https://nl.wikipedia.org/wiki/Bah%C3%A1%27%C3%AD-kalender



± 21 maart: oude nieuwjaarsdatum
Op veel oude kalenders - inclusief onze huidige Gregoriaanse kalender - begon een nieuw kalenderjaar met de lente-equinox of maart-equinox. Die valt meestal rond 21 maart, maar soms kan hij ook op 18 tot en met 22 maart vallen. Tijdens die lente-equinox gaat de aarde door het lentepunt, wat op het noordelijk halfrond het begin inluidt van de lente. Samen met de september-equinox (herfstpunt) zijn dit de enige twee dagen van het jaar waarop de zon precies in het westen ondergaat en in het oosten opkomt en de dagen en de nachten ruwweg even lang duren (equi = gelijk; nox = nacht).

Al zo'n 10 tot 12.000 jaar lang weten o.a. vele landbouwculturen op het noordelijk halfrond - ooit de bakermat van onze huidige landbouw en veeteelt - dat de lente-equinox de natuur rond 21 maart een krachtige impuls geeft voor een nieuwe, natuurlijke cyclus van lente, zomer, herfst en winter.

Voor sommige oude culturen was het punt van de lente-equinox zelfs zo belangrijk, dat zij het bepaalden door middel van speciale altaarstenen, pilaren, menhirs, lichtspleten of muuropeningen, enz. Op de Göbleki Tepe, bijvoorbeeld, nabij het Zuid-Turkse Urfa, staan de oudste monolithische zonnetempels van de wereld. Zij zijn ± 12.000 jaar oud en gezien zijn relatief goede bouwkundige staat, zou meetkundig onderzoek mogelijk nu nog kunnen aantonen dat de mens zich vele duizenden jaren geleden al bewust was van de relatie tussen de lente-equinox en het begin van een nieuwe natuurlijke cyclus.

Sommige van die beschavingen gaven hun bouwsels zelfs een symbolische inhoud. Bijvoorbeeld: op het moment van de lente-equinox 'ejaculeert' de zon zijn licht door een 'geboortekanaal' van de bijna 8.000 jaar oude stenen tempels van Malta en Gozo. De lichtstraal valt dan op een altaar, die de baarmoeder van de godin symboliseert, en 'voilá': de bevruchting van de schepping was daar en een nieuwe lente begon.

Enkele jongere en meer bekende 'solarmetrische' bouwwerken zijn o.a.: Stonehenge, de pyramide van Cheops, de pyramide van Kulkulcan op Yucatan en het Pantheon in Rome.

± 21 maart: tradities in het Midden-Oosten
Zoals in het begin al gezegd, vierden vele volkeren vroeger het aanbreken van hun nieuwe jaar rond 21 maart. En tot op de dag van vandaag doen velen dat nog steeds. In het Midden-Oosten, bijvoorbeeld, vieren de landen die onder de invloedssfeer vielen van het vroegere Perzische rijk - het huidige Iran - hun nieuwjaar nog altijd op de dag van de 21e maart. En dan hebben we het over landen als Iran, maar ook [delen van] Afghanistan, Oezbekistan, Tadzjikistan, India, Kirgizië, Pakistan en Kazachstan, alsmede de Koerdische gebieden in Irak en Turkije. In sommige van die landen is nieuwjaar zelfs het allergrootste feest van het jaar en daarom is het een nationale feestdag. De naam van dit nieuwjaarsfeest aldaar is Naw-Rúz, of Noroez. In het Perzisch of Farsi betekent Naw-Rúz "de nieuwe dag".

In de loop van duizenden jaren ging de preciese oorsprong van dit feest gaandeweg verloren. Er zijn Perzen die geloven dat Naw-Rúz de 1e dag markeert waarop het universum begon te bewegen. Sommige Moslims geloven dat Naw-Rúz een dag is waarop vele gebeurtenissen plaats vonden die van groot religieus belang zijn, waaronder o.a. de 1e zonsopgang, Gods 1e verbond met de mensheid, het aan de grond lopen van Noah's ark op de berg Ararat, Gabriëls eerste verschijning aan de Profeet Muhammad, de vernietiging van de afgodenbeelden in het sacrale heiligdom van Mekka, Muhammad’s benoeming van 'Ali als Zijn opvolger, enz. Een ander geloof is dat er op Naw-Rúz nog markante dingen plaats gaan vinden en dat het - bijvoorbeeld - ook de dag zou markeren van de verschijning van de beloofde Qá’ím en de uiteindelijke triomf van de Qá’ím over de Antichrist.

Weer anderen geloven echter dat de wortels van de Naw-Rúzviering terug voeren zijn naar een agrarische origine en dat haar grondslag ligt in vruchtbaarheidsculten van bepaalde gebieden in het eeuwenoude nabije en midden oosten. Naw-Rúz luidt immers de terugkeer van de lente in en daarmee van een nieuwe agrarische cyclus van zaaien, bewerken en oogsten.

De grootste rijkdom aan details rond de viering van het Naw-Rúz feest stamt echter ongetwijfeld uit het gewezen Zoroastrische Perzië. Vele Zoroastriërs, volgelingen van de Profeet Zoroaster fo Zarathoestra, noemen Naw-Rúz ook wel het Jamshidisch Naw-Rúz. Daarmee voeren zij de oorsprong van dit festival terug naar een mythologische figuur: de prehistorische maar nog steeds legendarische koning Jamshid, die fameus is om zijn glorieuze overwinning over duivelse krachten. De overlevering wil, dat deze koning van de Perzen zo opschepte over zijn vermeende onsterfelijkheid, dat hij als straf daarvoor een menselijke gedaante kreeg. Dat weerhield koning Jamshid er echter niet van om zich te ontpoppen als een krachtdadige koning die wonderbaarlijke werken tot stand bracht.

De Profeet Zoroaster leefde mogelijk van ± 628 - 551 voor Christus, dus eeuwenlang voor de openbaringen van het Christendom en de Islám (vanaf 610 na Christus). Zijn volgelingen heten Zoroastriërs of Parsen. Hoewel een duidelijke datum of herkomst ontbreekt, gaat sommigen er vanuit dat het deze Profeet Zoroaster was, die het Naw-Rúzfestival introduceerde als onderdeel van Zijn godsdienst. Voor zijn volgelingen is het Naw-Rúz feest tot op heden nog steeds het heiligste van alle festivals en feesten op de kalender van hun religie.

