Beginselen



http://www.erfan.cz/nl/view.php?cisloknihy=2007040601


`Abdu'l-Bahá,  tijdens zijn verblijf in Parijs van oktober tot december 1912


41. HET EERSTE BEGINSEL 
HET ZOEKEN NAAR DE WAARHEID 
Avenue de Camoens 4,

10 november

Het eerste beginsel van de Leer van Bahá'u'lláh is het zoeken naar de waarheid.

Wil een mens slagen in zijn zoeken naar de waarheid dan moet hij in de eerste plaats zijn ogen sluiten voor alle traditionele bijgeloven uit het verleden.

De Joden hebben traditionele bijgelovigheden, die Boeddhisten en de Zoroastriërs zijn er niet vrij van en de Christenen evenmin! Alle religies zijn allengs geketend aan traditie en dogma.

Allen beschouwen zich respectievelijk als de enige behoeders van de waarheid, en denken dat iedere andere religie uit dwalingen bestaat. Zelf hebben zij gelijk, alle anderen hebben ongelijk! De Joden geloven de enigen te zijn die de waarheid bezitten en zij veroordelen alle andere religies. De Christenen verzekeren dat hun religie de enige ware is en dat alle andere vals zijn. Allen beperken zich tot zichzelf, de Boeddhisten en de Moslems eveneens. Als allen elkaar veroordelen, wààr moeten wij dan zoeken naar de waarheid? Daar allen elkaar tegenspreken, kunnen ze geen van allen waar zijn. Als een ieder gelooft dat zijn eigen religie de enig ware is, sluit hij zijn ogen voor de waarheid van de andere religies. Als bijvoorbeeld een Jood gebonden is aan de uiterlijke vormen van de godsdienst van Israël, staat hij zichzelf niet toe in te zien dat er waarheid kan bestaan in enige andere religie; alles moet vervat zijn in zijn eigen religie!

Daarom moeten wij ons losmaken van de uiterlijke vormen en gebruiken van godsdiensten. Wij moeten ons ervan bewust zijn, dat deze vormen en gebruiken, hoe mooi ook, slechts omhulsels zijn die het warme hart en de levende ledematen van Gods waarheid bekleden. Wij moeten afstand doen van de vooroordelen die op traditie berusten, willen wij erin slagen de waarheid te vinden in de kern van alle religies. Als een Zoroastriër gelooft dat de zon God is, hoe kan hij zich dan verenigen met andere religies? Zolang afgodendienaren in allerlei afgoden geloven, hoe kunnen zij dan de eenheid van God begrijpen?

Het is daarom duidelijk dat, teneinde enige vordering in het zoeken naar de waarheid te maken, wij bijgeloof moeten opgeven. Zouden alle zoekers dit beginsel volgen, dan zouden zij een duidelijk beeld van de waarheid verkrijgen.

Als vijf mensen samenkomen om naar de waarheid te zoeken, moeten zij beginnen al hun eigen speciale omstandigheden en alle vooropgezette ideeën op te geven. Willen wij de waarheid vinden, dan moeten wij onze vooroordelen en onze eigen onbelangrijke, onbeduidende denkbeelden opgeven; essentieel is een open, ontvankelijke geest. Als onze kelk vol is met het eigen ik, dan is er voor het water des levens geen plaats meer. Het feit dat wij ons inbeelden gelijk te hebben en ieder ander ongelijk, is de grootste hinderpaal op de weg naar eenheid, en eenheid is noodzakelijk, willen wij tot de waarheid komen, want de waarheid is één.

Daarom is het noodzakelijk afstand te doen van onze persoonlijke vooroordelen en vormen van bijgeloof, willen wij in alle ernst zoeken naar de waarheid. Tenzij wij in gedachten onderscheid maken tussen dogma, bijgeloof en vooroordeel enerzijds en waarheid anderzijds, kunnen wij daar niet in slagen. Zijn wij in ernst op zoek naar iets, dan zoeken wij er overal naar. Dit beginsel moeten wij uitvoeren bij ons zoeken naar de waarheid.

Wetenschap moet worden aanvaard. Geen enkele waarheid kan in strijd zijn met een andere waarheid. Licht is goed in welke lamp het ook schijnt! Een roos is mooi in welke tuin zij ook bloeit! Een ster heeft dezelfde schittering of ze nu vanuit het oosten of vanuit het westen schijnt. Weest vrij van vooroordeel, want zo zult u de Zon van Waarheid liefhebben vanuit welk punt aan de horizon hij ook mag opkomen! U zult zich realiseren dat, als het goddelijke licht van waarheid in Jezus Christus scheen, het ook in Mozes en in Boeddha scheen. De ernstige zoeker zal tot deze waarheid komen. Dit nu wordt bedoeld met `het zoeken naar de waarheid.'

Het betekent óók, dat wij bereid moeten zijn alles uit de weg te ruimen wat wij voordien hebben geleerd, alles wat onze schreden op de weg naar waarheid zou belemmeren. Wij moeten er niet tegenop zien om, zo nodig, onze opvoeding geheel opnieuw te beginnen. Wij moeten niet toestaan dat onze liefde voor een religie of een persoonlijkheid onze ogen dermate verblindt dat wij gekluisterd worden door bijgeloof! Wanneer wij ons van al deze banden hebben bevrijd en met een vrije geest zoeken, dan zullen wij in staat zijn ons doel te bereiken.

`Zoekt de waarheid, want de waarheid zal u vrij maken.' Op deze wijze zullen wij de waarheid zien in alle religies, want alle bevatten waarheid en de waarheid is één!

 


42. HET TWEEDE BEGINSEL 
DE EENHEID DER MENSHEID 
11 november

Gisteren sprak ik over het eerste beginsel van de Leer van Bahá'u'lláh, `Het zoeken naar de waarheid' en hoe nodig het is dat een mens alles wat het karakter van bijgeloof heeft van zich afzet, evenals iedere traditie die zijn ogen verblindt voor het bestaan van waarheid in alle religies. Hij moet zich niet toestaan alle andere religies te verfoeien, terwijl hij één vorm van religie liefheeft en zich daaraan vastklampt. Het is essentieel dat hij in alle religies naar de waarheid zoekt en, als zijn zoeken in ernst plaatsvindt, zal hij zeker slagen.

Nu voert de eerste ontdekking die wij in ons `zoeken naar de waarheid' doen ons naar het tweede beginsel wat de `eenheid der mensheid' is. Alle mensen zijn dienaren van de ene God. Er is één God Die over alle landen der aarde heerst en behagen schept in al Zijn kinderen. Alle mensen behoren tot één familie; de kroon van de mensheid rust op het hoofd van ieder mens.

In de ogen van de Schepper zijn al Zijn kinderen gelijk; Zijn goedheid wordt over allen uitgestort. Hij begunstigt niet het ene land boven het andere land, allen zijn evenzeer Zijn schepselen. Daar dit zo is, waarom zouden wij dan verdeeldheid scheppen door het ene ras van het andere te scheiden? Waarom zouden wij dan muren van bijgeloof en traditie opwerpen, daarmee disharmonie en haat tussen de volkeren veroorzakend?

