als de kakkerlakken even opzij willen, dan kan ik er ook in”. Maar pa Fernhout zei droog; “Ach de lucht is zo verzadigd van de dieselolie, hier houdt geen kakkerlak het uit”.
Net toen ik eindelijk het idee had dat ik in slaap viel, werd er hard op het dak gebonsd. Pa Fernhout stond al buiten voordat ik mijn ogen open had (was hij met zijn kleren naar bed gegaan?). Er moest opnieuw gevaren worden. Dit keer via Oisterwijk naar Zaandam. Nog tollend van de slaap drukte ik op de knop van de compressor. De motor startte onmiddellijk. Eten deden we onderweg wel (Gorinchem?). Het werd opnieuw een lange dag en ik begreep dat het leven van een binnenschipper anders was dan ik me had voorgesteld. Nog steeds denk ik bij elke brug die ik zie dat ik daar met pa Fernhout onderdoor ben gevaren. Ook heb ik veel bewondering gekregen voor de Gerda. Het is typisch zo’n boot die pas mooi wordt als je hem beter kent.
Later toen Reinate me vertelde dat de Gerda aan Henk -Internos was verkocht, en dat ik dus de laatste reis had meegemaakt, voelde ik toch wel enige weemoed. Het was het einde van het tijdperk van Pa Fernhout als actieve schipper.
Maar de Gerda vaart nog steeds!!!
*(Ik dacht dat het een opwelling was, Pa Fernhout had een andere verklaring, die ik hier verder buiten beschouwing laat)