Het Zoroastrische Naw-Rúzfeest is rijk aan fraaie symbolieken op persoonlijk vlak, maar ook in een veel bredere zin. Zoals de natuur zichzelf vernieuwt en de hardheid van de winter verdrijft, zo kan een gelovige in een persoonlijke context ook zijn 'oude ego' overwinnen en bepaalde spirituele aspecten van zijn leven tot vernieuwing en ontwikkeling brengen. Die persoonlijke vernieuwing kan uiteen lopen van bijv. het verlenen van een diepere zin aan iemands goede voornemens voor het nieuwe jaar tot aan een veel diepere geestelijke wedergeboorte. Maar ook kan iemand zich bijv. voornemen om vanaf Naw-Rúz zijn bijdrage aan het gemeenschapsleven op een hoger plan brengen, of zijn sociale of persoonlijke leven meer visie en inhoud te geven, etc. Zo'n persoonlijke renaissance kan dus een veelvoud aan vormen aannemen en zich uitstrekken naar talloze uiteenlopende aspecten in o.a. het spirituele, sociale, maatschappelijke en professionale leven.

De symbolieken rond de Naw-Rúzviering wijzen indirekt op de geestelijke missie van iedere gelovige tijdens dit aardse leven en op het feit dat spirituele verbetering altijd toewijding, inspanning en aktie vereist. Het is de taak van ieder mens om onophoudelijk te streven naar en te werken aan zijn of haar verheffing en het verwerven van uitmuntendheid, totdat die uitmuntendheid tenslotte blijvend bereikt wordt. Tijdens dit proces van geestelijke groei en vernieuwing dragen verheffende gedachten en mooie woorden weliswaar bij aan het proces, maar wezenlijke spirituele vooruitgang is alleen maar mogelijk door offers en door zuivere daden.

In een veel ruimere context strekt die symboliek van vernieuwing zich overigens ook uit tot de verwachting van een algehele en duurzame spirituele vernieuwing van onze hele wereld, waarvan Zoroastriërs aannemen dat die zich ergens in de toekomst zal gaan voltrekken. Zo'n vernieuwingsproces kun je vergelijken met de komst van de lente in de natuur. Voorafgaand aan de lente groeit het aantal uren van het daglicht en slinken de uren van de nacht, totdat tenslotte - na het aanbreken van de levengevende lente - het daglicht de duisternis grotendeels heeft verdrongen. Evenzo, zo gelooft men, zal het licht van wijsheid en gerechtigheid steeds verder toenemen totdat het tenslotte de duisternis van onwetendheid en kwaadwilligheid volledig zal verdringen. Die ontwikkeling naar een nieuw en zuiverder spiritueel leven op aarde zal gepaard gaan - zo beschrijven de Zoroastrische religieuze teksten, de Avesta - met het opstaan van rechtvaardige zielen.

Naast die mooie symbolieken, omringen ook praktische gebruiken de viering van Naw-Rúz. Daarin geeft men op een meer tastbare manier uitdrukking aan het thema van vernieuwing. Een stoffelijke opwaardering van het huis waarin men woont speelt daarbij een belangrijk rol. Dus, in de maanden voorafgaand aan de Naw-Rúzviering, onderwerpen velen hun huizen aan een grondige voorjaarsschoonmaak. Daarnaast kopen de feestvierders kleurige bloemen (hyacinten en tulpen zijn erg populair) en treffen ze voorbereidingen voor de feestelijke aankleding van de Naw-Rúztafel. Daaraan hecht men namelijk evenveel belang als een Christen aan het kopen en optuigen van een kerstboom. Afhankelijk van de te volgen traditie moet de Naw-Rúztafel zeven voorwerpen bevatten waarvan de namen beginnen met een "s" of "sh" en vaak decoreert men die tafel ook met vers ontkiemde granen als zinnebeeld van vernieuwing en groei.

Voor het Naw-Rúzfeest geven ouders hun kinderen nieuwe kleren, maar tegenwoordig kunnen ze hen soms ook andere giften geven, waaronder steeds vaker enveloppen met geld. Familie, buren en vrienden wisselen vreugdevol hun beste Naw-Rúzwensen uit en spreken daarbij hun vrome hoop uit dat het nieuwe jaar voor hen gunstig en succesvol mag verlopen. Zij geloven namelijk dat wat een persoon op Naw-Rúz doet van invloed zal zijn op de rest van het jaar. Dus, als men op die dag warm en vriendelijk is voor familie, vrienden en buren, dan zal het nieuwe jaar goed zijn voor die persoon. Aan de andere kant, als er conflikten en meningsverschillen zijn op Naw-Rúz, dan zal het een slecht jaar verlopen.

In sommige tradities kunnen Naw-Rúzvieringen en -festivals tot wel 13 dagen voortduren. Maar hoe het ook zij, Naw-Rúz staat in en om het huidige Iran al sinds vele eeuwen lang bekend als een nationaal festival, waarop de komst van het nieuwe jaar wordt gevierd.

Sinds 2009 staat Naw-Rúz ook vermeld op de Lijst van Meesterwerken van het Orale en Immateriële Erfgoed van de Mensheid. En in 2010 erkende de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties 21 maart als de Internationale Dag van Naw-Rúz en beschreef het als een lentefeest van Perzische oorsprong.

Wist je trouwens dat Naw-Rúz de enige grote feestdag is die door meer dan één religie wordt gevierd? Lees daarover maar eens verder.

25 maart: de oude nieuwjaarsvariant in Europa
Het boek Exodus uit het Oude Testament stelde in hoofdstuk 12, vers 1 en 2 vast dat de 1e dag van de Hebreeuwse maand Nisan tevens 1e dag van het nieuwe Hebreeuwse kalenderjaar moest zijn. Dit beginpunt van het nieuwe jaar wordt ook gebruikt voor het berekenen van de Joodse feestdagen op de kalender, zoals bijvoorbeeld de berekening van de datum van het Joodse Pasen.

De 1e Nisan wordt trouwens ook beschouwd als de verjaardag van de vorming van het Joodse volk toen het onder leiding van Mozes ontsnapte uit Egyptische onderdrukking en slavernij. Verder ziet men de 1e Nisan ook als het nieuwe kalenderjaar voor het tellen van de jaren van het bewind van de koningen in het oude Israël.