Het enige verschil tussen de leden van de mensenfamilie is een gradueel verschil. Sommigen zijn als kinderen die onwetend zijn en moeten worden opgevoed tot zij volwassen zijn. Anderen zijn als zieken en moeten met tedere zorg worden behandeld. Geen van hen is slecht of kwaadwillig! Wij moeten ons niet laten afstoten door deze arme kinderen. Wij moeten hen bijzonder vriendelijk bejegenen door de onwetenden te onderrichten en de zieken liefdevol te verzorgen.

Overweegt: Eenheid is noodzakelijk voor het bestaan. Liefde is de eerste oorzaak van leven, aan de andere kant veroorzaakt scheiding de dood. In de wereld van de stoffelijke schepping bijvoorbeeld, hebben alle dingen hun leven te danken aan eenheid. De elementen waaruit hout, mineralen of steen zijn samengesteld, worden door de wet van de aantrekkingskracht bij elkaar gehouden. Zou deze wet één moment buiten werking zijn, dan zouden deze elementen niet langer bij elkaar worden gehouden en uit elkaar vallen, en het voorwerp zou in die bepaalde vorm ophouden te bestaan. De wet van de aantrekkingskracht bracht bijvoorbeeld bepaalde elementen bij elkaar in de vorm van deze mooie bloem, maar wanneer die aantrekkingskracht er aan onttrokken wordt, zal de bloem tot ontbinding overgaan en als bloem ophouden te bestaan.

Zo is het ook met het prachtige lichaam der mensheid. De wonderbaarlijke wet van de aantrekkingskracht, harmonie en eenheid houdt deze schitterende schepping bijeen.

Zoals dit het geval is met het geheel, zo vergaat het de delen. Of het nu een bloem is of een menselijk lichaam, wanneer het beginsel van aantrekking eraan wordt onttrokken, sterft de bloem of de mens. Het is dus duidelijk, dat aantrekking, harmonie, eenheid en Liefde de oorzaak zijn van leven, terwijl daarentegen afkeer, disharmonie, haat en scheiding de dood ten gevolge hebben.

Wij hebben gezien dat alles wat verdeeldheid brengt in de bestaanswereld de dood veroorzaakt. Evenzo is in de wereld van de geest dezelfde wet van kracht.

Daarom moet iedere dienaar van de ene God gehoorzaam zijn aan de wet der liefde en alle haat, disharmonie en strijd vermijden. Wij zien bij het gadeslaan van de natuur, dat de tamme dieren kuddes en roedels vormen, terwijl daarentegen de wilde, verscheurende dieren, zoals de leeuw, de tijger en de wolf in de wildernis leven ver van de beschaafde wereld. Twee wolven of twee leeuwen kunnen vreedzaam met elkaar leven, maar duizend schapen kunnen tot dezelfde kudde behoren en een groot aantal herten kan een roedel vormen. Twee adelaars kunnen op dezelfde plek wonen, maar duizend duiven kunnen op één plaats leven.

De mens moet op zijn minst tot de hogere dieren worden gerekend, maar als hij woest wordt, is hij wreder en boosaardiger dan het meest verscheurende dier der schepping!

Welnu, Bahá'u'lláh heeft de `eenheid van de mensheid' verkondigd. Alle volkeren en natiën behoren tot één familie, zijn de kinderen van één Vader en moeten als broeders en zusters met elkaar omgaan! Ik hoop dat u zich zult beijveren deze lering in uw leven te laten zien en uit te dragen.

Bahá'u'lláh heeft gezegd dat wij zelfs onze vijanden lief moeten hebben en als vrienden zijn jegens hen. Als alle mensen zouden gehoorzamen aan dit beginsel, dan zou de grootste eenheid en het grootste begrip in de harten van allen zijn gevestigd.

 


43. HET DERDE BEGINSEL 
(`Dat religie de oorzaak behoort te zijn van liefde en genegenheid', krijgt veel nadruk in vele van de toespraken die in dit boek zijn weergegeven, evenals in de uitleg van verschillende andere beginselen.)

 


44. HET VIERDE BEGINSEL 
HET AANVAARDEN VAN DE RELATIE TUSSEN RELIGIE EN WETENSCHAP 
Avenue de Camoens 4,

12 november

`Abdu'l-Bahá sprak:

Ik heb u verteld over enkele beginselen van Bahá'u'lláh: `Het zoeken naar waarheid' en `De eenheid der mensheid'. Ik zal nu het vierde beginsel uitleggen, en wel `De aanvaarding van de relatie tussen religie en wetenschap'.

Er is geen tegenstelling tussen ware religie en wetenschap. Wanneer een religie in tegenspraak is met de wetenschap, wordt ze louter bijgeloof; datgene dat in tegenspraak is met kennis is onwetendheid.

Hoe kan een mens een feit geloven waarvan de wetenschap heeft bewezen dat het onmogelijk is? Als hij het toch gelooft, ondanks zijn redelijk denkvermogen, is dit veeleer onwetend bijgeloof dan geloof. De ware beginselen van alle religies zijn in overeenstemming met hetgeen de wetenschap leert.

De eenheid van God is logisch, en dit denkbeeld is niet in strijd met de gevolgtrekkingen waartoe wetenschappelijke studies kwamen.

Alle religies leren dat wij het goede moeten doen, dat wij edelmoedig, oprecht, waarheidslievend, getrouw aan de wet en gelovig moeten zijn; dit alles is redelijk en logischerwijs de enige manier waarop de mensheid vooruit kan gaan.

Alle religieuze wetten voldoen aan het gezonde verstand, en zijn aangepast aan het volk voor wie ze zijn gemaakt en voor het tijdvak waarin ze moeten worden gehoorzaamd.

Religie bestaat uit twee hoofdbestanddelen:

1. het geestelijke

2. het praktische

Het geestelijke deel verandert nooit. Alle Manifestaties van God en Zijn profeten hebben dezelfde waarheden onderwezen en dezelfde geestelijke wet gegeven. Zij allen geven dezelfde wetten voor het zedelijke gedrag. Er bestaat geen verdeeldheid in de waarheid. De Zon heeft vele stralen neergezonden, teneinde het menselijke verstand te verlichten, maar het licht is altijd hetzelfde licht.

Het praktische deel van religie behandelt de uiterlijke vormen en plechtigheden en de soorten straf voor bepaalde vergrijpen. Dit is de stoffelijke kant van de wet en is een leidraad voor de zeden en gewoonten der mensen.

Ten tijde van Mozes waren er tien misdaden die met de dood werden bestraft. Toen Christus kwam werd dit veranderd, het oude axioma, `oog om oog, tand om tand' werd omgezet in `hebt uw vijanden lief, doe hen goed die u haten' waardoor de strenge oude wet werd veranderd in een wet van liefde, genade en verdraagzaamheid!

