Palm

Palmzondag geldt voor de kerk als herdenking van de intocht van Jezus in Jeruzalem. De palmwijding is echter een mooi voorbeeld van het samen gaan van godsdienst en bijgeloof. Gelovigen en niet-kerkgangers komen op die dag naar de kerk om een plamtakje te laten wijden of af te halen.
In de eerste plaats beschermen palmtakjes tegen onweer. Sommige mensen dragen het in hun portefeuille of bewaren het in hun auto. De meeste mensen steken een palmtakje achter een kruisbeeld, bij voorkeur tegen de schouw omdat daar de bliksem het eerst inslaat.
Boeren steken palmtakjes in hun stallen en schuren. Dat is nog altijd beter dan een brandverzekering. Voorkomen is beter dan genezen. Maar de palmtakjes moeten wel gewijd zijn, anders werkt het niet.
Bij boer en tuinders wordt het ook toegepast om mollen te verjagen. Op drie hoeken van het perceel wordt een palmtakje gestoken zodat de mol langs de vierde hoek kan vertrekken. Mollen mogen dan nog nuttige dieren zijn maar hun pijpen worden immers ook gebruikt door woelmuizen die de wortels van groenten en planten eten.
In geval van nood kan men nog altijd palmtakjes knippen op struiken op het kerkhof. Die zijn daar immers gegroeid uit gewijde palmtakjes die op graven werden geplaatst.
Bij een thuis opgebaarde overledene stond een bakje met wijwater met daarbij een palmtakje. Degene, die afscheid kwam nemen, of bidden voor de zielenrust van de gestorvene nam voor hij wegging het palmtakje met wijwater en maakte er een kruisteken mee over het stoffelijk overschot.
Stilaan verdwijnt het gebruik echter...