In meerdere opzichten is die 1e Nisan voor het Joodse volk dus een hele aparte dag. De datum van de 1e Nisan valt overigens meestal in het vroege voorjaar. Daarom is het logisch te verklaren dat deze dag in Europa, in vroegere eeuwen en millennia, over het algemeen ook gold als de 1e dag van het nieuwe kalenderjaar. Omdat die 25e maart aan het begin van de lente viel, het ultieme seizoen van vernieuwing en groei in de natuur, was die 25e maart gevoelsmatig een hele logische datum. Wist u trouwens, dat de Italiaanse steden Pisa en Florence tot op de dag van vandaag op 25 maart nog steeds nieuwjaarsvieringen organiseren?

Al die bovenstaande voorbeelden leggen dus een duidelijk verband tussen de vroegere nieuwjaarvieringen rond de maart-equinox in de 2e helft van maart en de uitstorting van nieuw leven in een volgende natuurlijke cyclus. Daarom beleefden vroeger vele stammen en volkeren op het noordelijk halfrond die tijd als een logisch beginpunt van een nieuw kelenderjaar. En kijken we naar het Europe van zo'n eeuw of 5 tot 6 terug, dan zien wij dat de Europese mogendheden van die tijd die nieuwjaarsdatum van 25 maart ook verspreidden onder hun eerste koloniën, nederzettingen, gebieden van intensieve handelspartners en andere landen die destijds onder hun invloed vielen.

25 maart: plaats op onze oude kalender en de namen van onze maanden
De oorspronkelijke Romeinse kalenderjaar begon vroeger in maart - met op de 25e dag het aanbreken van het nieuwe jaar - en kende slechts 10 maanden. En op de 10e en laatste maand van het jaar, december, volgde toen een naamloze winterperiode. Echter, in 672 voor Christus gaf keizer Numa Pompulius deze 2 maanden de namen januari en februari en dat werden dus respektievelijk de 11e en de 12e maand op de Romeinse kalender.
Vele namen van onze maanden danken wij aan de oude Romeinse kalender, waarin men maanden onder andere vernoemde naar goden, de plaats van de maand op de kalender en later ook nog naar een tweetal keizers.

De Romeinse kalender en de namen van de maanden zag er toen zo uit:

Maart: Deze 1e maand van het jaar is vernoemd naar Mars, de god van de oorlog; mogelijk omdat men de strijd, die 's winters meestal stil lag, in het voorjaar weer verder kon gaan voeren.
Mars is oorspronkelijk echter ook de god van de vegetatie. Na de winter komt de vegetatie in maart weer op, dus dat ook dat kan de naam van deze maand verklaren.

April: Men twijfelt over de herkomst van 'aprilis', zoals deze 2e maand in het Latijn heette. Misschien is ver het gezocht, maar via een Etruskisch woord kan men deze naam herleiden tot de naam Aphrodite, de godin van de liefde.
Er kan echter ook een verband bestaan met het woord 'aperire', dat 'openen' betekent, en dat kan duiden op de ontluikende natuur.
Een derde mogelijkheid is een verband met 'apricus', wat Latijn is voor 'door de zon beschenen'.

Mei: In de Romeinse mythologie is Maia, de moeder van Mercurius, de godin van de groei. Sommigen denken dat deze 3e maand naar haar vernoemd is; anderen vermoeden weer dat de naam van deze maand verwijst naar de god Jupiter, Maius, die groeikracht brengt. De namen Maia en Maius gaan beide terug op 'maior', wat 'groter' betekent.

Juni: Deze 4e maand is gerelateerd aan Juno, de beschermgodin van de vrouw, het huwelijk en de geboorte.

Juli: Geteld vanaf maart is deze maand de 5e maand was van het kalenderjaar. Oorspronkelijke heette deze maand dan ook quintilis, '5e', naar het woord 'Quinque', wat 5 betekent. Maar in 44 voor Christus noemde Julius Caesar zijn geboortemaand naar zichzelf en hij gaf die maand het maximaal mogelijke aantal dagen: 31. Zodoende ging de maand quintilis dus 'juli' heten.

Augustus: was de 6e kalendermaand (sex = Latijn voor hoofdtelwoord 6)
Tot 8 voor Christus heette deze maand sectilis of sextilis, ofwel '6e maand'. Keizer Augustus wilde echter, net als Julius Ceasar, een maand naar zichzelf vernoemen, maar omdat Julius Ceasar zelfs postuum nog zeer populair was in Rome, moest hij 2 consessies doen:
- Hij moest de maand van Julius Ceasar, juli, voor zijn eigen maand augustus dulden.
- Hij kon niet meer dagen in zijn maand stoppen dan de maand juli van Julius Ceasar. Daarom besloot hij dat beide maanden 31 dagen moesten tellen, het maximum aantal dagen dat destijds mogelijk was in een maand. Gevolg: februari moest daardoor een paar dagen inleveren.
Tussen haakjes, ons woord 'oogst' is overigens afgeleid van augustus.

September was de 7e kalendermaand (septem = Latijn voor hoofdtelwoord 7)

Oktober was de 8e kalendermaand (octo = Latijn voor hoofdtelwoord 8)

November was de 9e kalendermaand (novem = Latijn voor hoofdtelwoord 9)

December was de 10e kalendermaand (decem = Latijn voor hoofdtelwoord 10)

Januari: Deze 11e maand heet naar naar de Romeinse god Janus. Janus is de god van doorgangen, poorten en in- en uitgangen; ook in de tijd.
In algemene zin zagen de Romeinen Janus ook wel als de god van alle begin, en van de overgang van het oude naar het nieuwe. Meestal wordt Janus afgebeeld met 2 gezichten: een kijkt naar voren (naar de toekomst) en de andere naar achteren (naar het verleden). Men vernoemde deze 11e maand van het jaar naar hem omdat hij als het begin van een nieuwe periode werd beschouwd; het was immers de 1e maand na de winterse zonnewende rond 21 december, waarna de dagen weer gingen lengen.
Dat deze maand later de 1e maand van het jaar zou worden, heeft waarschijnlijk ook met deze associatie te maken.

Februari: De naam van deze maand stamt van het Latijnse 'februare': 'reinigen'. Letterlijk betekent het: 'de maand van het reinigingsfeest'. In deze 12e en laatste maand van het oude Romeinse jaar bracht men reinigingsoffers. Met die spirituele reinigingen was men daarna weer klaar om het nieuwe jaar in te gaan.