In vroeger tijden bestond de straf voor diefstal uit het afhakken van de rechterhand; in onze tijd kon deze wet niet op die wijze worden toegepast. In deze tijd mag iemand die zijn vader vervloekt blijven leven, terwijl hij vroeger ter dood zou zijn gebracht. Het is daarom duidelijk dat, terwijl de geestelijke wet nooit verandert, de toepassing van de praktische levensregels moet veranderen naargelang de noden van de tijd. Het geestelijke aspect van religie is het voornamere, het meest belangrijke van de twee en dit geldt voor alle tijden, het verandert nooit! Het blijft hetzelfde, zowel in het verleden, als in het heden en in de toekomst! `Zoals het in den beginne was, zo is het nu en zal het altijd zijn'.

Welnu, alle vraagstukken van zedelijk gedrag die in de geestelijke, onveranderlijke wet van iedere religie besloten liggen zijn logisch gezien duidelijk. Zou religie in strijd zijn met het logisch denkvermogen, dan zou het geen religie meer zijn, maar enkel en alleen mondelinge overlevering. Religie en wetenschap zijn de twee vleugels waarop 's mensen verstand omhoog kan wieken, waarmee de mensenziel vooruit kan gaan. Het is niet mogelijk met slechts één vleugel te vliegen! Zou een mens trachten te vliegen met alléén de vleugel van religie, dan zou hij snel terechtkomen in de poel van bijgeloof, terwijl hij anderzijds met alleen de vleugel van wetenschap ook niet vooruit zou komen, maar in het troosteloze moeras van materialisme zou wegzinken. Alle hedendaagse godsdiensten zijn verzeild geraakt in bijgelovige praktijken, evenzeer in disharmonie met de ware beginselen van de leer die ze vertegenwoordigen, als met de wetenschappelijke ontdekkingen van deze tijd. Veel godsdienstleiders denken in toenemende mate dat het belang van religie in hoofdzaak ligt in het zich houden aan een verzameling bepaalde dogma's en het uitoefenen van riten en ceremoniën! Aan hen, wier ziel zij voorgeven te genezen, is geleerd op dezelfde wijze te geloven, en deze mensen houden hardnekkig vast aan de uiterlijke vormen die zij verwarren met de innerlijke waarheid.

Welnu, deze riten en gebruiken verschillen in de verschillende kerken en tussen de diverse sekten en spreken elkaar zelfs tegen, waardoor er disharmonie, haat en onenigheid ontstaat. Het resultaat van al deze verdeeldheid is dat veel ontwikkelde mensen geloven dat religie en wetenschap tegenstrijdige begrippen zijn, dat men over religie niet hoeft na te denken en dat deze op generlei wijze door de wetenschap geordend moet worden, maar noodzakelijkerwijs de één in strijd moet zijn met de andere. Het ongelukkige gevolg hiervan is, dat wetenschap is vervreemd van religie en dat religie volkomen blindelings en min of meer apathisch de voorschriften van bepaalde godsdienstleraren is gaan volgen, die erop staan dat hun eigen geliefkoosde dogma's worden aanvaard, zelfs als ze in strijd zijn met de wetenschap. Dit is dwaasheid, want het is volkomen duidelijk, dat wetenschap het licht is en daar dit zo is, is ware religie niet strijdig met kennis.

Wij zijn vertrouwd met de uitdrukkingen `licht en duisternis', `religie en wetenschap'. Maar de religie die niet hand in hand gaat met wetenschap bevindt zich in het duister van bijgeloof en onwetendheid.

Veel disharmonie en verdeeldheid in de wereld wordt teweeggebracht door deze, door mensen gemaakte, tegenstellingen en tegenstrijdigheden. Zou religie in harmonie zijn met wetenschap en ermee samengaan, dan zou veel bitterheid en haat die nu het mensenras ellende bezorgt tot het verleden behoren.

Overweegt, wat de mens onderscheidt van alle geschapen wezens en hem tot een uniek schepsel maakt. Is dat niet zijn denkvermogen, zijn verstand? Zal hij hiervan geen gebruik maken bij het bestuderen van religie? Ik zeg u: weegt in de balans van rede en wetenschap zorgvuldig alles af wat u als religie wordt aangeboden. Als het deze test doorstaat, aanvaardt het dan, want het is de waarheid! Zo niet, verwerpt het dan, want het is onwetendheid!

Kijkt om u heen en neemt waar hoe de wereld van vandaag verdrinkt in bijgeloof en uiterlijke vormen!

Sommigen aanbidden het voortbrengsel van hun eigen verbeelding, zij maken voor zichzelf een denkbeeldige God en vereren deze, ofschoon het maaksel van hun eindige denkvermogen niet de oneindige, machtige Maker van alle zichtbare en onzichtbare dingen kan zijn! Anderen aanbidden de zon of bomen en ook stenen! In vroeger tijden waren er zelfs mensen die de zee, de wolken en zelfs klein aanbaden!

Vandaag de dag zijn de mensen zozeer gehecht geraakt aan uiterlijke vormen en ceremoniën dat zij redetwisten over bepaalde riten of gebruiken en men van alle kanten van afmattende argumentaties en onrust hoort spreken. Er zijn mensen met een zwak verstand, wier denkvermogen niet ontwikkeld is, maar men moet de kracht en macht van religie niet betwijfelen vanwege het onvermogen van deze mensen om te begrijpen.

Een klein kind kan de wetten die de natuur beheersen niet bevatten, maar dit komt door het onvolwassen verstand van dat kind. Als hij ouder wordt en is opgevoed, zal ook hij de eeuwige waarheden begrijpen. Een kind kan het feit dat de aarde om de zon draait niet begrijpen, maar als zijn verstand is ontwaakt, wordt dit feit hem overduidelijk.

Het is onmogelijk dat religie in strijd is met wetenschap, ook al is het verstand van sommigen te zwak of te onrijp om de waarheid te begrijpen.

God heeft religie en wetenschap als het ware tot maatstaf gemaakt van ons begrip. Hoedt u ervoor, dat u zulk een prachtig vermogen niet verwaarloost. Weegt alle dingen in déze weegschaal.

Voor degene die begripsvermogen bezit, is religie als een open boek, maar hoe kan iemand die geen denkvermogen bezit de goddelijke werkelijkheid begrijpen?

Brengt uw gehele geloofsovertuiging in harmonie met de wetenschap. Er kan geen tegenstelling zijn, want waarheid is één. Als religie, ontdaan van bijgeloof, tradities en onbegrijpelijke dogma's haar overeenkomst toont met de wetenschap, dan zal er in de wereld een grote éénmakende, reinigende kracht zijn die alle oorlogen, onenigheid, tweedracht en strijd zal wegvagen - en dan zal de mensheid verenigd worden in de kracht van de Liefde Gods.

 


45. HET VIJFDE BEGINSEL 
HET AFSCHAFFEN VAN VOOROORDELEN 
Avenue de Camoens 4,

13 november

Van alle vooroordelen, hetzij van religie, ras, politiek of natie, moet afstand worden gedaan, want deze hebben de wereld verziekt. Het is een ernstige ziekte die, tenzij tot staan gebracht, in staat is het gehele mensenras te vernietigen. Iedere verwoestende oorlog met zijn vreselijke ellende en bloedvergieten is door een van deze vooroordelen veroorzaakt.