De nieuwjaarsviering op deze oude Romeinse kalender rond de 25e maart is een logische, want rond die tijd doordringt de lente de natuur altijd met nieuw leven en begint de natuur weer met een nieuwe levenscyclus van lente, zomer, herfst en winter.

1 januari: de huidige nieuwjaarsvariant in Europa
Tegenwoordig zou men echter vreemd opkijken van een dag in de tweede helft van maart als het begin van een nieuw kalenderjaar. Immers, men is al weer generaties lang vertrouwd met de 1e januari als nieuwjaarsdag. Toch gebruikt de westerse wereld die 1e januari pas relatief kort als nieuwjaarsdatum: eigenlijk pas sinds een paar honderd jaar. Hoe en waarom kwam die verandering dan tot stand?

De oorsprong van die drastische verandering van nieuwjaarsdag ligt in Frankrijk. In de 16e eeuw was het betere Franse kringen namelijk populair geworden om huwelijken, zakelijke kontrakten en dergelijke officieel in te laten gaan op 1 januari. Aangezien men in die kringen kontrakten meestal ook legaal bekrachtigde, had januari al gauw de bijnaam “louw-maand” gekregen, wat herleid kan worden tot het Engelse woord “law”, wat o.a. “wet”, “recht” of “orde” betekent.
Echter, die kontraktdatum van 1 januari bracht wel een heel onpraktisch neveneffect met zich mee. Begon een commercieel kontraktjaar in die tijd namelijk administratief gezien op 1 januari, dan liep het nog maar een paar maanden door tot aan het nieuwe jaar in eind maart. Vervolgens liep dat kontraktjaar verder in het volgende boekjaar totdat het na zo'n 9 maanden af liep, lang voor het einde van het kelenderjaar. Niet erg handig dus.
Een kontraktjaar dat gelijk is aan één boekjaar is veel handiger en overzichtelijker, dachten de Fransen, en daarom besloten zij in 1564 abrupt om niet alleen de zakelijke kontrakten op 1 januari te laten beginnen, maar voortaan ook het begin van het nieuwe kalenderjaar naar die datum te verschuiven.

Houdt die 'Franse' verandering misschien ergens nog een beetje verband met het verre verleden, toen de Romeinse republiek in 153 voor Christus bepaalde dat de ambtstermijnen van hun consuls voortaan op 1 januari moesten beginnen?
Of is januari wellicht vernoemd naar de god Janus, die men o.a. beschouwde als de god van een nieuw begin of een nieuwe periode? Immers, vanaf ± 21 december - na de winterse zonnewende - beginnen de dagen immers weer opnieuw langer te worden. Dus, ... wie weet?

In het begin stond Frankrijk met zijn verandering nog alleen, maar gaandeweg en met tussenpozen volgden andere Europese landen hun voorbeeld. De Spaanse landvoogd Requesens besloot in 1575 dat het nieuwe kalenderjaar officieel op 1 januari begon, en later, in 1691, bepaalde paus Innocentius XII dat de datum van 1 januari in de seculiere kalender als nieuwjaarsdag moest worden gevierd, wat natuurlijk voor de hele katholieke wereld gevolgen had. En zo volgde langzaam maar zeker het ene land na het andere. In 1700 ging Nederland als laatste West-Europese mogendheid schoorvoetend overstag. Vandaar dat het dus eigenlijk nog maar relatief kort geleden is, dat nieuwjaarsdag in Europa en haar invloedssferen op 1 januari valt.

Vanaf 1700 vierden alle Europeanen dus nieuwjaar op 1 januari, als de natuur nog in een diepe winterslaap verkeert. Vanuit dat oogpunt bezien is 1 januari dus een hele onnatuurlijke en dus ook een hele onlogische nieuwjaarsdatum.
De nieuwe Franse kalender beroofde, als het ware, de "ciifermaanden" van hun traditionele en natuurlijke plaats op de kalender; op hun nieuwe kalender komen de betekenis van de namen van de 'cipher maanden niet langer overeen met hun plaatsen op de kalender. En dat is ook onlogisch. Kijk zelf maar:
- "september" (sept betekent 7) de vroegere 7e maand werd nu de 9e maand,
- "oktober" (okto betekent 8) de vroegere 8e maand werd nu de 10e maand,
- "november" (novem betekent 9) de vroegere 9e maand werd nu de 11e maand en
- "december" (decem betekent 10) de vroegere 10e maand werd nu de 12e maand.
Er klopt dus geen jota van die nieuwe kalender. Maar goed, we doen het er maar mee.

Andere kalenders
In de westerse invloedssferen viert men tegenwoordig 1 januari als nieuwjaarsdatum; "zij weten niet beter", zullen we maar zeggen. Daar hanteert men tegenwoordig dus de Gregoriaanse (of z.g. “Christelijke”) kalender, die zonnejaren van 365,242 dagen kent.

We hebben echter vaak de neiging om te vergeten, dat naast die Gregoriaanse kalender, vele volkeren in de wereld nog hele verschillende kalenders gebruiken. Een van de reden van die andere kalenders is dat vele Profeten of Profetessen - in het Noord- en Zuid-Amerikaanse continent zijn er ook vrouwelijke Profeten geweest - een “nieuwe tijd” of “tijdgeest” in luidden, waarin men de tijd op een nieuwe manier ging bijhouden. En dat gebeurde dan o.a. door middel van een hele andere dan de daarvoor gebruikelijke kalender.

Boeddhisten en Hindoeïsten hebben ieder hun eigen kalenders en ook de Joden, die het Judaïsme belijden, houden al sinds ± 1500 jaren voor het ontstaan van het Christendom officieel een eigen kalender bij. Daarom liggen de Joden qua aantallen kalenderjaren straatlengten voor op de Christenen.

De Islám stamt uit de 7e eeuw na Christus. Vanaf 622 na Christus houden de islamieten een maankalender bij, die 354,367 dagen telt. Inderdaad, Islamitische maanjaren duren korter dan Christelijke zonnejaren, want een zonnejaar is, om precies te zijn, 1.03069 maanjaren lang. Het verschil in de lengte van maan- en zonnejaren is de reden, dat bijvoorbeeld het islamitische nieuwjaar en de vastenmaand ramadan elk jaar weer in een andere periode vallen ten opzichte van voorgaande jaren.

Een andere bekende kalender stamt uit China. Op de meest onverwachte dagen onthalen de tv-stations ons op feestelijke beelden uit het verre Azië en tonen ze ons gigantische massa’s feestende Chinezen, knalrode slierten exploderend vuurwerk en kleurrijke draken die, gedragen door tientallen mensen, met klepperende kaken door overvolle straten meanderen. De Chinese kalender is een maankalender, dus ook een Chinees jaar duurt korter dan een jaar op onze zonnekalender.

Sommige volkeren, zoals de Maya's, hanteren een wel hele complexe kalenderstructuur die zij baseerden op de cycli van de natuur, de microkosmos en de macrokosmos. Die Mayaanse kalender telt dan ook niet minder dan 9 verschillende cycli waarvan de laatste en allergrootste cyclus - de alautun cyclus - de onvoorstelbare periode overbrugt van 63.081.429 jaren, ofwel 23.040.000.000 dagen.

Een wel heel sterk afwijkende kalender is de astronomische kalender. Een Platonische maand duurt namelijk 2160 zonnejaren ofwel 2226,3 maanjaren. Als je volgens die kalender zou leven, dan moet je wel ontzettend veel geluk hebben, wil je ooit in je leven een keer nieuwjaar kunnen vieren.

Al die verschillende kalenders hebben als praktisch gevolg dat vele volkeren hele andere dagen op de kalender hebben staan, als wij 1 januari 2016 vieren. Op die bepaalde dag staat bijvoorbeeld de Juliaanse kalender nog op 19 december 2015, wijst de Hebreeuwse kalender 20 Teveth 5776 aan, is het bij de Moslims 20 Rabi'al-Awwal 1437, kunnen de Chinezen de 22e dag van de 11e maand van het jaar 4713, dat tussen haakjes de jaarnaam Yi Wei (schaap) draagt, op hun kalender afstrepen en hebben vele andere volkeren allerlei andere dagen, maanden en jaren op hun kalender staan.

± 21 maart: een nieuwe impuls uit het Midden-Oosten
Weet u het nog? In haar oude geschiedenis - en dat was zo'n 2.500 jaar geleden - verscheen de Profeet Zoroaster in het oude Perzië.
Deze gebeurtenis markeerde de opkomst van een verfijnde Zoroastrische cultuur, die uiteindelijk resulteerde in een uitgestrekt en machtige Perzische rijk met een grote beschaving. Op zijn hoogtepunt, strekte het Perzische rijk zich uit van Egypte tot delen van India. Daarom vieren op de dag van de lente-equinox, meestal rond 21 maart, veel inwoners van deze landen nog steeds Naw-Rúz, het aanbreken van het nieuwe natuurlijke jaar, als een groot seculier cultureel festival.
Deze gebeurtenis luidde de opkomst in van een grote Zoroastrische cultuur, die uiteindelijk resulteerde in een groot en machtig Perzisch rijk met een geweldige beschaving, dat zich op zijn hoogtepunt uitstrekte van Egypte tot aan delen van India toe. Daarom vieren vele ingezetenen van die landen nog steeds Naw-Rúz, het aanbreken van het nieuwe jaar, als een groot seculier cultureel festival.

Maar het vroegere Perzië, dat vandaag de dag Iran heet, viel in haar recente geschiedenis alweer zo'n grote eer te beurt van de geboorte van een profeet binnen haar landsgrenzen. Tot tweemaal toe zelfs!
De eerste van die twee profeten was de Báb (betekenis: de 'Poort'), de Stichter van het Bábí-geloof. Hij werd geboren op 20 oktober 1819, openbaarde zich volgens vele profetiën uit allerlei godsdiensten in 1844, en stierf na een leven vol vervolgingen en lijden op 9 juli 1850 de marteldood (Zijn leven vertoonde opmerkelijke gelijkenissen met dat van Jezus).
De tweede Profeet van God was Bahá'u'lláh (vertaling 'Glorie van God'). Hij kwam ter wereld op 12 november 1817 in Teheran, verkondigde Zijn missie officieel in 1863 en overleed na een leven van lijden, gevangenschap en gedwongen ballingschappen op 29 mei 1892 in Israël. Het Bahá'í-geloof is naar Bahá'u'lláh vernoemd; Bahá'í betekent volgeling van Bahá'u'lláh.

Elke religie hanteert zo zijn eigen specifieke feestdagen en heilige dagen, en ook het Bahá'í-geloof kent een eigen kalender. De Báb openbaarde namelijk de 'Badí'-kalender' en Bahá’u’lláh bekrachtigde deze nieuwe kalender. De 'Badí'-kalender' is gebaseerd op een zonnekalender van 365 dagen, 5 uren en iets meer dan 50 minuten. Het jaar bestaat uit 19 maanden van 19 dagen (d.w.z. 361 dagen), aangevuld met vier extra dagen (vijf in een schrikkeljaar).

Voor alle Bahá'ís over de hele wereld begint de Badí'-kalender met de feestelijke viering van Naw-Rúz, het punt van de lente-equinox en het begin van het natuurlijke nieuwe jaar. Meestal valt die dag op 21 maart, maar soms ook een dag of zo vroeger of later.
Vanaf de vele oude landbouwculturen op het noordelijk halfrond, die duizenden jaren geleden ooit begonnen met de viering van het nieuwe jaar op de dag van de lente-equinox, tot aan de Bahá'ís die hun recent geopenbaarde nieuwjaars op diezelfde dag viering, zijn we, zoals dat in het Engels heet, 'full circle' gegaan. Wederom, net als in het grijze verleden, speelt de lente-equinox weer zijn logische rol op de kalender als begin van het nieuwe jaar.

Wereldwijd vieren echter niet alleen de aanhangers van het oude Zoroastrisme en het nieuwe Bahá'í-geloof Naw-Rúz, maar die dag is ook een heilige dag voor de Soefi's, de Ismaïli's (de tweede grootste afsplitsing van de Shia Islam), de Alawieten, de Alevieten en de overgebleven Bábís, die niet opgingen in het Bahá'í-geloof. Daarmee is naar mijn weten Naw-Rúz wereldwijd de enige feestdag die officieel door meerdere religies wordt gevierd.

Naw-Rúz is voor de Bahá'ís een vreugdevolle tijd en voor hen staat die dag in het teken van festiviteiten en gastvrijheid. Naw-Rúz is een van de Bahá'í heilige dagen, waarop de Bahá'ís geen werk verrichten. Zoals dat bij alle Bahá’í heilige dagen het geval is zijn er weinig vaste regels voor de viering van Naw-Rúz. Bahá’ís over de hele wereld vieren het daarom vaak volgens plaatselijk gebruik.