De betreurenswaardige oorlogen die in deze tijd plaatsvinden, worden veroorzaakt door de fanatieke godsdiensthaat van het ene volk jegens het andere, of de vooroordelen ten aanzien van ras of kleur.

Totdat al deze door vooroordeel opgeworpen barrières worden opgeruimd, is het niet mogelijk dat de mensheid tot rust komt. Om die reden heeft Bahá'u'lláh gezegd: `Deze vooroordelen zijn vernietigend voor de mensheid.'

Overdenkt eerst het vooroordeel van religie: kijkt naar de landen met zogenaamd godsdienstige mensen; waren zij werkelijk aanbidders van God, dan zouden zij Zijn wet die hun verbiedt elkaar te doden, gehoorzamen.

Als godsdienstleiders werkelijk de God van liefde vereerden en het goddelijke Licht dienden, dan zouden zij hun mensen leren het voornaamste Gebod: `liefde en naastenliefde te betonen aan alle mensen' na te komen. Maar wij zien het tegendeel, want het zijn vaak de geestelijken die natiën tot vechten aanmoedigen. Godsdiensthaat is altijd het wreedst!

Alle religies leren dat wij elkaar lief moeten hebben, dat wij onze eigen tekortkomingen eerst moeten opsporen, vóórdat wij ons aanmatigen de fouten van anderen te veroordelen en dat wij ons niet de meerdere van onze medemens moeten beschouwen! Wij moeten oppassen ons niet te verhogen, opdat wij niet vernederd worden.

Wie zijn wij, om te oordelen? Hoe weten wij nu wie in de ogen van God de meest rechtschapen mens is? Gods gedachten zijn niet als onze gedachten! Hoeveel mensen die in de ogen van hun vrienden als heiligen leken te zijn, zijn niet tot de diepste vernedering vervallen. Denkt aan Judas Iskariot; bij begon goed, maar herinnert u zich zijn einde! Anderzijds de discipel Paulus in zijn jonge dagen een vijand van Christus, terwijl hij later Zijn trouwste dienaar werd. Hoe kunnen wij ons dan op de borst slaan en anderen minachten?

Laat ons daarom nederig zijn, zonder vooroordelen, en het welzijn van anderen verkiezen boven eigen welzijn! Laten wij nooit zeggen: `Ik ben een gelovige, maar hij is een ongelovige,' `Ik ben God nabij, hij daarentegen is een verworpene.' Wij kunnen nooit weten, wat het laatste oordeel zal zijn! Laten wij daarom allen die welke hulp ook nodig hebben, helpen.

Laten wij de onwetende onderrichten, en zorgen voor het jonge kind, totdat deze volwassen wordt. Wanneer wij zien dat een mens in de diepste ellende is geraakt of tot zonde is vervallen, moeten wij vriendelijk voor hem zijn, hem de hand reiken, weer op de been helpen, hem zijn kracht doen hervinden, hem met tedere liefde leiden, en hem als vriend en niet als vijand behandelen.

Wij hebben niet het recht onze medemensen als slecht te beschouwen.

Wat betreft het vooroordeel van ras: dit is een zinsbegoocheling, eenvoudigweg bijgeloof! Want God heeft ons allen als één ras geschapen. Aanvankelijk waren er geen verschillen, want wij zijn allen afstammelingen van Adam. In het begin waren er óók geen beperkingen en grenzen tussen de verschillende landen; geen enkel deel van de aarde behoorde méér aan het ene dan aan het andere volk. In de ogen van God is er geen verschil tussen de diverse rassen. Waarom moest de mens zo'n vooroordeel bedenken? Hoe kunnen wij de oorlog verdedigen, veroorzaakt door een zinsbegoocheling?

God heeft de mensen niet geschapen om elkaar te vernietigen. Alle rassen, stammen, sekten en klassen hebben een gelijk aandeel in de milddadigheid van hun hemelse Vader.

Het enige verschil ligt in de graad van trouw, van gehoorzaamheid aan de wetten van God. Sommigen zijn als lichtfakkels, anderen stralen als sterren aan de hemel der mensheid. De voortreffelijkste mensen zijn zij die, van welk volk, geloof of welke kleur zij ook zijn, de mensheid liefhebben. Want het is tot hen dat God de gezegende woorden zal spreken: `Goed gedaan, Mijn goede en trouwe dienaren.' Hij zal dan niet vragen: `Bent u Engels, Frans of misschien Perzisch? Komt u uit het oosten of uit het westen?'

De enige scheidslijn die echt is, is deze: er zijn hemelse mensen en aardse mensen; zelfopofferende dienaren der mensheid uit liefde voor de Allerhoogste die harmonie en eenheid brengen, vrede en welzijn onderrichten aan de mensen. Anderzijds zijn er van die zelfzuchtige mensen die hun broeders haten, in wier hart vooroordeel de plaats inneemt van liefdevolle genegenheid, en wier invloed disharmonie en strijd veroorzaakt. Tot welk ras of tot welke huidskleur behoren deze twee indelingen van de mens, tot het blanke, tot het gele, tot het zwarte ras, tot het oosten of tot het westen, tot het noorden of tot het zuiden? Als genoemde indelingen van God zijn, waarom zouden wij dan andere verzinnen?

Politiek vooroordeel is al even schadelijk, het is één van de voornaamste oorzaken van bittere strijd onder de mensenkinderen. Er zijn mensen die er vreugde in scheppen disharmonie te kweken, die zich voortdurend inspannen hun land op te hitsen om oorlog te voeren tegen andere landen - en waarom? Zij denken hun eigen land te bevoordelen ten koste van alle andere. Zij sturen legers om het land te bestoken en te vernietigen, teneinde beroemd te worden in de wereld, uit veroveringszucht, opdat er gezegd kan worden: `Dat en dat land heeft een ander land verslagen en het onder het juk gebracht van hun sterkere en voortreffelijke heerschappij.' Zo'n overwinning, behaald ten kosten van veel bloedvergieten, is niet van blijvende aard! Op zeker dag zal de veroveraar worden veroverd, en zullen de onderdrukten zegevieren! Denkt aan de geschiedenis uit het verleden: veroverde Frankrijk niet méér dan eens Duitsland - en overwon Duitsland daarna niet Frankrijk?

Ons werd óók geleerd dat Frankrijk Engeland veroverde; later behaalde Engeland de overwinning op Frankrijk!

Deze roemrijke veroveringen zijn zó kortstondig! Waarom er zoveel belang aan hechten en aan de roem ervan, dat de mens zelfs bereid is bloed te vergieten om dit te bereiken? Is er een overwinning die de onvermijdelijke nasleep van onheil waard is dat volgt na mensenmoord, het verdriet, de ellende en het verderf waaronder zo veel gezinnen van beide landen worden bedolven? Want het is onmogelijk dat slechts één land moet lijden.

O! Waarom wil de mens, het ongehoorzame kind van God dat een voorbeeld zou moeten zijn van de kracht der geestelijke wet, zijn gelaat afkeren van de goddelijke Leer en richt hij al zijn krachten op vernietiging en oorlog?