Voor een informatieve video over de Badí'-kalender kunt u op YouTube de [Engelstalige] link https://www.youtube.com/watch?v=QtfvzI3TofMopzoeken om uw licht verder op te steken. Veel kijkplezier gewenst.

Waarom het nieuwe Bahá'í-geloof?
Als we naar de geschiedenis van de mensheid kijken, dan zien we dat de mens zich gaandeweg alsmaar verder ontwikkelde en dat hij - naarmate zijn ontwikkeling vorderde - in steeds grotere 'sociale cirkels' samen leefde. Eerst vormde hij met slechts enkele dozijnen een ronddolende groep van jagers en verzamelaars. En vervolgens leefde hij samen met groepen families en stamgenoten. Nadat ± 12.000 jaar geleden de landbouw was uitgevonden, kon de mens zijn nomadische bestaan opgeven en dorpen en steden stichten; ommuurde stadstaatjes, als het ware, want meer was het vaak niet. Vanuit een basis van stadstaatjes (herinnert u zich de 'stadhouders' nog uit onze Nederlandse geschiedenis?) trok de mens weer grotere cirkels om zich heen en leerde hij naties te vormen, een proces dat globaal gezien nog maar relatief kort achter ons ligt. Nu werken clusters van naties alweer samen als economische en strategische belangengroepen en de volgende logische cirkel die de mensheid als leefgemeenschap om zich heen moet trekken is ... u raadt het al ... onze hele planeet.

Elk van die stadia van menselijke ontwikkeling, elke grotere sociale cirkel, vergde zo zijn eigen manieren van denken en organiseren, en van het overkomen van de moeilijkheden die nu eenmaal met groeiprocessen gepaard gaan. Stelt u zich eens voor wat er voor een eenmanszaak aan tijd, kennis, mentaal en organisatorisch vermogen nodig is om uit te groeien tot een succesvolle multi-national, en u krijgt wellicht ook een idee van wat de mensheid aan tijd, kennis en mentale en organisatorische vermogens nodig had om te groeien van die eerste primitieve stadia naar haar huidge geavanceerde vorm van ontwikkeling, en wat er nog nodig is om de uiteindelijke stap naar wereldeenheid te zetten.

Echter, de mensheid is nu onderweg naar wereldeenheid, een stadium die nu onder ons handbereik ligt en waarvan de heilige boeken van sommige religies al vele eeuwen geleden voorspelden dat die gerealiseerd zou worden. Misschien dat de beeldspraak "één kudde en één herder", het tijdperk waarin de mensheid één zal zijn geworden, ergens een belletje laat rinkelen?
De mens probeert dat stadium van wereldwijde eenheid alvast een beetje vrijblijvend uit met de oprichting van de Verenigde Naties, maar we weten allemaal dat de talrijke gebreken in haar fundament het in haar huidige vorm onmogelijk maken daar uiteindelijk iets zinnigs en duurzaams op te bouwen.

Wij zitten nu in de overgang van het 'tijdperk van voorspellingen' naar het 'tijdperk van vervulling' en dat betekent niets meer en niets minder dan dat wij bewust of onbewust nu bezig zijn met het vestigen van wereldeenheid op aarde.
Daar zijn echter 2 dingen voor nodig:
1. De technologische kennis om de wereld tot een materiële eenheid te smeden.
Wie de menselijke geschiedenis en haar wetenschappelijke en technologische ontwikkeling goed bestudeert, ziet dat je die materiële vooruitgang in een grafiek kunt plaatsen als een hele flauwe stijgende lijn. Dan, plotseling, rond de komst van de Báb en Bahá'u'lláh, buigt die lijn scherp omhoog en schiet nu bijna loodrecht de grafiek uit. Zo breed is het terrein van wetenschappelijke en technologische vooruitgang en zo snel haar vorderingen, dat de kennis van de mens tegenwoordig per decennium verdubbelt. Nooit eerder in de geschiedenis maakte de mens zo'n ongelofelijke vooruitgang is zo'n korte tijd; het veranderde onze planeet in een "global village".
Het Oude Testament staat vol met voorspellingen over de tijd waarin wij nu leven. Bijvoorbeeld, in Daniël 12:4 lezen wij over "den tijd van het einde", een tijd waarin "de wetenschap zal vermenigvuldigd worden."
2. De spirituele, mentale en morele kennis die dit proces van eenwording vereist.
Echter, wat is al die materiële ontwikkeling waard, als de mens - wegens gebrek aan spirituele, mentale en morele kennis - geen evenwicht kan geven aan die stoffelijke vooruitgang?
Dus - verschenen precies volgens vele profetieën uit de Bijbel en andere heilige geschriften - eerst de Báb en daarna Bahá'u'lláh. Zij vulden de mensheid met nieuwe capaciteit om de mens in staat te stellen wereldeenheid te bereiken. Hoe? Door het verstrekken aan de 'vogel van de menselijke vooruitgang' niet alleen een vleugel van wetenschap en techniek, maar ook een even sterke spirituele vleugel. Zonder die geestelijke vleugel is substantiële menselijke vooruitgang niet mogelijk; de 'vogel van de menselijke vooruitgang' zouden nooit in staat zijn te vliegen.
De Bahá'í-geschiedenis telt 75 jaar van openbaring en dat vulde de aarde, zoals Jesaja 11:9 al voorspelde "vol van kennis des Heeren", "gelijk de wateren den bodem der zee bedekken."

Vandaag de dag lijkt de wetenschappelijke en technologische vooruitgang van de mens als het ware op een oncontroleerbare lawine. Dagelijks overspoelen nieuwe uitvindingen de markten, de kogellagers van de consumentenmechanismen lopen roodgloeiend aan, de voorraden van sommige grondstoffen beginnen nu al op te raken en we vervuilen ons wereldwijde milieu tot aan de grens van zelfvernietiging toe.
De nu al gapende kloof tussen rijk en arm verbreedt elke minuut nog steeds verder en het gros van de mensheid werkt als 'slaaf' van het 'grote geld'.
In de huidige wereld worden matigheid, redelijkheid, eerlijkheid, integriteit, naastenliefde en vele andere goede eigenschappen steeds zeldzamer; vrede, veiligheid, gemoedsrust en welzijn worden steeds zeldzamer.

De wereld raast met toenemende snelheid op een splitsing af waarop twee pijlen staan waaruit wij moeten kiezen:
1. Geen wereld.
Die pijl wijst rechtdoor, naar de neergaande weg waar we al op rijden, en waarvan we weten dat die - ergens in de verte - ons over de rand van een afgrond voert.
2. Één wereld.
Hier moeten wij afbuigen en een andere weg nemen. Een nieuwe weg met nieuwe keuzes, met – toegegeven – misschien een wat lastiger overgangsfase, maar wel een waarvan we weten dat die ons uiteindelijk toch een veel betere toekomst zal bieden.

Welke weg zal de mensheid nemen?
Welke weg kiest u?

Onze keuzes van vandaag bepalen hoe wij onze planeet achter laten voor onze kinderen en hun kinderen. Onwillekeurig dringt dan de vraag aan ons op: hoe zullen die toekomstige generaties ons zien? En hoe zullen zij aankijken tegen de keuzes die wij wel of niet maakten voor hun veiligheid, vrede, liefde en welvaart?
Dus moeten wij ons afvragen: wat voor spirituele, mentale en morele kennis, mentaliteit en maatstaven kunnen wij hen bieden om het zo te houden? Zeker in onze tijd zijn dat vragen die wij ons zouden moeten stellen. En waarop we snel antwoorden moeten vinden, voordat het te laat is.

Jesaja had al een goed idee van de soort van kennis die wij nodig hebben, want in hoofdstuk 11:9, sprak hij al over de eindtijd en over de openbaring, de spirituele, mentale en morele "kennis des Heeren", die dan "gelijk de wateren den bodem der zee bedekken".

De apostel Johannes had het in het Bijbelse boek Openbaring ook breedvoerig over 'de tijd van het einde' en de de adembenemende gebeurtenissen die dan plaats zouden vinden. Het zou een tijd zijn van een enorme transitie, waarin God de mensheid een nieuwe openbaring zou sturen, die Johannes cryptisch omschreef als: ". . . de boom des levens, voortbrengende twaalf vruchten" [Openbaring 22:2]; doelende op de twaalf [hoofd]principes die de nieuwe religie zal kenmerken.
Ook in Openbaring 21:19-20 voorspelde Johannes een nieuwe openbaring in de eindtijd; de nieuwe 'stad van God', het 'nieuwe Jeruzalem' dat symbolisch vanuit den hemel van God zou neerdalen op de mensheid. En Johannes onthulde dat 'de stad' van die nieuwe openbaring veilig zou rusten op twaalf [hoofd]principes, op 'twaalf kostbare hoekstenen'.