Ik hoop dat in deze verlichte eeuw het goddelijke Licht van liefde over de gehele wereld haar stralen zal werpen, waardoor het hart wordt geraakt van ieder intelligent mens dat hiervooropenstaat, dat het licht van de Zon van Waarheid politici ertoe zal brengen alle aanspraken gestoeld op vooroordeel en bijgeloof van zich af te schudden en met een bevrijde geest de politiek van God te volgen, want Gods politiek is machtig en 's mensen politiek zwak! God heeft de gehele wereld geschapen, en schenkt ieder schepsel Zijn goddelijke milddadigheid.

Zijn wij niet de dienaren van God? Verzuimen wij het voorbeeld van onze Meester te volgen en negeren wij Zijn geboden?

Ik bid dat het Koninkrijk zal komen op aarde, en dat alle duisternis verdreven zal worden door de uitstraling van de hemelse Zon.

 


46. HET ZESDE BEGINSEL 
MIDDELEN VAN BESTAAN 
Avenue de Camoens 4,

Eén van de belangrijkste beginselen van de Leer van Bahá'u'lláh is:

Het recht van ieder mens op het dagelijks brood om van te leven of de gelijkmatige verdeling van de middelen van bestaan.

Het regelen van de omstandigheden van de mensen moet van dien aard zijn dat de armoede verdwijnt en dat een ieder, voor zover mogelijk, naar rang en positie, zal delen in gerief en welzijn.

Wij zien enerzijds mensen om ons heen die overladen zijn met rijkdom en anderzijds de ongelukkigen die aan alles gebrek lijden; zij die een aantal statige paleizen bezitten, en zij die nergens hun hoofd ter ruste kunnen leggen. Wij zien dat sommigen genieten van talrijke gangen kostbaar en smakelijk voedsel, terwijl anderen nauwelijks voldoende korsten kunnen vinden om zich in het leven te houden. Terwijl sommigen gekleed zijn in fluweel, bont en fijn linnen, hebben andere onvoldoende, schamele, dunne kleren waarmee zij zich moeten beschermen tegen de kou.

Deze stand van zaken is verkeerd en moet worden verholpen. Nu moet de remedie wel zorgvuldig ter hand worden genomen. Het kan niet worden uitgevoerd met het tot stand brengen van volkomen gelijkheid tussen de mensen.

Gelijkheid is een hersenschim! Het is geheel onuitvoerbaar! Zelfs, wanneer er gelijkheid kon worden bereikt, zou deze onbestendig zijn - en zou het bestaan ervan mogelijk zijn, dan zou degehele ordening van de wereld worden vernietigd. De wet van de orde moet altijd heersen in de mensenwereld. God heeft dit zo verordend bij de schepping van de mens.

Sommigen bezitten veel verstand, anderen hebben een gewoon verstand en weer anderen zijn ervan verstoken. Binnen deze drie niveaus van mensen heerst orde, maar geen gelijkheid. Hoe zou het mogelijk kunnen zijn dat wijsheid en domheid aan elkaar gelijk zouden zijn? Evenals een groot leger heeft de mensheid een generaal, kapiteins, onderofficieren in hun rang en soldaten nodig, een ieder met zijn eigen toegewezen taak. Rangorden zijn absoluut noodzakelijk als waarborg voor een ordelijke organisatie. Een leger zou niet alleen uit generaals kunnen bestaan of uit alleen kapiteins, of uit alleen maar soldaten, zonder dat er één is die het gezag voert. Het zekere resultaat van zo'n plan zou zijn dat er in het hele leger wanorde en demoralisatie zou gaan heersen.

De filosoof koning Lycurgus stelde een groot plan op, teneinde de onderdanen van Sparta gelijk te doen zijn; het experiment werd met zelfopoffering en wijsheid begonnen. Daarop riep de koning de bewoners van zijn rijk op en liet hen een eed afleggen dezelfde orde van bestuur te zullen handhaven, wanneer hij het land zou verlaten, en óók dat ze er niets aan zouden veranderen vóórdat hij terugkwam. Na zich te hebben verzekerd van deze eed, verliet hij zijn koninkrijk Sparta en keerde er nooit terug. Lycurgus liet deze toestand voor wat die was, deed afstand van zijn hoge positie met de gedachte het blijvend welzijn van zijn land tot stand te brengen door het bezit en de levensomstandigheden in zijn koninkrijk gelijk te trekken. Alle zelfopoffering van de koning was tevergeefs. Het grote experiment mislukte. Na enige tijd werd alles te gronde gericht en eindigde zijn zorgvuldig uitgedachte staatsregeling.

De doelloosheid van een dergelijk plan werd aangetoond en de onmogelijkheid van het bereiken van gelijke levensomstandigheden werd bekendgemaakt in het oude koninkrijk Sparta. In onze tijd zou iedere soortgelijke poging eveneens tot mislukking zijn gedoemd.

Aangezien sommigen enorm rijk zijn en anderen betreurenswaardig arm, is er zeer zeker een organisatie nodig om deze stand van zaken te controleren en te verbeteren. Het is van belang om rijkdom te beperken, zoals het ook van belang is armoede te beperken. Beide uitersten zijn niet goed. Zich in het midden1 te bevinden is het meest wenselijke. Als het voor een kapitalist rechtvaardig is een groot fortuin te bezitten, zou het even rechtvaardig zijn dat zijn arbeider voldoende middelen van bestaan heeft.

Een financier met reusachtige rijkdommen zou niet moeten bestaan als dichtbij hem een arm mens in verschrikkelijk behoeftige omstandigheden verkeert. Wanneer wij zien dat men armoede een toestand van verhongering heeft laten bereiken, dan is dit een feilloos teken dat wij ergens tirannie zullen vinden. De mensen moeten zich voor deze kwestie inzetten en niet langer uitstel dulden om toestanden die de ellende van knagende armoede bij een zeer groot aantal mensen teweegbrengen te veranderen. De rijken moeten van hun overvloed geven, zij moeten hun hart vermurwen en een mededogend begrip koesteren, zich bekommerend om de bedroefden die lijden door gebrek aan de eerste levensbehoeften.

Er moeten speciale wetten worden gemaakt die over deze uitersten van rijkdom en armoede gaan. De leden van de regering moeten de Wetten van God overwegen bij het maken van plannen om de bevolking te regeren. De algemene rechten van de mensheid moeten worden beschermd en bewaard.

De regeringen moeten zich houden aan de goddelijke Wet die gelijke rechten verleent aan allen. Dit is de enige manier waarop de betreurenswaardige overtolligheid van grote rijkdom en de erbarmelijke, demoraliserende, vernederende armoede kan worden afgeschaft. Niet voordat dit wordt gedaan zal aan de Wet van God worden gehoorzaamd.

Noot:

1. `Geef mij armoede noch rijkdom'. Spreuken 30:8.

 


47. HET ZEVENDE BEGINSEL 
GELIJKWAARDIGHEID DER MENSEN 
`De wetten van God zijn niet het opleggen van wil of van macht of van willekeur, maar de beslissingen van de waarheid, rede en gerechtigheid.'

Alle mensen zijn voor de wet gelijk en deze moet onvoorwaardelijk heersen.

Het doel van straf is niet wraak, maar het voorkomen van misdaad.

Koningen moeten regeren met wijsheid en rechtvaardigheid; vorsten, edellieden en boeren hebben allen gelijke rechten op een rechtvaardige behandeling; de enkeling mag niet begunstigdworden. Een rechter mag geen onderscheid des persoons maken, maar moet de wet strikt onpartijdig toepassen bij iedere zaak die hem wordt voorgelegd.

Als iemand een misdaad tegen u begaat, hebt u niet het recht hem te vergeven, maar de wet moet hem straffen om herhaling van diezelfde misdaad door anderen te voorkomen, daar het leed van de enkeling onbelangrijk is naast het algemene welzijn van het volk.

Pas wanneer er volkomen gerechtigheid heerst in ieder land van oost tot west, zal de aarde een plaats van schoonheid worden. De waardigheid en gelijkheid van iedere dienaar van God zal worden erkend, het ideaal van de solidariteit van het mensenras, de ware broederschap van de mens zal verwerkelijkt worden en het prachtige licht van de Zon van Waarheid zal de ziel van alle mensen verlichten.

 


48. HET ACHTSTE BEGINSEL 
WERELDVREDE 
Avenue de Camoens 4,

Een Opperst Gerechtshof zal ingesteld worden door de volkeren en regeringen van ieder land, samengesteld uit leden die gekozen zijn uit elk land en elke regering. De leden van dit hoogste college moeten in eenheid vergaderen. Alle geschillen van internationale aard moeten aan dit Hof worden voorgelegd, wiens taak het is om door arbitrage alles wat anders een oorlog zou veroorzaken bij te leggen. De opdracht van dit Tribunaal zal het voorkomen van oorlog zijn.

Eén van de belangrijke stappen naar wereldvrede zou het instellen van een wereldtaal zijn. Bahá'u'lláh gelast dat de dienaren der mensheid moeten samenkomen, en óf een bestaande taal kiezen óf een nieuwe taal ontwerpen. Dit werd veertig jaar geleden in de Kitáb-i-Aqdas geopenbaard. Daarin wordt uiteengezet, dat het vraagstuk van de grote verscheidenheid van talen een bijzonder moeilijk vraagstuk is. Er zijn méér dan achthonderd talen in de wereld, en geen mens zou ze allemaal kunnen leren.

De mensenrassen zijn niet meer van elkaar gescheiden, zoals in vroeger tijden. Welnu, om in nauwe relatie te staan met alle landen is het nodig dat men hun taal kan spreken.

Een wereldtaal zou omgang met ieder land mogelijk maken. Bijgevolg zou het nodig zijn slechts twee talen te kennen, de moedertaal en de wereldtaal. De laatstgenoemde zou iemand in staat stellen met ieder mens op aarde te communiceren!

Een derde taal zou niet nodig zijn. Wat nuttig en rustgevend voor allen om met een lid van ieder ras en land te kunnen spreken zonder een tolk nodig te hebben!

Esperanto is ontworpen met het oog hierop: het is een mooie uitvinding en een prachtig stuk werk, maar het moet vervolmaakt worden. Zoals Esperanto nu is, is het voor sommige mensen heel moeilijk.

Er zou een internationaal Congres moeten worden ingesteld dat uit afgevaardigden van ieder land ter wereld bestaat, zowel de oosterse als de westerse landen. Dit Congres moet een taal ontwerpen die door iedereen is te leren, en ieder land zou daar veel baat bij vinden.

Totdat zo'n taal in gebruik komt, zal de wereld de grote behoefte aan dit communicatiemiddel blijven voelen. Taalverschillen leveren één van de meest vruchtbare oorzaken van afkeer en wantrouwen op die er bestaan tussen natiën die méér dan door enige andere reden gescheiden gehouden worden door het onvermogen elkaars taal te begrijpen.

Als iedereen één taal kon spreken, hoeveel gemakkelijker zou het dan zijn de mensheid te dienen!

Stelt daarom `Esperanto' op prijs, want het is het begin van het uitvoeren van één der belangrijkste wetten van Bahá'u'lláh en men moet doorgaan met het perfectioneren ervan.

 


49. HET NEGENDE BEGINSEL 
GEEN INMENGING VAN RELIGIE IN POLITIEK 
Avenue de Camoens 4,

17 november

In zijn levenshouding wordt de mens door twee hoofdmotieven gedreven: `de hoop op beloning' en `de vrees voor straf'.

Aan deze hoop en deze vrees moet bijgevolg grote aandacht worden besteed door hen die een belangrijke post bekleden bij de regering. Hun taak is het om gezamenlijk te beraadslagen bij het opstellen van wetten en te voorzien in een rechtvaardige toepassing ervan.

De tent van de wereldorde is opgezet en gesteund met de twee pilaren `Beloning en Vergelding'.

In despotische regeringen die worden bestuurd door mensen zonder geloof in God en waar geen vrees voor geestelijke vergelding bestaat, is de uitvoering der wetten tiranniek en onrechtvaardig.

Er bestaat geen grotere bescherming tegen onderdrukking dan deze twee gevoelens van hoop en vrees. Beide hebben zowel politieke als geestelijke gevolgen.

Zouden de uitvoerders van de wet de geestelijke gevolgen van hun besluiten in aanmerking nemen en de leiding van religie volgen, dan `zouden zij goddelijke werktuigen zijn in de wereld van de daad, de vertegenwoordigers van God voor degenen die op aarde zijn, en zij zouden uit liefde jegens God de belangen van Zijn dienaren verdedigen, zoals zij hun eigen belangen zouden verdedigen.' Als een bestuurder zich zijn verantwoordelijkheid bewust is, en vreest de goddelijke Wet te trotseren, zal zijn oordeel rechtvaardig zijn. Als hij bovendien gelooft, dat de gevolgen van zijn daden hem ook na zijn leven op aarde zullen vervolgen, en dat `wat hij zaait, hij ook zal oogsten', dan zal zo iemand zeer zeker onrechtvaardigheid en tirannie vermijden.

Zou daarentegen een functionaris menen, dat alle verantwoordelijkheid voor zijn daden zal eindigen met zijn aardse leven, niets wetend van en niet gelovend in Gods gunsten en een geestelijk Koninkrijk van vreugde, dan zal hem de motivatie tot rechtvaardig handelen en de bezieling om onderdrukking en onrechtvaardigheid uit te roeien, ontbreken.

Wanneer een bestuurder weet, dat zijn uitspraken door de goddelijke Rechter in een waag zullen worden bevonden, hij in het hemelse Koninkrijk zal komen en dat het licht van de hemelse milddadigheid hem zal beschijnen, dan zal hij zekerlijk rechtvaardig en billijk handelen. Overweegt hoe belangrijk het is, dat ministers van staat door religie worden verlicht!