De komst van Bahá'u'lláh deed vele Bijbelse profetieën in vervulling gaan en Hij voldoet ook aan deze twee profetieën van de hoeveelheid kennis en van de twaalf principes. Zijn openbaringen zijn namelijk zeer talrijk - Hij openbaarde tientallen nieuwe boeken - en Zijn openbaringen rusten ook op 'twaalf hoekstenen', twaalf basisprincipes. 'Abdu'l-Bahá, Bahá'u'lláh's oudste zoon en aangewezen uitlegger van Zijn geschriften, omschrijft die twaalf [hoofd]principes als volgt:
1. Het eerste basisprincipe is "De eenheid van de mensheid ". Er is maar één ras en dat is het menselijk ras. God kijkt niet naar verschillen in tint en kleur; Hij kijkt naar het hart ".
De eerste hoeksteen is de jaspis; het is helder, net als de kleur van het hart. "De kleur van het hart is één." In de oudheid werd het ook wel de bloedsteen genoemd.
2. Het tweede principe is "Onafhankelijk onderzoek naar de waarheid". D.w.z. dat ieder vrij moet zijn om op zijn eigen manier naar de waarheid te zoeken.
Het tweede hoeksteen, de saffier, is helder blauw, de kleur van het geloof, inspiratie, loyaliteit en waarheid. De mens moet vrij zijn om te zweven in deze koepel van de hemelse blauwe waarheid en met zijn eigen ogen zien.
3. Het derde principe is "De basis van alle godsdiensten is één". Elke Goddelijke Boodschapper openbaarde dezelfde middelen om de "nieuwe hemel en de nieuwe aarde" te bereiken, maar de mens verlaagde deze goddelijke wetten en legde ze verkeerd uit. In werkelijkheid zijn ze echter allemaal één.
De derde hoeksteen, de chalcedoon, is zuiver wit, waarvan 'Abdul-Bahá zei: Terwijl het duidelijk wit van kleur is, zitten daar toch de zeven [spectrum]kleuren in verborgen. In de kleur wit zijn alle kleuren broeders en zusters.
Wit is het symbool van zuiverheid, en in zijn oorsprong is elke religie puur, en een broeder voor elke andere religie. Waarheid kan nooit vijandig jegens zichzelf, noch met in tegenspraak met zichzelf zijn, want alle waarheid is één.
4. Het vierde basisprincipe is 'Religie moet de oorzaak van eenheid zijn". Als het dat niet zou zijn, dan zou het niet-bestaan van religie beter dan zijn bestaan.
De vierde eerste steen, de smaragd, is groen. Groen is de kleur van harmonie en eenheid. Er is geen kleur bekend waarmee groene niet in harmonie kan zijn, zoals groene loof combineert met welke kleur van bloemen dan ook. Groen is de kleur van de onsterfelijkheid alsmede van nederigheid.
5. Het vijfde basisprincipe is "Godsdienst moet in overeenstemming zijn met wetenschap en rede". De een moet de andere niet afwijzen. Zij moeten samen over deze verenigde snelweg [naar de waarheid] reizen en samen aan een betere wereld bouwen.
De vijfde hoeksteen, de sardonyx, is rood en bruin, in lagen opgebouwd of meestal met wit vlekjes, afhankelijk van de manier waarop men hem houdt. Zo is het ook met de wetenschap en religie; zij zijn in wezen één, maar zij verschillen in kleur of voorkomen. Vandaag de dag zijn ze dichter bij elkaar komen bij het bouwen van een betere wereld voor de hele mensheid.
6. Het zesde principe is "De gelijkwaardigheid van man en vrouw". Zij moeten zijn als twee vleugels van een vogel, elk even sterk ontwikkeld. Dit werd nog niet onderwezen door de profeten van het verleden.
De zesde hoeksteen, de sardonix, is een stenen die meestal uit twee lagen is opgebouwd. De witte en rode lagen representeren het symbool van twee-eenheid, die eensgezind de vooruitgang van de mensheid bevorderen.
7. Het zevende basisprincipe is "Het wegwerken van alle vooroordelen"; religieuze, raciale, nationale, politieke vooroordelen, enz.
De zevende hoekteen, de pure chrysoliet, is prachtig helder, doorschijnend, licht getint groen. We vinden verwijzingen naar het Chrysolieten Tablet in oude geschriften. Bahá'u'lláh onthulde het Chrysolieten Tablet waarin Hij de afschaffing van alle vooroordelen benadrukt ...
Chrysoliet is het symbool van absolute oprechtheid en waarachtigheid, zuiverheid en onbaatzuchtigheid. Alleen wanneer onze harten gezuiverd worden en vrij zijn van elke vorm van vooroordeel, kunnen ze uitgegroeien tot de chrysolite tabletten, waarop onze meest verheven gedachten, gedragingen en motieven kunnen worden gegraveerd.
8. Het achtste basisprincipe is "Universele Vrede".
De acht hoeksteen, de turkoois, is licht groenachtig blauw, een beetje zoals de toppen van de oceaangolven, opgestuwd naar hun hoogste punt. Het is het blauw van trouw en loyaliteit aan onze menselijke broeders, het groen van de eenheid en nederigheid, harmonieus versmeltend tot één geheel, als een mooi boeket van delicate bloemen. Als deze innerlijke vrede in de harten van de mens wordt gevestigd, zal Universele Vrede ook gevestigd worden.
9. Het negende basisprincipe is "Universal Opvoeding".
De negende hoeksteen, de topaas, de heerlijkheid van de zon, is symbolisch voor het licht van kennis en de heerlijkheid van de wijsheid die universeel onderwijs in de wereld moet brengen, wanneer de gouden topaas, het licht van de leer van Bahá'u'lláh, wordt begrepen en nageleefd. De verlichting van het onderwijs moet het fundament van de Nieuwe Wereldorde worden.
10. Het tiende basisprincipe is "De geestelijke oplossing van het economisch probleem."
De tiende hoeksteen, de chrysopraas, is als ondoorzichtig chrysoliet, een groenachtige tint die waarachtigheid, rechtvaardigheid, oprechtheid en zuiverheid van het hart aangeeft; Dit zijn de voorwaarden die nodig zijn voor de middelen voor het oplossen van alle economische problemen. Ze worden opgenomen in de Gouden Regel: "Doe aan anderen wat gij wilt dat ze ook aan u moeten doen" en in de nieuwe Gouden Regel "Gij zult uw naaste meer liefhebben dan uzelf."
11. Het elfde basisprincipe is "Een universele taal".
De elfde hoeksteen, de hyacinth [een rode variëteit van zirkoon], is een beetje zoals de jaspis, of bloedsteen, en is rozerood, de kleur van het hart. Zo is de tint van het hart en van de lippen één. Een ras kan alleen het hart van een ander ras begrijpen als ze dezelfde taal spreken. Een internationale instantie zal een geschikte taal selecteren om door alle volkeren van de wereld te worden gebruikt als een hulptaal.
12. Het twaalfde principe is "Een internationaal tribunaal", een 'Universeel Huis van Grechtigheid' of het 'Parlement van de mannen'.
De twaalfde hoeksteen, de amethist, is violet. Het symboliseert geestelijk licht, het helen, sereniteit, rechtvaardigheid en eerbied.
Dit internationale tribunaal moet zijn als de ultraviolette stralen voor de "genezing van de natie". En het moet met alle eerbied voor het Opperwezen geestelijke verlichting en leiding zoeken, zodat het zijn hoge bestemming mag vervullen van het vestigen van veiligheid, rechtvaardigheid en sereniteit voor de naties van de wereld en voor de harten van alle mensen.
Het Universele Huis van Gerechtigheid voor het eerst werd opgericht in 1963 en is bestemd om de laatst overgebleven citadel te worden in een wankelende wereld. Wanneer zijn geuren voldoende zijn verspreid zal het vrede, rechtvaardigheid en overeenstemming brengen tussen de volkeren van de wereld.

Op dit veilige en zekere fundament, deze kombinatie van hoekstenen, werd het "Nieuwe Jeruzalem", de nieuwe openbaring, door Bahá'u'lláh opgetrokken. Als ik om mij heen kijk, dan zie ik in de hele wereld geen enkel ander fundament dat de eenheid van de mensheid kan bereiken en dragen, behalve deze twaalf sterke hoekstenen van Bahá'u'lláh! Er is geen enkele behoefte van de mens, zij het lichamelijk, geestelijk of spiritueel, waaraan niet door de nieuwe leringen van Bahá'u'lláh tegemoet is gekomen. En als ze door de mensheid volledig ingevoerd zullen worden, dan zullen alle volkeren der aarde zich daar inderdaad in verheugen.

1 januari, nieuwjaar. Kijk je op die dag vanuit je warme huis naar het koude buiten, dan wijst er niets op een nieuw jaar; de natuur verkeert nog in een diepe winterslaap.

Ik ben echter van mening dat er met de openbaringen van de Báb en Bahá'u'lláh geestelijk gezien wel degelijk een nieuwe 'dag van God' is aangebroken. Hun openbaringen zetten de mens op koers naar de volgende en laatste fase van sociale ontwikkeling: wereldeenheid. In slechts 200 jaar is dat wetenschappelijk en technologisch gezien al gerealiseerd, maar in onze geest moeten we spiritueel, mentaal en moreel we nog vorm en inhoud geven aan deze nieuwe realiteit. De openbaringen van de Báb en Bahá'u'lláh verstrekken ons de handleiding om dat te kunnen doen. Misschien ging de zon van de openbaring op achter de horizon van ons vroegere waarnemingsvermogen, maar nu glimmert de schemering van hoop, warmte en eenheid voor iedereen zichtbaar aan de horizon. Op http://bahai.com/ kunt u uw licht verder opsteken.

Hoe en wanneer u ook uw nieuwjaar viert, moge het u de visie, de energie en de groei geven, om u dichter te brengen bij de verwezenlijking van uw persoonlijke doelen en bij betere tijden voor heel de mensheid.