Met politieke vraagstukken heeft de geestelijkheid echter niets te maken! Religieuze aangelegenheden moeten niet worden verward met politiek in de huidige toestand van de wereld (want hun belangen zijn niet identiek).

Religie heeft te maken met aangelegenheden van het hart, van de geest en van de moraal.

Politiek houdt zich bezig met de materiële dingen van het leven. Godsdienstleraren moeten zich niet op het terrein van de politiek begeven, zij moeten zich bezighouden met de geestelijke opvoeding van de mensen, zij moeten hun steeds goede raad geven, daarbij pogend God en de mensheid te dienen; zij moeten zich inspannen geestelijke aspiraties op te wekken en ernaar streven het begrip en de kennis omtrent de mensheid te vergroten, de zeden te verbeteren en de liefde voor rechtvaardigheid te doen toenemen.

Dit is in overeenstemming met de Leer van Bahá'u'lláh. Ook in het evangelie staat geschreven, `Geeft dan de keizer wat des keizers is, en Gode wat Gods is.'

In Perzië zijn er enkele onder de belangrijke ministers van staat die religieus en voorbeeldig zijn, die God aanbidden en die vrezen Zijn Wetten niet te gehoorzamen, die juist oordelen en hun volk rechtvaardig regeren. In dit land bevinden zich andere bestuurders die de vreze Gods niet voor ogen hebben, die niet voor hun eigen belang werken, en deze hebben Perzië in grote verwarring en moeilijkheden gebracht.

O, vrienden van God, weest een levend voorbeeld van gerechtigheid! Zó zeer dat door de Barmhartigheid Gods, de wereld in uw daden kan zien dat u de hoedanigheden van gerechtigheid en barmhartigheid aan de dag legt.

Rechtvaardigheid is niet beperkt, het is een universele eigenschap. De werking ervan moet consequent in alle klassen, van hoog tot laag worden doorgevoerd. Gerechtigheid moet heilig zijn, en de rechten van alle mensen moeten in acht worden genomen. Wens voor anderen slechts dàt wat u voor uzelf wenst. Dan zullen wij ons verblijden in de Zon van Gerechtigheid die schijnt vanuit de Horizont van God.

Elk mens bekleedt een ereplaats die hij niet moet verlaten. Een eenvoudige arbeider die een onrechtvaardigheid begaat is evenzeer te laken als een beruchte tiran. Wij allen hebben dus de keus tussen rechtvaardigheid en onrechtvaardigheid.

Ik hoop, dat een ieder van u rechtvaardig zal worden en zijn gedachten zal richten op de eenheid der mensheid, dat u nooit uw naasten leed zult berokkenen, noch over iemand kwaad zult spreken, dat u de rechten van alle mensen zult eerbiedigen en zich meer zult bekommeren om de belangen van anderen dan om uw eigen belangen. Aldus zult u fakkels van goddelijke gerechtigheid worden en handelen in overeenstemming met de Leer van Bahá'u'lláh die tijdens Zijn leven talloze beproevingen en vervolgingen droeg, teneinde aan de wereld der mensheid de deugden van de wereld van God te laten zien, het voor u mogelijk makend de oppermacht van de geest te beseffen en zich te verheugen in de Gerechtigheid Gods.

Door Zijn barmhartigheid zal de goddelijke Milddadigheid over u worden uitgestort, en hier bid ik voor.

 


50. HET TIENDE BEGINSEL 
GELIJKWAARDIGHEID VAN MAN EN VROUW 
Avenue de Camoens 4,

14 november

Het tiende beginsel van de Leer van Bahá'u'lláh is de gelijkwaardigheid van man en vrouw.

God heeft alle schepselen in paren geschapen. Mens, dier of plant, alles wat tot deze drie rijken behoort, bestaat uit twee geslachten, en tussen hen bestaat volkomen gelijkwaardigheid.

In het plantenrijk zijn mannelijke en vrouwelijke planten. Ze hebben gelijke rechten en een gelijk aandeel in de schoonheid van hun soort; hoewel van de boom die vruchten draagt met recht gezegd kan worden, dat deze beter is dan de boom die geen vruchten draagt.

In het dierenrijk zien wij dat het mannetje en het vrouwtje gelijke rechten hebben en dat zij elk delen in de voordelen van hun soort.

Welnu, wij hebben gezien dat er in de twee lage rijken der natuur geen sprake is van de superioriteit van het ene geslacht ten opzichte van het andere. In de mensenwereld zien we een groot verschil; de vrouw wordt behandeld alsof zij de mindere is, en haar worden geen gelijke rechten en voorrechten toegestaan. Deze situatie is niet te wijten aan de natuur, maar aan de opvoeding. In Gods schepping bestaat een dergelijk onderscheid niet. Geen van de geslachten is superieur aan de andere in de ogen van God. Waarom moet dan het ene geslacht de minderwaardigheid van het andere laten gelden door rechtvaardige rechten en voorrechten aan hen te onthouden, als God Zijn machtiging had gegeven voor een dergelijke handelwijze? Als vrouwen dezelfde onderwijskansen zouden krijgen als mannen, dan zou het resultaat bewijzen dat beide geslachten gelijke capaciteiten hebben voor de wetenschap.

In sommige opzichten is de vrouw de meerdere van de man. Zij is teergevoeliger, ontvankelijker, en haar intuïtie is sterker.

Het kan niet worden ontkend dat in verschillende opzichten de vrouw op het ogenblik minder ontwikkeld is dan de man, en óók dat deze tijdelijke inferioriteit te wijten is aan het gebrek aan onderwijsmogelijkheden. In het dagelijks leven is de vrouw met méér kracht begiftigd dan de man, want aan háár dankt hij zelfs zijn bestaan.

Heeft de moeder onderwijs genoten, dan zullen haar kinderen goed onderwezen worden. Als de moeder wijs is, dan zal zij haar kinderen op de weg naar wijsheid leiden. Is de moeder religieus, dan zal zij haar kinderen laten zien hoe zij God moeten liefhebben. Is de moeder moreel hoogstaand, dan gaat zij haar kleintjes vóór op de weg naar rechtschapenheid.

Het is dus duidelijk, dat de komende generatie afhankelijk is van de moeders van vandaag. Is dit niet een enorme verantwoordelijkheid voor de vrouw? Vereist dit niet ieder mogelijk voordeel om haar voor zulk een taak uit te rusten?

Het behaagt God derhalve beslist niet, dat een dergelijk belangrijk instrument als de vrouw moet lijden onder gebrek aan opleiding, teneinde tot de volmaaktheden te komen die wenselijk en noodzakelijk zijn voor haar grote levenswerk! Goddelijke gerechtigheid vereist, dat de rechten van beide geslachten gelijkelijk moeten worden gerespecteerd, aangezien het ene niet superieur is aan het andere in de ogen van God. Voor God hangt waardigheid niet af van geslacht, maar van een zuiver en stralend hart. Menselijke deugden behoren gelijkelijk aan allen!

De vrouw moet zich daarom inspannen zich meer te ontwikkelen, in ieder opzicht de gelijke te zijn van de man en vooruitgang te boeken in alles waarin zij de mindere was, zodat de man gedwongen zal zijn haar gelijkwaardigheid in capaciteit en kundigheid te erkennen.

In Europa hebben de vrouwen grotere vorderingen gemaakt dan in het oosten, maar er moet nog veel worden gedaan! Als leerlingen aan het eind van hun schooltijd zijn gekomen, moeten zij een examen afleggen en het resultaat hiervan bepaalt de kennis en de capaciteit van iedere leerling. Zo zal het ook met de vrouw gaan; haar daden zullen haar vermogens laten zien en het zal niet langer nodig zijn om het met woorden te verkondigen.

Ik hoop dat zowel de vrouwen van het oosten als ook hun westerse zusters snel vooruit zullen gaan, totdat de mensheid volmaaktheid zal bereiken.

Gods milddadigheid is voor allen en geeft kracht voor alle vooruitgang. Als de man de gelijkwaardigheid van de vrouw erkent, zal het voor haar niet meer nodig zijn voor haar rechten te strijden! Een van de beginselen van Bahá'u'lláh is dus de gelijkwaardigheid van man en vrouw.

Vrouwen moeten zich de grootste inspanning getroosten om geestelijke kracht te verwerven en te groeien in wijsheid en toewijding, totdat hun verlichting en inspanning de eenheid der mensheid tot stand brengen. Zij moeten met laaiend enthousiasme werken aan het verspreiden van de Leer van Bahá'u'lláh onder de mensen, zodat het stralende licht van Gods milddadigheid de mensen van alle natiën der wereld zal omvatten!

 


51. HET ELFDE BEGINSEL 
DE KRACHT VAN DE HEILIGE GEEST 
Avenue de Camoens 4,

18 november

In de leer van Bahá'u'lláh staat geschreven: `Alleen door de kracht van de Heilige Geest is de mens in staat vooruit te gaan, want de kracht van de mens is beperkt en Gods kracht is onbegrensd.' De geschiedenis leert ons dat alle waarlijk grote mensen, de weldoeners van de mensheid, zij die de mensen ertoe hebben bewogen het goede te beminnen en het verkeerde te haten, en die werkelijke vooruitgang hebben bewerkstelligd, werden bezield met de kracht van de Heilige Geest.

De Profeten van God hebben niet allemaal de scholen van de hogere filosofie doorlopen. Zij waren zelfs vaak mensen van eenvoudige afkomst, schijnbaar onwetende, onbekende mannen van geen betekenis in de ogen der wereld, soms ontbrak hen zelfs de kennis van lezen en schrijven.

Wat deze groten verhief boven de mensen, waardoor zij bij machte waren Leraren van de waarheid te worden, was de kracht van de Heilige Geest. Hun invloed op de mensheid tengevolge van deze machtige bezieling was groot en doordringend.

De invloed van de meest wijze filosofen was zonder deze Geest van God betrekkelijk onbelangrijk, hoe uitgebreid hun kennis en hoe groot hun geleerdheid ook was.

Het buitengewone verstand van bijvoorbeeld Plato, Aristoteles, Plinius en Socrates heeft de mens niet in die mate beïnvloed dat hij ernaar verlangde zijn leven te offeren voor hun leringen. Terwijl daarentegen enkele van deze eenvoudige mensen de mensheid dermate raakten, dat duizenden bereidwillige martelaren werden om hun Woord te verdedigen, want deze woorden waren geïnspireerd door de Geest van God! De profeten van Juda en Israël, zoals Elia, Jeremia, Jesaja en Ezechiël waren eenvoudige mensen, evenals de apostelen van Jezus Christus.

Petrus, de voornaamste apostel, placht de opbrengst van zijn visvangst in zeven delen te verdelen en als hij, na één deel voor het dagelijks gebruik te hebben genomen, aan het zevende deel toe was, wist hij dat het de sabbat was. Overweegt dit! en denkt dan aan zijn latere staat. Welk een eer viel hem ten deel, omdat de Heilige Geest door hem grote werken tot stand bracht.

Wij begrijpen, dat de Heilige Geest de energieverwekkende factor is in het leven van de mens. Al wie deze kracht ontvangt is in staat allen met wie hij in aanraking komt te beïnvloeden.

Zonder deze Geest zijn de grootste filosofen machteloos, is hun ziel levenloos, hun hart dood! Tenzij de Heilige Geest in hun ziel ademt, kunnen zij geen goede werken verrichten. Geen enkel filosofisch systeem is ooit in staat geweest de zeden en gewoonten van een volk ten goede te veranderen. Geleerde filosofen die niet verlicht waren door Gods geest waren dikwijls mensen met een laagstaande moraal; hun fraaie bewoordingen hebben zij niet in daden omgezet.

Het verschil tussen geestelijke filosofen en anderen komt in hun leven tot uiting. De geestelijke Leraar bewijst Zijn geloof in Zijn Leer door Zelf te zijn wat Hij anderen voorschrijft.

Een eenvoudig mens zonder kennis, maar vervuld van de Heilige Geest, is machtiger dan de adellijke grootste geleerde zonder die bezieling. Degene die is opgevoed door de goddelijke Geest kan in zijn tijd anderen ertoe brengen dezelfde Geest te ontvangen.

Ik bid voor u dat u bezield zult worden door de levende Geest Gods, zodat u anderen kunt onderrichten. Het leven en de moraal van een geestelijk mens werkt zelf al opvoedend voor hen die hem kennen.

Denkt niet aan uw eigen beperkingen, staat alleen stil bij het welzijn van het Koninkrijk van Heerlijkheid. Overweegt de invloed van Jezus Christus op Zijn apostelen en denkt dan aan hun invloed op de wereld. Deze eenvoudige mensen waren in staat de blijde boodschap te verspreiden door de kracht van de Heilige Geest!

Moogt u allen dus Gods bijstand ontvangen! Geen enkele capaciteit is beperkt, wanneer deze geleid wordt door de Geest Gods!

De aarde als zodanig geeft geen leven, ze is dor en droog, totdat ze vruchtbaar wordt door de zon en de regen; en toch hoeft de aarde niet te treuren over haar eigen beperkingen.

Moge u leven worden gegeven! Moge de regen van Gods barmhartigheid en de warmte van de Zon van Waarheid uw tuin vruchtbaar maken, zodat er vele mooie heerlijk geurende, lieflijke bloemen in overvloed mogen bloeien. Wendt uw gelaat af van bespiegelingen over uw eigen, eindige ik en vestigt uw oog op de eeuwigdurende luister. Dan zal uw ziel in volle mate de goddelijke kracht van de Geest en de zegeningen van de oneindige Milddadigheid ontvangen.

Als u zich op deze wijze gereed houdt, zult u een vurige vlam worden voor de mensheid, een leidstar en een vruchtbare boom die alle duisternis en leed in licht en vreugde verandert door het licht van de Zon van Barmhartigheid en de oneindige zegeningen van de blijde Tijding.

Dit is de betekenis van de kracht van de Heilige Geest en ik bid dat deze overvloedig op u moge neerdalen.

 


Bron: 

Toespraken in Parijs